In de negentiende eeuw, een tijd waarin verre reizen vooral een mannenzaak waren, trotseerde Ida Laura Pfeiffer (1797-1858) alle conventies. Ze reisde de wereld rond, vaak alleen, en legde tienduizenden kilometers af per schip, te voet en te paard. Haar avonturen brachten haar van Zuid-Amerika tot Indonesië en Afrika, en haar reisverslagen maakten haar een pionier in de reisliteratuur. Lex Veldhoen duikt in het leven van deze markante reizigster.
Ida Laura had vijf broers en werd als enige dochter net zo Spartaans, half als jongen opgevoed. Ze speelde in jongenskleren met trommel, sabel en geweer en haar vader grapte dat hij haar op haar veertiende naar de militaire academie zou sturen. Auteur Kielig schrijft in zijn boek Vrouwen op ontdekkingsreis
De kinderen Reyer moesten, staande aan tafel, bruine bonen eten en toezien hoe hun ouders zaten te smullen van de heerlijkste gerechten. Voorts werd het Spaanse rietje niet gespaard om Ida en haar broers pijnverachting bij te brengen. Op zondagen leerden ze moed en uithoudingsvermogen ontwikkelen tijdens zware tochten door de bergen.
‘Belachelijk’
Vader Aloys Reyer en zijn vrouw Anna dreven een textielhandel. Toen Aloys overleed in 1806, liet hij geld na. Ida moest, negen jaar oud, van haar moeder plotsklaps meisjeskleren gaan dragen, leren weven en piano spelen. Dat was zo’n grote overgang dat ze ziek werd, in jongensgedrag volhardde en zich opzettelijk in haar vinger sneed om geen piano te kunnen spelen. Achteraf schreef ze:
Hoe belachelijk moet ik er in de lange rokken hebben uitgezien, omdat ik nog altijd ronddartelde als een knaap en me gedroeg als een wilde jongen.
Op zeventienjarige leeftijd werd Ida verliefd op dichter en huisleraar Joseph Franz Emil Trimmel en hij op haar. Maar haar moeder wilde een betere partij. Ida schreef later: ‘Hij was zogezegd het eerste wezen dat me vriendelijk en met interesse tegemoet trad, waardoor ik vol genegenheid aan hem hing.’
Reislust
Als ze op advies van de dokter samen met en voor zoontje Oscar in 1836 een badreis naar Triest maakt, wekt dat bij haar, zoals ze het zelf formuleerde ‘een onbedwingbare reislust op’. Op vijfenveertigjarige leeftijd maakt ze haar eerste grote reis. Omdat de Noordpool onhaalbaar blijkt, gaat ze onder het mom van een pelgrimstocht, naar Jeruzalem. Ze ziet in dat zo’n reis niet zonder gevaren is en maakt tevoren haar testament op. Levend van weinig geld reist ze negen maanden rond in de Orient. Met de stoomboot Marianne vaart ze over de Donau naar de Zwarte Zee:
Bij iedere bocht duiken nieuwe uitzichten op, men weet niet naar welke kant men de begerige ogen moet keren.
In Griekenland maakt ze een tocht te paard, zonder ooit paard gereden te hebben, en reist door naar Constantinopel. Ze bezoekt heilige steden, waaronder Jeruzalem, Bethlehem, Nazareth en neemt heilzaam water uit de Jordaan mee. In Damascus, waant ze zich op een binnenplaats in de sprookjes van duizend en één nacht. Ze bezoekt vanwege de heersende pest, pas na tien dagen quarantaine Alexandrië. Een boottocht met een zeilschip op de nijl (een stoomboot kost te veel) brengt haar bij piramiden. Over een bezoek aan Cairo schrijft ze: ‘De vele kleine steegjes zijn zo smal dat je in een zijsteegje moet gaan staan om zwaar beladen kamelen te laten passeren’. Later maakt ze een vijftien uur durende woestijnrit op een ‘schommelende kamelenrug’ om vervolgens met een Franse pakketboot naar Malta, Sicilië en via Napels (de Vesuvius) naar Rome te varen, waar de paus haar audiëntie verleent.
