Dark
Light

Alexandra David-Néel, oriëntaliste zoekend naar grote hoogten

Markante reizigers
Auteur:
9 minuten leestijd
Alexandra David-Néel, ca. 1920-1923
Alexandra David-Néel, ca. 1920-1923

Alexandra David-Néel werd geboren in 1868. Ze had een Belgische moeder en woonde tijdens haar jeugd in België. Haar vader Louis was leraar, journalist, socialist, vrijmetselaar en betrokken bij de Franse revolutie, waardoor hij als balling naar België moest uitwijken. Alexandra’s reislust werd geïnspireerd door boeken van Jules Verne, een Chinese pennenkoker met inktpotje, evenals een atlas met als favoriet de kaart van China. Haar vader zei:

‘Mijn dochter heeft een blanke huid, maar een gele ziel’.

Alexandra David-Néel als tiener, 1886
Alexandra David-Néel als tiener, 1886
Alexandra wordt opgevoed in kloosterpensionaat Bois Fleuri en oefent zich dan al in vasten en ascese (slapen op planken). Op haar zeventiende reist ze naar Zwitserland met verhullende voile en trouwring, onderweg lezend in De Leerstellingen van Epictetus en steekt te voet de St. Gotthard over.

Op haar twintigste maakt ze in Engeland bij het Theosofische Genootschap kennis met occultisme, reïncarnatie, meditatie, yoga en in Parijs volgt ze colleges aan de Sorbonne, terwijl ze Sanskriet leert bij professor Foucaux, waarover ze schrijft: ‘Hij vertelde mij als eerste over Tibet.’ Door alle nieuw verworven kennis en ideeën raakt ze verward en krijgt zelfmoordneigingen, tot ze Boeddha’s leer ontdekt. Ze omarmt de afwijzing van goden en een toekomstig paradijs.

Met geërfd geld van een overleden familielid reist ze in 1891 naar Ceylon, gehuld in smetteloos witte kleding, tropenhelm en parasol. Kort daarna maakt ze de oversteek naar India: ‘Het land van alle wonderen’ zoals ze het noemt. Ze bezoekt dodenghats langs de Ganges in Benares (Varnasi) en ontmoet de asceet Bashkarananda, die naakt in een rozentuin verblijft.

Bij het Theosofisch Genootschap in Madras bestudeert ze Mantra’s, waarover ze later het boek Mantras aux Indes schrijft. Anderhalf jaar erna keert ze platzak terug en gaat geld verdienen met het schrijven van artikelen. Na scholing op conservatoria in Brussel en Parijs treedt ze tevens op als de klassieke zangeres en schittert bij de Opera van Hanoi. Achteraf schrijft ze:

‘Het waren altijd mannen die me aanstaarden en met hun ogen uitkleedden, vrolijk libertijns of cynisch brutaal.’

Alexandra David-Néel
Alexandra David-Néel (CC BY 2.0 – Preus museum – wiki)
Terug in Parijs gaat ze samenwonen – een schandaal – maar Alexandra ziet Jean Haustont slechts als trouwe metgezel. Ze brengt het anarchistisch getinte essay Pour La Vie uit, waarin ze ageert tegen staat, leger, kerk, de financiële wereld en armen oproept tot verzet.

In 1899, verbonden aan de Opera in Tunis, wordt ze geliefde van Philippe Néel, gedetacheerd spoorwegingenieur met wie ze op zesendertigjarige leeftijd trouwt. Ze zijn qua karakter uitersten; Alexandra wordt labiel, depressief en leidt aan ‘gedachten die als aapjes rondspringen in een boom’.

Intussen worden haar artikelen gepubliceerd in Londen en Madras, geeft ze colleges in Brussel en vertegenwoordigt de boeddhisten op een congres van De Vrije Gedachte. Als ze opnieuw gaat reizen, blijft ze veertien jaar weg, tot 1925. Ze woont in Rome met Mussolini vanuit zijn loge een fascistische parade bij, intussen trouw blijvend aan het boeddhistische motto ’Wees een licht voor jezelf’ en in India wordt ze overal als bekende oriëntaliste enthousiast ontvangen.

