De tulpenmanie: de eerste speculatiecrisis in de Nederlandse beleggingsgeschiedenis

Minder dramatisch dan ooit gedacht
9 minuten leestijd
Allegorie der Tulipomanie, schilderij van Jan Brueghel de Jonge - detail
Allegorie der Tulipomanie, schilderij van Jan Brueghel de Jonge - detail

De tulpenmanie was de eerste speculatiecrisis in de Nederlandse beleggingsgeschiedenis. Tulpenbollen brachten tussen 1634 en februari 1637 exorbitante prijzen op, tot de vraag plotseling instortte en speculanten grote verliezen leden. De tulp bleef echter populair en de teelt lucratief.

De bloem werd op den duur een Nederlands nationaal symbool. De tulpenmanie is ook met tal van andere namen aangeduid, zoals tulpenkoorts, tulpenwoede en bollenrazernij. Pamflettisten en latere auteurs hebben de crisis flink overdreven met sensationele verhalen over astronomische prijzen en grootschalige faillissementen.

Herkomst

Carolus Clusius
Portret van Carolus Clusius, toegeschreven aan Jacob de Monte en geschilderd in Wenen in 1585. Coll. Scaliger Instituut, Universiteit Leiden.
Al in de tiende eeuw kweekte men tulpen in Perzië (Iran). In de zestiende eeuw zien we ze verschijnen in het Ottomaanse (Turkse) rijk, waar ze snel tot de meest gewaardeerde bloemen behoorden. De tulp kwam omstreeks 1554 naar Europa, toen de Vlaamse diplomaat Ogier Gisleen van Busbeke wat bollen van Istanboel naar Wenen stuurde. De eerste tulpen in de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden danken we aan Carolus Clusius, arts en botanicus in Leiden. Ogier Gisleen van Busbeke stuurde hem kort voor zijn dood in 1591 wat tulpenzaden. Clusius speelde vervolgens een belangrijke rol bij de verspreiding van de tulp in Europa.

Rage

De schoonheid en simpele vormen van de tulp spraken tot de verbeelding in de Lage Landen en al snel werd deze bloem hier geliefd. Clusius plantte ze in de Hortus Botanicus in Leiden, waar ze zo populair waren dat er naar verluidt zelfs is ingebroken om de bollen te stelen. Spoedig bloeiden tulpen ook in Hollandse particuliere tuinen. Ten zuiden van Haarlem en rond Alkmaar en Hoorn vestigden zich de eerste professionele bollenkwekers. Rijke stedelingen kochten de bollen om de tuinen van hun grachtenhuizen en buitens te verfraaien. De tulpenliefde groeide uit tot een rage.

Door het stijgen van de prijzen gingen steeds meer buitenstaanders zich bemoeien met de tulpenhandel. Hoe diep de liefde voor de tulp ging, wordt geïllustreerd door de hoofdpersoon op het schilderij De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp van Rembrandt uit 1632. Deze beroemde arts, schepen en burgemeester van Amsterdam heette eigenlijk Claes Pieterszoon. Wegens zijn grote voorliefde voor de tulp nam hij zijn nieuwe naam aan. Toen hij in 1622 schepen van Amsterdam werd, koos hij als wapen voor zijn schepenzegel een tulp. Rond deze tijd liet hij ook zijn naam veranderen. Hij gebruikte het tulpmotief eveneens op het uithangbord aan zijn huis op de Keizersgracht.

tulpenmanie
Lijst van verkochte tulpen, 1637 – Prijslijst van 99 kavels tulpenbollen die geveild werden bij de Weeskamer in Alkmaar, tijdens een van de hoogtepunten van de tulpenmanie.

Floristen

De hausse leidde ertoe dat speculanten, die men ‘floristen’ noemde, vanaf 1634 tulpenbollen gingen verkopen die nog in de grond zaten, een vorm van termijnhandel dus. Ze organiseerden rijkelijk besproeide ‘collegien’ of ‘comparities’: beurzen in herbergen waar de afgesloten contracten vaak van hand tot hand gingen tegen steeds hogere prijzen. Deze speculatieve handel, vooral in Haarlem en in Alkmaar, zorgde voor een verveelvoudiging van de prijs van de bollen. Ook kleine burgers en ambachtslui werden verlokt om veel geld in deze handel te steken.