Het krijgt vier herdrukken Pfeiffer spreekt al Frans en Italiaans, maar breidt haar talenkennis uit met Engels en Deens. Ze leert de kunst van de daguerrotype en het honorarium voor haar boek vormt een aardige basis voor een reis naar IJsland, waar ze rondtrekt met een ponywagen. Ze is vermoedelijk de eerste Europeaan die daguerrotype opnamen van IJsland maakt (later neemt ze het apparaat niet meer mee omdat het te omslachtig is). Ze verzamelt gesteenten en andere naturaliën, looft natuurverschijnselen als de vulkanen met hun zwartrode lavastromen, geisers en vooral het feit dat ze in de zomer ook ’s avonds laat nog in het volle zonlicht kan wandelen. Maar ze komt niet erg enthousiast terug: Reyjavik is niet veel meer dan een dorp, de mensen zijn ruig, de huizen vies en de maaltijden eentonig.
Ook over deze zes maanden durende reis schrijft ze een verslag. Haar reiswederwaardigheden worden vertaald in het Russisch, Frans, Engels, Maleisisch en Nederlands. Ze worden geprezen vanwege de eenvoud, eerlijkheid en nuchterheid:
Ik geef alles weer zoals ik het zie, het voor mijn ogen verschijnt, niet mooier dan het is, wel waarheidsgetrouw.
Een wereldreis
Vijf jaar later, in 1846, vertrekt deze ‘Biedermeierdame’ voor haar eerste, een jaar durende wereldreis. Een Deens zeilschip brengt haar na vierenhalve maand varen naar Rio de Janeiro. Ze loopt er een cultuurshock op door de alom aanwezige, halfnaakte zwarte mensen in een stad die ze vies en armoedig vindt. Ze wordt tijdens een idyllische tocht, waarbij ze kolibries observeert en waarbij ze zich met haar Europese reisgenoot verdedigt met haar paraplu, met een mes belaagd door een ontvluchte slaaf:
Hij zwaaide er woedend mee rond mijn hoofd en bracht me twee wonden toe, een snee en een diepe wond in mijn linker bovenarm.
Door de komst van een ruiter gaat de aanvaller er vandoor. In een artikel dat ze over dit voorval schrijft voor het Weense Sontagsblatt heeft ze wijselijk haar verwondingen onvermeld gelaten om het thuisfront niet te verontrusten. Het afgebroken handvat van haar paraplu heeft ze als trofee wel meegenomen. Ze wordt tevens geraakt door de schoonheid van het regenwoud, maar de bezochte Puri indianen vindt ze primitief, wild en ‘nog afzichtelijker dan de zwarte bevolking’.
Ze verheugt zich op haar volgende reisdoel, China: ‘Het meest uitzonderlijke land’. Op weg erheen lijdt ze aan ernstige diarree; als remedie neemt ze koudwaterbaden in een houten ton op het dek. In China reist ze vanwege xenofiobische scheldpartijen en stenengooierij zo veel mogelijk met een missionaris als escorte; bij Kanton zelfs verkleed in mannenkleren. Ze beschrijft de Chinezen: ‘met hun geschoren hoofden, lange vlechten en lelijke gespleten kleine ogen, precies zoals afgebeeld op tekeningen die we in Europa kennen’. Over de ingebonden voeten van Chinese vrouwen en meisjes schrijft ze dat de tenen onder de voetzool gebogen zijn, zodat de voet een soort vleesklomp is, waarbij vooral de grote teen en de hiel het draagvlak vormen onder het lopen.
Via Hongkong, Singapore en Ceylon bereikt ze India over zee. Onderweg krijgt ze als tweedeklas passagier hetzelfde eten als de bemanning en de eersteklas passagiers, maar dan vermengd tot een ondefinieerbare prak. In India is ze veelal te gast bij radja’s, Engelse bestuursambtenaren en reist ze maandenlang rond, deels per palanquin (draagstoel), maar bijvoorbeeld ook per schip over de Ganges. Ze wordt gewaarschuwd voor Thugs, rondzwervende bandieten, die reizigers wurgen met een opgerolde zakdoek, met daarin een steen die tegen de adamsappel wordt gedrukt. Ida beschrijft de lijkverbranding bij de ghats van Benares. Bij een huisje liggen lichamen gewikkeld in stro en wollen dekens klaar:
Ik dacht dat ze al dood waren, maar toen ik er naar vroeg, sloeg men de dekens open en ik zag de armen nog bewegen….