Ze reist met onder andere als bagage een zinken bad, leert onderweg fotograferen en ontdekt de vulpen, die zijn intrede heeft gedaan: ‘Het is werkelijk handig, zo’n meeneem-pen, wanneer je kampeert, zoals ik’. Ze reist naar Sikkim en gaat in 1912 als eerste Europese vrouw op audiëntie bij de Daila Lama in ballingschap. Het vormt een hoogtepunt in haar leven: ‘Wat heb ik toen mijn onvermogen vervloekt me correct in Tibetaans uit te drukken’. Waarna ze op advies van de Daila Lama Tibetaans leert.

Een petje dat Néel tijdens het reizen droeg.
Een petje dat Néel tijdens het reizen droeg. – Foto: Lex Veldhoen

Vanaf 1914 wordt ze vergezeld door Yongden, die ze in Sikkim als veertienjarige kloosterjongen in dienst neemt (en die veertig jaar lang haar kok, wasman, kleermaker en secretaris blijft). Ze trekken door de Himalaya naar Lachen, naar een leermeester, de Gomchen, die zich regelmatig terugtrekt in een grot op 3500 meter hoogte. Onderweg wordt Alexandra van haar paard geworpen, raakt bewusteloos en gewond aan haar hoofd. Als ze korte tijd later bij de Gomchen aankomen, worden ze in een nabijgelegen grot geïnstalleerd. Zij leert hem Engels, hij onderricht haar in Tibetaans, Tantrisme en met innerlijke lichaamswarmte koude te overleven. Later schrijft ze dat ze een aantal meesters in de toemo-kunst in de sneeuw heeft zien zitten:

‘…nachtenlang, volkomen naakt, onbeweeglijk, verzonken in meditatie, terwijl de verschrikkelijkste rukwinden en sneeuwstormen om hen heen bulderden.’

Ze leeft twee jaar bij de Gomchen; waarna hij haar sterke geestkracht beloont met een rozenkrans, bestaande uit schijfjes, gesneden uit honderd verschillende schedels.

Alexandra David Néel en Yongden in Tibet
Alexandra David Néel en Yongden in Tibet
In 1916 reizen Alexandra en Yongden via Birma naar Japan, waar ze een Japanner ontmoet, die zich ooit vermomde om Tibet binnen te komen. Een tip die ze onthoudt.

Vervolgens proberen ze via Korea, Peking (waar burgeroorlog heerst) en Mongolië Tibet te bereiken. In Peking leven ze vanwege geldgebrek op ‘water en brood’. Vervolgens reizen de twee door een land vol builenpest, beschietingen, plunderingen, executies en poorten opgesierd met afgehakte hoofden. Na 2500 kilometer komen ze aan bij de ‘religieuze enclave’ Kum Bum (3800 monniken). Alexandra observeert er tijdens hun tweeëndertig maanden lange verblijf rituelen, debatten en dansen. Geld dat Phillipe stuurt, blijkt omgewisseld weinig waard, waarop Alexandra alles verkoopt wat ze bij zich heeft.

Begin 1921 gaan ze op weg naar Lhasa, maar in juni wordt Alexandra door een functionaris ontmaskerd als Europeaanse. Ze beseft dat dit vooral komt door te reizen met bedienden en lastdieren. Ze zwerven vervolgens wekenlang door steppen, wildernissen en de Gobiwoestijn; Alexandra met jicht en ernstig ontstoken ingewanden.

Ze doet in totaal vijf pogingen Lhasa te bereiken. Eind september 1923 schrijft de vijfenvijftigjarige avonturierster Philippe, dat ze erop gebrand is vanwege…

‘…het toegangsverbod, de mysteriën, het werkt op me in als een onweerstaanbare magneet.’

Ze vermomt zich in Tibetaanse kledij, beroet haar gezicht met cacao en houtskool en haar met ingevlochten yakhaar verlengde haren verft ze zwart met Chinese inkt.

Ze reist alleen met Yongden (inmiddels vierentwintig jaar) vooral ’s nachts, met tentjes, yakleer om laarzen te verzolen (deels gebruikt om kerstbouillon van te trekken), een zeildoek, een yakboter bus, gedroogd voedsel, thee, en pepmiddelen als digitaline om op krachten te komen. In hun gordels gouden munten en zilverstaafjes. Kompas, camera en kaarten houden ze eveneens goed verborgen en ze praten veiligheidshalve altijd Tibetaans. Alexandra schrijft later:

’Ik dacht terug aan vorige ondernemingen, aan uitputting, levensgevaar, kou en honger. Dat en waarschijnlijk erger stond me nu te wachten.’