Semper Augustus
De Semper Augustus

Ziekte als schoonheidsmiddel

Vooral voor zeldzame variëteiten schoten de prijzen de pan uit. De Semper Augustus was zeer gewild wegens haar gevlamde uiterlijk, dat echter het gevolg was van een ziekte, namelijk het tulpenbrekingsvirus. Planten met deze ziekte dien je te verwijderen, maar men was hiervan nog niet op de hoogte, zodat vaak het volgende jaar tot afschuw van de eigenaars geen tulp meer uit de grond kwam.

Uitkomst bij dergelijke pech boden de tulpenboeken die particulieren in manuscriptvorm lieten maken om hun kwetsbare schatten te vereeuwigen. Deze boeken werden ook en vooral gemaakt in opdracht van kwekers als catalogi van hun kostbare bollen. Het beroemdste exemplaar is het uit de tweede helft van de zeventiende eeuw, dus na de tulpenmanie, daterende tulpenboek van het Frans Hals Museum in Haarlem.

Hoogtepunt

Viseroij Pieter Cos 1637
De ‘Viseroij’ met prijzen in het Tulpenboek van Pieter Cos (1637)
Zacharias Cornelisz, boekverkoper in Hoorn, beweerde in zijn pamflet Claere ontdeckingh der dwaesheydt uit 1636 (vermoedelijk het eerste pamflet over de tulpenmanie) dat een tulpenbol evenveel waard was als twee karrenvrachten tarwe, vier karrenvrachten rogge, vier vette ossen, acht vette varkens, twaalf vette schapen, twee vaten wijn, vier vaten bier, twee tonnen boter, duizend pond kaas, een bed, een zilveren kelk, een aantal kledingstukken én een schip om dat allemaal in te laden, in totaal drieduizend gulden.

Tegen het einde van 1636 bereikte de manie haar hoogtepunt. Het Tulpenboek van Pieter Cos (1637) vermeldt bij een aantal afbeeldingen de prijzen die voor bollen geboden werden op een veiling van de voorraad van wijlen Wouter Winckel in Alkmaar op 5 februari 1637. De Viceroy of Viseroij is hier afgebeeld met verkoopprijzen van 3000 tot 4200 gulden, afhankelijk van het gewicht van de bol. De op de veiling geboden totaalprijs bedroeg 90.000 gulden.

Snelle ineenstorting

Twee dagen vóór deze veiling, op 3 februari, was de handel in de Haarlemse colleges echter in elkaar gestort. Een handelaar bleef zitten met een partij die voor 1400 gulden was aangeboden. De waarde van tulpenbollen daalde snel tot vijf of één procent van wat er eerder voor was betaald. Kwekers zagen zich gedwongen om contracten met koopverplichting om te zetten in koopopties. Wie de koop annuleerde, moest slechts 3,5 procent van de overeengekomen koopsom voldoen. De verkoop zakte op alle beurzen volledig in en de eerste speculatiecrisis was een feit.

Begin mei 1637 verbood het stadsbestuur van Haarlem aan rechters, advocaten en deurwaarders om nog zaken over tulpen en tulpenbollen in behandeling te nemen. Het was een maatregel om de stijgende onrust te bezweren. Honderden kleine beleggers hadden aanzienlijke sommen verloren en probeerden vergeefs bij verkopers verhaal te halen.

De oorzaken van zowel de extreme prijsstijging als de snelle ineenstorting zijn nooit afdoende verklaard. Vermoedelijk speelde de pest, die de Nederlanden vanaf 1635 weer eens teisterde, een rol. Het hoogtepunt van de tulpenkoorts speelde zich af vlak na het afzwakken van de epidemie; misschien had de pest een prijsverhogend effect, omdat mensen onder de dreiging van deze dodelijke ziekte meer risico’s durfden te nemen. Tijdgenoten beweerden dat de pest juist een straf was voor de zondige tulpenhandel.

‘Tooneel van Flora’, pamflet over de floristen uit 1637
‘Tooneel van Flora’, pamflet over de floristen uit 1637

Satire in beeld en tekst

Uiteraard werden degenen die het deksel op hun neus hadden gekregen fel bespot. Er verschenen ook na de Claere ontdeckingh van Zacharias Cornelisz allerlei pamfletten, ook Duitse, en spotprenten met de ‘tulpomanie’ als onderwerp. Veel schrijvers vonden dat de floristen uit geldzucht de godsdienst hadden verwaarloosd en zich hadden overgegeven aan de heidense (Romeinse) bloemengodin Flora.