Ze gaat ook mee per olifant op tijgers te jagen: ‘Ogen lichten op uit een bosje voor ons, maar ik had ze nog maar nauwelijks ontwaart of er vielen al meerdere schoten. Al snel was het dier door meerdere kogels geraakt en stormde het, door woede ontbrand, op ons af.’ Ze gedraagt zich dapper, ‘zodat de mannen geen idee hebben wat er in me omgaat.’
Vandaar gaat het per schip naar Perzië. Aan boord breken de pokken uit en het schip is zo overvol, dat Ida onder de eettafel van de kapitein slaapt. De Britse consul kan na haar rondreis in Perzië zijn ogen niet geloven, dat een vrouw er alleen heeft rondgereisd, temeer daar ze de lokale talen niet beheerst. Ze bezoekt op haar terugreis de harem van onderkoning Bali Ahd en keert via de Kaukasus en de Zwarte Zee terug naar Wenen. Dit na onderweg in Rusland nog een nacht vastgezeten te hebben op verdenking van spionage, waarop ze in haar dagboek schrijft:
Jullie goede Arabieren, Turken, Perziërs, Hindoes! Hoe veilig reisde ik door jullie heidense landen, en wat heb ik in die korte tijd hier in het christelijke Rusland afgezien.
…de eenvoud waarmee u uw zuivere menselijke gevoelens uit en de wijze waarop u uw eigen verdiensten op de achtergrond plaatst.
Reizend als Furst Puckler-Muskau, Chateaubriand of Lamartine zou ik hooguit een veertiendaagse badreis gemaakt kunnen hebben, terwijl ik als eenvoudige reizigster voor een reis van twee, drie jaar met hetzelfde bedrag genoegen moet nemen.
Ze eet onderweg gebraden apen-, papagaaien- en slangenvlees, bezoekt trouwerijen, begrafenissen, verdiept zich in woon- en relatievormen, probeert contact te leggen met de lokale bevolking, bezoekt markten (‘Daar krijg je een goede indruk van de lokale bevolking en de agrarische producten’), woont rituele en volksdansen bij, loopt onverschrokken huizen en (bijvoorbeeld in Valparaiso) hutten binnen, terwijl ze in Constantinopel koffiehuizen bezoekt.
Een tweede wereldreis
Ook al weet ze dat aanvankelijk niet, haar tweede wereldreis, vanaf 1851, gaat aanzienlijk langer duren: vier jaar. Ze reist opnieuw zonder vast reisschema en vertrekt via Londen naar Kaapstad. Dit vanwege een goed aanbod van een kapitein. Maar tijdens de zeereis van tweeënhalve maand blijkt ‘goedkoop’ toch zijn prijs te hebben: ‘…des morgens slappe koffie zonder melk met een stuk pekelvlees, des avonds pekelvlees met thee, en des middags erwtensoep en pekelvlees of stokvis’.
Dit menu wordt aangevuld met scheepsbeschuit in plaats van brood, waarop Ida – niet zonder ironie – schrijft: ‘Waarlijk, ik heb nooit zo mijn krachtig gestel bewonderd als op deze reis.’ Omdat ze opnieuw een aanbod krijgt, deze keer om met een Duits schip mee te varen naar Singapore, ziet ze er van af Zuid Afrika grondiger te verkennen. In Singapore mag ze van de bevriende famile Behn een huisje in de jungle gebruiken. Van daaruit trekt ze met Maleisische begeleiders ‘naar hartelust de natuur in om er op insectenjacht te gaan’. En opnieuw bepaalt het lot haar verdere reis. Ze wil eigenlijk naar Australië doorreizen, maar als ze goedkoop kan meevaren naar Sarawak, aan de westkust van Borneo, kiest ze daarvoor.
Op Borneo bezoekt ze de Dayaks, die bekend staan als koppensnellers. In een hut ziet ze zesendertig hoofden ‘als aan een slinger opgehangen’ en schrijft:
Niet zelden bracht ik de nacht slapend door naast deze trofeeën. De ereplaats in een dayakwoning is de plek waarboven de hoofden hangen.