Onderweg stuiten ze op wolven, luipaarden en kolkende rivieren, Alexandra blijft door een haperend touw tientallen meters boven wild stromend water hangen en in een sneeuwstorm verstuikt Yongden zijn enkel. Alexandra gebruikt onderweg haar pistool tegen struikrovers, ze eten bij boeren een maag vol wekenlang gerotte ingewanden, slapen in een kamer ‘vol uitgehongerde demonen’ (opdat de eigenaar zeker is, dat ze weg zijn) en worden dagenlang opgejaagd door yogi-kannibalen.

Alexandra David-Néel in Lhasa, 1924
Alexandra David-Néel in Lhasa, 1924
Na tachtig dagen bereiken ze het zo begeerde Lhasa. Ze vinden een kamertje met uitzicht op de gouden daken van de potala, de eigenlijke residentie van de Daila Lama. Alexandra uitgeput, vel over been, spuwt bloed en heeft influenza. Om niet ontdekt te worden, vragen ze anderen buiten foto’s te maken. Alexandra:

‘Twee maanden lang zou ik rondzwerven door dit Rome van de Tibetanen (…) zonder dat iemand vermoedde dat een buitenlandse vrouw voor het eerst in de geschiedenis de verboden stad aanschouwde.’

Terug in Frankrijk wordt ze als een heldin bedolven onder verzoeken voor lezingen, uitgevers, kranten (waaronder de New York Times) en onderscheidingen. Maar Philippe geeft te kennen, niet te willen dat ze met Yongden bij hem intrekt.

Een vrouw trekt door Tibet - Alexandra David-NéelZe werkt vervolgens aan Een vrouw trekt door Tibet’, dat in het Engels, Duits, Spaans, Nederlands en Tsjechisch wordt vertaald. Het ligt zelfs op het nachtkastje van Doumerque, de Franse president. Alexandra werkt intussen, zwaarmoedig en zestien uur per dag, aan Mystiques et Magiciens du Tibet met aanvallen van blindheid tot gevolg.

In 1928 koopt ze in het Zuid Franse Digne een buitenhuis en stalt in dit Samten Dzong (‘centrum voor meditatie’) haar memorabilia uit, zoals de Chinese inktpot, ‘waarmee ik al mijn boeken heb geschreven’. Het lukt haar Yongden officieel te adopteren en ze schrijft twee boeken over haar Azië-reizen, haar spirituele ervaringen daar en in 1934 samen met Yongden de roman De lama der vijf wijsheden.

Vanwege haar nieuwe boeken geeft ze in 1936 goed bezochte lezingen bij spirituele, occulte genootschappen, theosofen in heel Europa en wordt benoemd tot hoogleraar honoris causa aan de boeddhistische universiteit van Sarnath (India).

Ze besluit opnieuw, deze keer via Rusland, naar China te reizen, waar eerst nationalisten en communisten elkaar bestrijden en later Japanse soldaten oprukken. Ze vinden in het klooster Pu-sa-ting ruim twee maanden onderdak, maar reizen vanwege geldgebrek, levend op sla en rijst verder, veelal buiten of in een schuur slapend. In Yaiyuan aangekomen, nemen ze een manuscript waar Alexandra aan werkt mee als ze boodschappen doen, bang dat hun woonruimte getroffen wordt door Japanse bommen. Haar bagage met zeldzame Tibetaanse handschriften verliest ze door de plotselinge ontkoppeling van een bagagewagon. De inmiddels negenenzestigjarige Alexandra werkt intussen, gesteund door de Franse overheid, aan een handboek Tibetaanse grammatica voor Franse studenten.

De villa waar Néel ooit woonde, nu een museum.
De villa waar Néel ooit woonde, nu een museum. – Foto: Lex Veldhoen

Ze beseft dat ze Yongden totaal afhankelijk van zich heeft gemaakt: ‘Ik had hem in staat moeten stellen een loopbaan op te bouwen, een beroep uit te oefenen…’ Ook Yongden realiseert zich hoe haar sterke wil zijn leven bepaalt:

‘Ik zal als maagd sterven, mijn moeder wil niet dat ik een vrouw ken.’

Gedwongen door de burgeroorlog blijven ze drie jaar in Tatsienlu, zonder te weten dat de Tweede Wereldoorlog is uitgebroken. Begin 1941 krijgt Alexandra telegrafisch bericht dat Philippe is overleden. Als ze in 1944 terugkeren in Parijs, wordt Alexandra als ontdekkingsreizigster ingehaald en als gevierd persoon onder andere bezocht door koningin Elisabeth van België. Ze krijgt steeds meer last van reuma en artrose. In een boek over aanhangers van esoterische scholen schrijft ze:

’Sommigen van hen bereiken grote hoogten, anderen zijn belachelijk of beklagenswaardig.’