Dichter Roemer Visscher spotte al met de tulpenverdwazing in zijn Sinnepoppen uit 1614, rijmend over ‘tuylige bloemisten’ die hun geld verkwistten. De Friese historicus Lieuwe van Aitzema (1600-1669) hekelde de ‘malle koopmanschap ende broodtdronkenheydt’. Op de spotprent Flora’s Mallewagen, waarschijnlijk daterend uit 1637 en toegeschreven aan Crispijn van de Passe de Jonge, wordt Flora uitgebeeld als verleidster die aanzet tot verspilling van geld en goederen. Ze rijdt in een zeilwagen: een speelse uitvinding van ingenieur Simon Stevin voor prins Maurits, om zijn hoge gasten mee over het Scheveningse strand te voeren. Deze wagen wordt door de wind voortbewogen en dat zou een verwijzing zijn naar het karakter van de tulpenhandel als ‘windhandel’.

Haarlem schilderij Tulpenmanie ca. 1637
‘Flora’s Mallewagen: Allegorie op de tulpomania’. Flora omklemt kostbare tulpen. De afgebeelde mannen zijn Leckebeardt (gulzigheid), Liegwagen (vlotte babbel) en Gragryck (gierigheid). De vrouwen zijn Dame Vergaeral (verzamelaarsgekte) en Dame Ydel Hope (ijdele hoop). Schilderij van Hendrick Gerritsz. Pot, ca. 1640. Frans Hals Museum, Haarlem.

Flora wordt omringd door de personificatie van IJdele Hoop (met anker) en narren die hebzucht en andere ondeugden uitbeelden. In de mast hangt een schijtende aap die de menselijke dwaasheid en gulzigheid symboliseert, overigens niet op een schilderij van Hendrick Pot dat op basis van deze prent is gemaakt. Achter de wagen loopt een groep Haarlemse mannen en vrouwen die hun oude ambacht hebben verlaten en willen meerijden.

De Antwerpse kunstenaar Jan Brueghel de Jonge maakte in de jaren 1640 een schilderij over de tulpenkoorts, waarin maar drie echte mensen te zien zijn. De handel in tulpenbollen geeft hij in handen van apen. Rechts wordt er eentje, die zijn hele kapitaal heeft verspeeld, voor de rechter gevoerd. Op de voorgrond urineert een andere aap over een paar tulpen. Het schilderij is overigens pas in 2011 aan Jan toegeschreven.

‘Allegorie op de Tulpomania’. Persiflage op de Tulpenmanie door Jan Brueghel de Jonge
‘Allegorie op de Tulpomania’. Persiflage op de Tulpenmanie door Jan Brueghel de Jonge (1601-1678). Frans Hals Museum, Haarlem.

Pamfletten

Tot de bekendste pamfletten uit de tijd van de tulpenmanie behoren de drie t’Zamenspraeken tusschen Waermondt ende Gaergoedt (1637). Waermondt is de waarheidsspreker en Gaergoedt de geldwolf. De laatste is een ex-tulpenspeculant die spijt heeft en tegenover zijn vriend Waermondt een boekje opendoet over de floristen. Maar er verschenen ook pamfletten waarin de tulpenhandel werd verdedigd. Zoals Het tooneel van Flora door Cornelis van der Woude, onderwijzer in Alkmaar. Deze publicaties waren vermoedelijk geschreven in opdracht van tulpenkwekers, wier goede naam door de speculanten in diskrediet was gebracht.

Gevolgen

Nederlandse tulpenvaas in Delfts blauw, achttiende eeuw
Nederlandse tulpenvaas in Delfts blauw, achttiende eeuw
Behalve voor degenen die hun investeringen in rook zagen opgaan, vielen de gevolgen van de bollengekte mee. De Hollandse bloembollenteelt kwam in de periode nadien tot grote ontwikkeling. De tulp bleef gewild en duur, maar de bollen brachten voortaan reële prijzen op. De bollenteelt concentreerde zich rond Haarlem en omringende dorpen; in de negentiende eeuw breidden telers hun bedrijven uit naar het zuiden, waarna Hillegom en Lisse de eerste plaats overnamen.

De interieurmode voegde zich soepel naar de Nederlandse liefde voor de tulp, getuige bijvoorbeeld de verschijning in de zeventiende eeuw van de ‘tulpenvaas’. Dit type siervaas was meestal voorzien van afzonderlijke tuitjes voor individuele tulpen of andere bloemen. De meest indrukwekkende waren porseleinen ‘torens’ die uit meerdere delen konden bestaan en soms meer dan een meter hoog waren. Vele waren uitgevoerd in Delfts blauw, terwijl vorm en decoratie vaak waren beïnvloed door het Chinese porselein.

