Dark
Light

De Bruegheldynastie teerde op vrouwelijk talent

5 minuten leestijd
Allegorie op de schilderkunst - Jan Brueghel de Jonge
Allegorie op de schilderkunst - Jan Brueghel de Jonge, ca. 1625-1630, JK Art Foundation. - Foto: Jan-Kees Steenman / Noordbrabants Museum

Pier den Drol, Jan de Fluwelen, Pieter de Jonge,… de klinkende namen van de familie Brueghel. Vijf generaties lang was het schildersmerk Brueghel gegeerd en dat was mee de verdienste van vrouwen. Hun namen Mayken, Anna Maria, Clara… zijn nauwelijks bekend. Tot nu.

“In de periode waarin de Brueghels de Europese kunstscene domineerden, waren vrouwen in de Lage Landen succesvolle kunstenaars, mecenassen, verzamelaars en ondernemers. Ze participeerden in, en runden familiebedrijven en golden als belangrijke spelers op de kunstmarkt. Familiebanden troefden vaak traditionele genderrollen af.” Jacqueline Grandjean, Directeur van Het Noordbrabants Museum, waar de tentoonstelling Brueghel, een familiereünie te zien is.

Pictura, schilderkunst, wordt altijd als een vrouw voorgesteld. Voor de Bruegheldynastie zijn die vrouwelijke bijdrages er daadwerkelijk. In het schilderij Allegorie op de schilderkunst toont Jan Brueghel de jonge (1601-1678) zowat de hele familie: grootvader Pieter Bruegel de Oude en de jonge generaties.

Allegorie op de schilderkunst - Jan Brueghel de Jonge, ca. 1625-1630
Allegorie op de schilderkunst – Jan Brueghel de Jonge, ca. 1625-1630 (JK Art Foundation / Foto Peter Cox)

“Het schilderij laat niet alleen de verschillende takken van de familie Brueghel en hun samenwerking bij het produceren en verkopen van kunstwerken zien, maar ook het gemeenschapsaspect van het 17de-eeuwse kunstenaarsatelier. […] De indrukwekkende reikwijdte en internationale faam van kunstenaars uit de Brueghelfamilie krijgt een prominente plaats in de schilderijengalerij rond de vrouw die op de voorgrond achter de ezel zit.” Nadia Groeneveld-Baadj, conservator oude kunst bij Het Noordbrabants Museum, in de tentoonstellingscatalogus

Katalysator

Mayken Verhulst genoemd in het werk van Lodovico Guicciardini
Mayken Verhulst genoemd in het werk van Lodovico Guicciardini
Stammoeder is Mayken Verhulst (1518-1599), éen van de beste miniaturisten van de Zuidelijke Nederlanden, volgens de Italiaanse handelsreiziger Lodovico Guicciardini. Maar zowel haar miniaturen als aquarellen zijn verloren gegaan of misschien – zoals vaak gebruikelijk was – toegeschreven aan mannen of collega’s.

Alle telgen van de Mechelse schildersfamilie Verhulst blijven verweven met het schildersambacht: als schilder of als echtgenote van. Mayken is het allemaal: ze huwt Pieter Coecke van Aelst, beheert mee het schildersatelier, geeft postuum prenten en boeken van haar man uit, geeft vermoedelijk vaktechnische suggesties aan de leerlingen in het atelier, haar latere schoonzoon incluis, neemt haar kleinzonen onder haar hoede en bewaart hoogstwaarschijnlijk de basistekeningen van haar schoonzoon Pieter Bruegel de Oude – Pier den Drol(lige) (ca. 1525-1569) – voor latere generaties.

“Ze was in haar tijd een katalysator, een cultivator van meerdere vormen van creatieve intelligentie die het kunsthistorisch discours tot op heden heeft genegeerd of verwaarloosd. […] een unieke en cruciale figuur binnen een van de grootste kunstenaarsfamilies uit de kunstgeschiedenis. Ze droeg haar grote kennis op het gebied van de vroegmoderne Nederlandse kunst over aan haar omgeving; en gebruikte deze kennis om de generaties kunstenaars die na haar kwamen op talloze manieren te begeleiden.” Arthur di Furia, professor, chair of art history, Savannah College of Art and Design, Georgia, U.S.A, in de tentoonstellingscatalogus)

Ekster op de Galg - Pieter Bruegel de Oude
Ekster op de Galg – Pieter Bruegel de Oude, 1568

Ekster

Voor het nageslacht bewaarde Mayken Verhulst het sublieme schilderij Ekster op de Galg van haar schoonzoon. Pieter Bruegel (familienaam nog zonder H geschreven; een eenheid van spelling komt geleidelijk), schilderde het in 1568, vlak voor zijn dood, aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. In een overweldigend landschap dansen boeren vrolijk en onbekommerd voor naderend onheil rond een galg. Bovenop de galg en ook onderaan zitten twee eksters.

Hy liet zijn Vrouwe in Testament een stuck met een Exter op de galgh, meenende met dÉxter de clappighe tongen, die hy de galgh toe eyghende

Dat schreef Karel Van Mander in Het Schilder-Boeck. De ekster, als symbool voor ‘de roddelende tongen, die hij graag aan de galg zou zien.’ Pieter de Oude wou dat het paneel in familiebezit bleef en in zijn laatste wilsbeschikking vroeg hij zijn vrouw ook om een aantal gewaagde tekeningen te verbranden. Het was immers een moeilijk tijdsgewricht. Mayken (met dezelfde naam als haar moeder) overleed echter negen jaren na haar man en grootmoeder nam de rol over.