Onverwacht overlijdt Yongden in 1955. Alexandra is ontroostbaar ‘omdat ik mijn metgezel van veertig jaar reizen heb verloren.’

Een gedenksteen voor Yongden in de tuin.
Een gedenksteen voor Yongden in de tuin, Digne les Bains – Foto: Lex Veldhoen

In 1959 ontmoet ze in Aix-en Provence de negenentwintigjarige Marie-Madeleine Peyronnet, die dokter Albert Schweizer had willen helpen lepra patiënten te verzorgen, maar na een bezoek blijft ze bij de oriëntaliste hangen en verzorgt haar tot haar dood, tien jaar later.

Alexandra kan bijna niet meer lopen, is nagenoeg blind en slaapt slechts enkele uren per nacht in een stoel, wat comfortabeler voor haar is. Vanuit Digne volgt ze de Parijse opstanden van 1968. Haar benen, die haar op zovele plaatsen brachten, raken verlamd en ondanks haar slechte ogen bewerkt ze haar vroege, anarchistisch getinte geschriften tot een boek.

Als honderdjarige staat ze nog steeds ambivalent tegenover mannen: nadat een bezoekende heer vertrokken is, vraagt ze Marie-Madeleine de ramen te openen ‘om die vreselijke beestenlucht kwijt te raken’.

Op maandag 8 september 1969, na een lange doodstrijd, overlijdt Alexandra. Ze wordt gecremeerd en wereldwijd herdacht, in de New York Herald Tribune met het artikel: ‘Woman on top of the world’. Marie-Madeleine verstrooide de as van Alexandra en Yongden in 1973 bij Benares in de Ganges.

Een camera en andere attributen van Alexandra David Neel
Een camera en andere attributen van Alexandra David Neel – Foto: Lex Veldhoen

In Digne les Bains, een door kalige bergtoppen omringd kuurstadje met mild Mediterraan klimaat, zijn de rondleidingen in de museumvilla gratis. In de hal staat een vitrine met een gevonden muts, waarmee Alexandra zich vermomde, een Kodak panoramacamera uit 1911, haar kleine pistool en de Chinese inktpot. In een bijgebouw is een expositie met foto’s, die ze onderweg nam van de naakte asceet in Benares, van Yongden, van een afgesneden hoofd bij een Chinese poort en van zichzelf, haar gezicht zwart van koolpoeder en cacao. Er wordt een video getoond over haar leven en er is een evocatie van een Tibetaans landschap met Alexandra’s tent en haar yakboter bus.

Marie-Madeleine Peyronnet op het terras voor de museum-villa.
Marie-Madeleine Peyronnet op het terras voor de museum-villa. – Foto: Lex Veldhoen
Op de eerste verdieping van de villa zijn twee kamers intact gelaten: Alexandra’s werkkamer met boekenkasten, een schrijftafel en in het aangrenzende kamertje een leunstoel, waarin ze op het laatst sliep, haar hoofd rustend op het minuscule kussentje op de armleuning.

Tijdens een bezoek blijkt de inmiddels vierentachtigjarige Marie-Madeleine Peyronnet aanwezig te zijn, buiten op het terras een boek te lezen. Ze vertelt dat het achttien uur per dag samenleven met Alexandra zwaar was, maar ook aangenaam: ‘Ze was veeleisend, maar niet autoritair.’ Op de vraag hoe we Alexandra David-Néel ons het beste kunnen herinneren, antwoordt ze:

‘Vooral als reizigster. Daarnaast had ze een zeer grote interesse in zaken als het boeddhisme, maar ze was ook een overtuigd libertaire vrouw, een feministe en een anarchiste.’

Boek: Een vrouw trekt door Tibet – Alexandra David-Néel

Lex Veldhoen is journalist en auteur van diverse boeken en uitgaves. Hij schreef en schrijft onder meer voor NRC-Handelsblad, Trouw, HP-De Tijd en het Parool. Zijn specialisaties zijn biografieën, reisverhalen en de onderwerpen India, België, Kunst, wetenschap en techniek. Zie ook zijn website lexveldhoen.nl.

×