Ze legt 1500 kilometer af door de binnenlanden en schrijft dat ze op blote voeten door het regenwoud trekt. Ze loopt er vaak dorens in haar voetzolen op, die een begeleider er ’s avonds met een puntig mes helpt uithalen. Desondanks ‘ervaar je dat je zo minder lijdt dan wanneer je met schoenen aan door het regenwoud loopt.’
Vanaf Borneo vaart ze per schip naar Batavia, het huidige Jakarta, op het eiland Java. Ze wordt door gouverneur-generaal Duymaer van Twist, die Multatuli niet kan zien of luchten, uitgenodigd voor een diner in paleis Buitenzorg. Later biedt hij haar tevens gastvrijheid aan op zijn buitenverblijf Tjipanas, waar ze vanaf de vulkaan Pangerango uitkijkt over ’talloze spitsen en toppen, over ingestorte kegels en kraters: ‘Ik zag de vruchtbare vlakten van Buitenzorg en Batavia (…) de zee aan weerszijden van Java.’

Hoogtepunt vormt een bezoek aan de Borobudur tempel. Het krenterige imago dat aan de Hollandse kolonialisten kleeft, loopt een deuk op. Overal waar ze komt, wordt ze op handen gedragen en met egards ontvangen, postpaarden worden ingezet en ze verblijft gratis in het Hotel der Nederlanden te Batavia. Op het voorblad van haar boek over deze reis schrijft ze later: ‘De Nederlanders in Indië, inzonderheid de Nederlandse ambtenaren en officieren aldaar, met diepe erkentelijkheid opgedragen door de schrijfster.’
Ik informeerde alleen of men langzaam gemarteld wordt of snel gedood wordt. Het antwoord dat men snel gedood wordt, stelde me gerust.
…en: ‘Ik nam niets mee behalve een paar kleren en een wollen deken…’. Een radja vertelt haar, dat de slachtoffers aan een boom gebonden worden onthoofd: ‘Dan drinkt men het bloed warm of gebruikt het, evenals bessensap bij ons, bij gekookte rijst. Vervolgens wordt het lijk verdeeld (…) Het smakelijkst vinden zij de voetzolen, handpalmen, hoofdvlees, hart en lever. Gewoonlijk braden ze het vlees even en eten het met zout.’
De tocht door het regenwoud is zwaar met springende bloedzuigers, distels en alang-alang (scherp reuzengras). Ze ziet in hutten tot wel honderdvijftig opgehangen hoofden: ‘Het afschuwelijkst zagen ze eruit als ze pas enkele dagen oud waren’. Bij een dorp wordt de dodendans getoond, wat ze een angstaanjagende vertoning vindt’ en waarna ze ’s nachts nachtmerries heeft. Ze komt tot vlakbij het nooit door een blanke aanschouwde Tobameer, maar moet rechtsomkeer maken, want de situatie wordt steeds dreigender. Zo staan er op een gegeven moment mannen bijeen met speren en kapwapens bewapend die haar de doortocht versperren.
Haar redding is dat de Bataks haar als een bovenaards wezen beschouwen. Maar ze voelt zich toch minder op haar gemak, als de mannen met gebaren duidelijk maken dat ze haar keel willen doorsnijden en haar willen opeten. Ze weet zich er met een grap uit te redden door half in het Maleis, half in Bataks te zeggen:
Jullie willen toch geen vrouw doden en opeten, zo oud als ik, waarvan het vlees hard en taai is?
Waarna een meer ontspannen sfeer ontstaat. Onderweg vraagt ze zich ook af of wij Europeanen niet net zo ‘slecht’ zijn als deze ‘verachte wilden’:
Is niet iedere pagina van ons verleden gevuld met vreselijke daden van moord en verraad?

En achteraf stelt ze dat ze langer onder de Dayaks had willen verkeren, ‘omdat ik ze zonder uitzondering, eerlijk, goed gehumeurd, en bescheiden vond. Ik ben geneigd ze in dit opzicht te plaatsen boven welk ander ras dan ook, dat ik heb leren kennen.’ Ze neemt van deze tocht een magische, figuratief bewerkte Batak-staf mee, evenals gedroogde dieren en planten ‘maar het klimaat rond de evenaar is zo vochtig, dat men niets bewaren kan en een tweede plaag vormen de mieren. De laatste drongen een koffer binnen en tastten alles zodanig aan, dat ik het moest weggooien.’