De tekeningen, schilderijen en vooral gravures van ‘den Oude’ vormen de basis van de latere kunstzinnige exploten. Zo is het spannend om de verscheidene versies van een boerenbruiloft te vergelijken. De oudste zoon, Pieter de Jonge, kopieert gewillig zijn vader maar mist de zwierige hand.

De Bruiloftsdans (Dorpsgezicht) - Pieter Brueghel de Jonge
De Bruiloftsdans (Dorpsgezicht) – Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1610 – Museum voor Schone Kunsten Gent / Hugo Maertens

Fluweel

De tweede zoon, Jan de jonge (Jan Brueghel de Oude), was amper één jaar toen zijn vader stierf. De verfijnde miniatuurtechniek van grootmoeder Mayken is duidelijk doorgegeven in het oeuvre van Jan de… Fluwelen. In het kopiëren van zijn vader neemt Jan veel meer vrijheid dan zijn broer. Zijn werken zijn speelser.. Bovendien wordt hij een vakman in exquisiete bloemenstillevens. Bloemen als thema op zich, of als krans rondom een madonna.

Die verfijnde florale composities nemen – aan de bloeitijd van de specimenen te zien – meerdere maanden in beslag. Een tulp bloeit (meestal) in een andere periode dan een roos of een pioen.

Magnifieke bloemstukken werden nog geproduceerd door de volgende generatie met Anna-Maria Janssens (1620-1668), de echtgenote van Jan Brueghel de jonge. Schitterende bloemornamenten zijn het.

Schilderwerk kende ‘specialisaties’ waarbij werkstukken à quatre mains werden uitgevoerd. Frans Snijders was de dierenschilder, Rubens nam de menselijke gedaantes voor zijn rekening, Jan Brueghel de florale motieven en landschappen. De fluwelen Bruegel en Rubens produceerden zo samen vijfentwintig werken.

Samenwerkingen en familiebanden stutten de ‘firma’. Zoals het eeuwenlang gangbaar was, huwden leden uit schildersfamilies onder mekaar. Wanneer David Teniers (1610-1690) met Anna, dochter van Jan de Fluwelen, huwt, neemt hij de bruegeliaanse thema’s over maar konterfeit ook helletaferelen in de traditie van Jheronimus Bosch.

Guirlande, maskers en rozetten gemaakt van schelpen - Jan van Kessel de Oude, 1656
Guirlande, maskers en rozetten gemaakt van schelpen – Jan van Kessel de Oude, 1656 (Fondation Custodia, Collection Frits Lugt, Parijs)

Rariteiten

Pictura / Allegorie op de schilderkunst toont bovendien dat een schilder een ‘merknaam’ vertegenwoordigde die gedragen werd door een heel atelier met leerlingen en medeschilders die de verven en ondergronden prepareerden, de pigmenten vermaalden en mengden.

Na de variaties op thema’s als de boerenbruiloften, de spreekwoorden, maar ook de landschappen, beginnen nieuwe generaties nieuwe onderwerpen en technieken te zoeken: Jan van Kessel, achterkleinzoon van de Fluwelen, zoekt inspiratie in schelpen, insecten, vlinders, groteske figuren…

Die motieven passen bij de rariteitenkabinetten. Door het ontdekken van nieuwe werelddelen en de toenemende handel worden via Antwerpen ‘exotische’ hebbedingen ingevoerd. Die verzamelobjecten worden vervolgens uitgestald in aparte kamers van rijke patriciërs. Ook de firma Brueghel speelt in dat netwerk een rol als schilderend uitstalraam van een verworven sociale status.

Vrouw pakt een vrucht van een schaal met bloemen en vruchten - Abraham Brueghel, 1669
Vrouw pakt een vrucht van een schaal met bloemen en vruchten – Abraham Brueghel, 1669 (Foto © RMN-Grand Palais (musée du Louvre) / Hervé Lewandowski)

In dat culturele leven in zeventiende-eeuws Antwerpen speelden verzamelaars én vrouwen een niet onbelangrijke rol. Zo’n familie van verfijnde verzamelaars was de (uitgeweken) Portugees-Sefardische familie Duarte. De inventaris van musicus Diego Duarte vermeldde drie schilderijen van Pieter Bruegel de Oude, veertien van Jan Brueghel de jonge, maar ook werken van Rubens, Van Dyck, Vermeer… Ook zijn zus Leonora Duarte (1610- 1678) was muzikante, componiste én verzamelaarster.

En dan is er nog een andere rol voor vrouwen in het kunstmilieu weggelegd: die van bemiddelaar. Daarin speelt Clara Eugenia Brueghel (1623-1693), de zesde dochter van Jan de Fluwelen een onmiskenbare rol. Als grootmeesteres van het Mechelse begijnhof gebruikte ze haar kunstkennis en netwerk ter opsmuk van een van de grootste en rijkste vrouwengemeenschappen.

“Vrouwen vervulden als mecenassen, schenkers, verzamelaars en beheerders als schakels tussen professionele kunstenaars en hun achterban een cruciale maar vaak vergeten functie in de kunstwereld.” Sarah Joan Moran, onafhankelijk wetenschapper

Jenny Reynaerts, curator in het Rijksmuseum Amsterdam die een symposium over Vrouwen in het Museum voorbereidt, noemt het fenomeen: matronaat.

De tentoonstelling Bruegel. De familiereünie is tot 7 januari te zien in het Noordbrabants Museum in Den Bosch.

Catalogus: Brueghel: de familiereünie