Hyacintenhandel

Een zekere hardleersheid leek de bollenhandelaars en bloemenliefhebbers niet vreemd, gezien een nieuwe rage in de eerste helft van de achttiende eeuw, namelijk de ‘hyacintenhandel’ van 1720-1736. Deze rage bereikte echter niet de intensiteit van de Tulpenmanie.

De eveneens uit Klein-Azië afkomstige hyacint dankte haar Nederlandse introductie net als de tulp aan Ogier Gisleen van Busbeke respectievelijk Carolus Clusius. Uit de stijgende prijzen in de achttiende eeuw bleek duidelijk, aldus Ernst Heinrich Krelage (1942), hoe begerig welgestelde liefhebbers waren om ook van de hyacint de fraaiste en zeldzaamste voortbrengselen te bezitten:

De Hyacint werd de modebloem en wist deze bevoorrechte positie gedurende de geheele 18e eeuw te handhaven, ten koste van de tulp en alle andere bolgewassen. Twintig jaar had de Hyacint noodig gehad om de eerste plaats onder hare zusters in te nemen. Van 1720 tot 1734 had de steeds toenemende vraag een voortdurende stijging der prijzen tengevolge, totdat in de jaren 1733-1736 een toppunt in den Hyacintencultus was bereikt.

Tulp en papaver Van Leen XVIII
Een tulp en een papaver, aquarel toegeschreven aan Willem van Leen, 1763-1825. Rijksmuseum, Amsterdam.

Naspel

De excessen van de tulpenmanie zijn door sommige auteurs sterk overdreven. Het sprekendste voorbeeld is de welbespraakte Schotse journalist en dichter Charles Mackay, die de zaak flink aandikte in het hoofdstuk ‘The Tulipomania’ in zijn succesvolle boek Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds (eerste editie 1841).

Charles Mackay
Fotoportret van Charles Mackay (1814-1889)
Als Nederlands nationaal symbool en als belangrijkste exportproduct heeft de tulp uiteindelijk toch gezegevierd. Maar dat kostte tijd en verliep in verschillende etappen. Zo publiceerde de Franse schrijver Alexandre Dumas in 1850 zijn roman La Tulipe noire (‘De Zwarte Tulp’), waarin hij het Nederlandse rampjaar 1672 inclusief de moord op de gebroeders De Witt met de tulpenmanie verbond.

De ‘definitieve’ associatie van tulpen met Nederland (al of niet in combinatie met klompen, molens en fictieve klederdracht) is in de jaren 1950 bewerkstelligd met de evergreen Tulpen uit Amsterdam. Oorspronkelijk gezongen in het Duits, dat wel. Het lied is namelijk in 1956 gecomponeerd door Klaus Gunter Neumann en Ernst Bader. Neumann had in 1953 de bollenstreek bezocht, na een optreden in Amsterdam. Herman Emmink nam de eerste Nederlandstalige versie op in 1957, Max Bygraves scoorde er in 1958 een Engelstalige hit mee. Andere artiesten in verschillende landen volgden. Als nationale Nederlandse bloem is bij een ‘openbare stemming’ in 2023 echter het madeliefje verkozen, terwijl de tulp wel in Turkije geldt als nationale bloem.

Bronnen

– Mike Dash, Tulipomania. The Story of the World’s Most Coveted Flower and the Extraordinary Passions It Aroused (New York 1999).
– Anne Goldgar, Tulipmania: Money, Honor, and Knowledge in the Dutch Golden Age (Chicago 2008).
– Ernst Heinrich Krelage, Bloemenspeculatie in Nederland. De Tulpomanie van 1636-’37 en de Hyacintenhandel van 1720-’36 (Amsterdam 1942).
– Henk Looijesteijn, ‘Botanisch klatergoud. Opkomst en ondergang van de tulp als beleggingsobject’, in: H.W. van den Doel en G. van Boom (red.), In het verleden behaalde resultaten. Bijdragen tot de Nederlandse beleggingsgeschiedenis (Amsterdam 2002), 41-75, 214-215.
– Henk Looijesteijn, Tulpenkoorts – 1636-1637 – Mythe en Werkelijkheid (Hilversum 2023).
– Marie-Louise Schippers, Tulpengoud. Hartstocht, dromen en illusies in de tulpenwereld (Utrecht 2006).
×