Ondanks de grote risico’s die Ida heeft genomen, eist onverwacht een ander sluipend gevaar zijn tol na haar terugkomst bij de Nederlanders: de eerste aanval van een ernstige malariavorm, Sumatrakoorts, die de rest van haar leven regelmatig blijft opspelen. Ze bezoekt de Molukken en Celebes nog, voordat ze overzee naar Californië reist. Daar bezoekt ze San Fransisco, reist naar goudzoekers en verdedigt de Roque River indianen, die blanken doden:
Hoe anders kunnen deze arme mensen zich verweren tegen de goed bewapende blanken, tegen dit overmoedige ras, dat hen zo veel onheil bracht?

Ze verblijft in de kolonie New helvetia die een Zwitserse immigrant heeft gesticht, reist naar Zuid Amerika, door het Andes gebergte en in Ecuador beklimt ze de berg Quito (6300 meter hoog), waar ze door de grote hoogte last krijgt van duizeligheid, kortademigheid en hoofdpijn (‘Ik vreesde ieder moment neer te vallen.’). Ze ziet de vulkaan Cotopaxi lava uitspuwen en valt bij Guyayaquil in een rivier vol kaaimannen (ze kan niet zwemmen), waarbij ze op het laatste moment in een boot getrokken wordt.
Teruggereisd naar de VS maakt ze een tocht met een radarboot op de Mississippi, bezoekt ze de Niagara watervallen en keert via New York terug naar Europa. Maar dat doet ze pas nadat ze haar zoon Oscar, pianist en componist, vanaf eind december 1854 vijf maanden lang bezoekt op de Azoren (haar oudste zoon Alfred heeft zich in een Oostenrijks dorpje gevestigd als smid).
Na deze tweede wereldreis zet ze een privé Naturalien- en Kunstkabinet op ‘voor alle nieuwsgierigen en wetenschapsmensen’. Een bezoeker schrijft: ‘We zagen daarbij kledingstukken van de wilde Dayaks op Borneo, diadeemachtige hoofdsieraden van hun vorsten, oorhangers, gordels, wapens, een met mensenhaar beklede mand, waarin de dayakers het afgeslagen hoofd van hun dragen, verder een halsband met ongeveer honderdvijftig mensentanden van verslagen vijanden…’ Daarnaast ontving alleen al het natuurhistorische museum in Wenen meer dan vierduizend meegebrachte objecten.
Madagaskar
In 1856 gaat ze, negenenvijftig jaar oud, op weg naar Australië. Ze vertrekt per schip vanuit Nederland, bezoekt er onder andere Utrecht, Amsterdam en Leiden en scheept zich in Rotterdam in op het zeilschip Zaltbommel. Aan boord zijn tientallen jongeren, die in Zuid Afrika gaan werken in de huishouding en als handwerkslieden. Ida is verontwaardigd dat de Nederlandse overheid dit ronselen van koelies toelaat. In Kaapstad ontmoet ze een Fransman, die op Mauritius een suikerplantage bezit. Deze Joseph-François Lambert heeft met Napoleon en de zoon van de regerende koningin van Madagaskar, prins Rakoto, met wie hij op goede voet staat, het plan beraamd een coup te plegen. Ze willen Madagaskar, waar nog weinig over bekend is, op handelsgebied openen voor de Fransen.
In hoofdstad Tananariva aangekomen, krijgt het gezelschap onderdak bij een Fransman, Laborde, die als schipbreukeling op Madagaskar is aangeland. Omdat hij technicus is, heeft Ranavola hem laten blijven, op voorwaarde dat hij wapens en munitie voor haar produceert. Hij is succesvol, zet een glasblazerij, een zeep- en kaarsenfabriek, een ververij en een rumstokerij op. De koningin schenkt hem een villa, landerijen en slaven. Hij word door Lambert en prins Rakoto in de coupe-plannen betrokken. Ida komt door de vele geheime besprekingen achter deze ware opzet van de reis en krijgt het wapenarsenaal te zien dat al in de villa is ondergebracht. Ze schrijft:
Ik begreep dat ik, als de staatsgreep mislukte, in een even groot levensgevaar zou verkeren als de heer Lambert.
Ze worden ontvangen door de koningin en Ida wordt gevraagd op een piano te spelen die erg ontstemd is. Maar de koningin vindt het prachtig wat Ida aan walsjes en marsen speelt. De volgende dag worden als dank kippen en een mandvol eieren bij haar afgeleverd. Voor een nachtelijke aanval op het paleis wordt de opperbevelhebber in de plannen gekend. Hij zal zorgen dat er opstandige paleisbewakers op wacht staan, waarop het paleis gemakkelijk ingenomen kan worden. Er is inmiddels al een ministerraad samengesteld die de prins zal uitroepen tot nieuwe koning. Maar op het laatste moment trekt de opperbevelhebber zich terug en de kroonprins laat zich niet meer zien.
Ida, Lambert en Laborde wachtten in spanning af. Of de bevelhebber hen verraden heeft blijft in het ongewisse. Er is ook geopperd dat Engelse missionarissen (ook de Britten waren uit op invloed op Madagaskar) de plannen ontdekt hebben en verraden aan de koningin. Na anderhalve week schrijft Ida:
Al vanaf 20 juni komt niemand ons meer opzoeken. Men beschouwt ons min of meer als staatsgevangenen. Wij zijn gedwongen de hele dag thuis te blijven en durven geen stap meer over de drempel te zetten.
Het blijkt dat Ranavola inderdaad achter de coupe-plannen is gekomen, haar zoon huisarrest heeft opgelegd en slim genoeg is om Lambert niet te doden vanwege zijn nauwe banden met keizer Napoleon III. Lambert wordt samen met Ida en Laborde verbannen van het eiland. Op de dag van hun vertrek worden, terwijl zij er langs trekken, als voorbeeld tien christenen op het marktplein berecht. Op weg naar de markt worden de christenen met lansen gestoken en vervolgens op het plein gestenigd en onthoofd. Vanwege de moesson zijn de wegen en paden zo slecht dat Ida, Laborde, Lambert en hun escorte er ruim anderhalve maand over doen om lopend de kust te bereiken. Ida, die aan koortsaanvallen lijdt, schrijft:
Nog nooit had ik op al mijn reizen zoiets verschrikkelijks beleefd. (…) Ik leed werkelijk ontzettend, vooral de laatste drie weken toen ik nauwelijks nog de kracht had om op te staan en me een paar stappen verder te slepen.
Eenmaal op Mauritius aangekomen wordt Ida verzorgd door een apotheker en zijn vrouw. Pas vier maanden later is ze zodanig hersteld, dat ze naar Australië verder wil reizen. Maar pal voor het vertrek krijgt ze opnieuw een koortsaanval. Ze moet haar plannen wijzigen en gaat per pakketboot naar Londen. Die stad is haar echter wat te snel: ‘Er wordt gereden en gelopen met een haast, alsof er geen morgen meer bestaat.’ Door de vele nieuwbouw zijn straten er volgens haar na een, twee maanden niet meer te herkennen. Dat najaar keert ze uiteindelijk terug in Wenen. Ze wordt opgewacht door haar broer Carl en op een brancard uit de trein gedragen. Vermoedelijk heeft ze vanwege de malaria leverkanker opgelopen. Een maand later overlijdt ze.
Een grote vergissing! Je moet naar Madagaskar komen, daar leiden ze een nog vrijer, ongebonden leven.
Tijdens haar laatste reis had ze in Parijs de Morgue bezocht, het beroemde lijkhuis waar gevonden lichamen uitgestald lagen, zodat familie en vrienden ze konden herkennen: ‘Veel lezers zullen daarover misschien verbaasd zijn, hoe ik, als vrouw, zo’n plek bezoeken kan, maar u kunt zich wellicht indenken dat ik zelf op mijn reizen niet zelden zeer dichtbij de dood ben gekomen, zodat zijn aanblik voor mij niet zo angstaanjagend is als voor het merendeel der mensen.’
Op het Weense Zentralfriedhof staat een zwarte obelisk met het portret in reliëf van deze vrouw, die op eenenzestigjarige leeftijd overleed, met onder haar portret een schip dat tegen een storm en hoge golven vecht. Bovenop de zerk dragen twee dolfijnen met hun gewelfde staarten de wereldglobe. Ida Pfeiffer liet vijf omvangrijke reisbundels na, die nog steeds verkrijgbaar zijn. Qua aantal afgelegde kilometers heeft ze de aarde zeven keer rondgereisd.
