Maand van de geschiedenis
Dark
Light

Communistische sabotage in de Koude Oorlog

19 minuten leestijd
Verplaatsing van een Nike-Hercules raket
Verplaatsing van een Nike-Hercules raket (CC0 - Gary Todd - wiki)

Volgens Nederlandse inlichtingendiensten hebben de Russen vanaf een schip geprobeerd om onderzeese kabels en verbindingen van windparken in kaart te brengen, mogelijk om die te saboteren. Het platleggen van energienetwerken is voor Rusland een geliefde bezigheid geworden. Ook de Duitse minister van Binnenlandse Zaken waarschuwde voor sabotage in Duitsland.1 Hierin staat Rusland niet alleen. Sabotageacties in het vijandelijke achterland waren tot in een ver verleden gemeengoed en na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begonnen de Britten met het doorsnijden van Duitse telegraafkabels. De Duitsers sloegen daarop terug met het saboteren van geallieerde verbindingslijnen.2

Tijdens de Koude Oorlog was het niet anders. Op het moment dat de NAVO plannen had om in West-Duitsland een tweetal raketgordels te installeren, maakten de Russen en Oost-Duitsers plannen voor sabotageacties tegen belangrijke militaire objecten in dat West-Duitse achterland. Hierbij viel hun oog ook expliciet op personeel en materieel van raketeenheden. Ook de Nederlandse raketeenheden waren hierbij mogelijk doelwit. Er lag een compleet scenario voor een burgeroorlog met sabotage, ondermijning, ontvoeringen en zelfs moord. In dit artikel een terugblik waarin de opbouw van NAVO-raketeenheden in West-Duitsland en de opbouw van communistische sabotagegroepen aan de orde komen. Ook wordt een mogelijk sabotage-scenario geschetst.

Hoewel de sabotage-acties zich richtten op een breed palet aan doelen in West-Duitsland, beperkt dit artikel zich tot de specifieke situatie van de Nederlandse eenheden. Het geschetste scenario had evenzeer op andere doelwitten van toepassing kunnen zijn.

De Nike- en Hawk raketsystemen

Vervoer van een Nike-Hercules systeem
Vervoer van een Nike-Hercules systeem
Dankzij de straalmotor konden bommenwerpers hoger en sneller vliegen dan voorheen en raakten buiten bereik van de oude luchtafweer. Wellicht waren raketten bruikbaarder voor de luchtafweer. De rakettechniek en de besturing met behulp van radar, verkeerden in 1945 reeds in het experimentele stadium. De V-2 van de Duitsers moet worden gezien als de ‘stamvader’ van het Amerikaanse raket- en ruimtevaartprogramma dat het eerste grond-lucht-geleide wapen opleverde, de Nike. De Nike van het type Ajax werd voor het eerst in 1953 operationeel door het Amerikaanse leger in gebruik genomen. Gezien het beperkte bereik van de Nike-Ajax ging men al snel over tot het ontwikkelen van een verbeterde versie: de Nike-Hercules, die speciaal was ontwikkeld voor doelen op middelbare en grote hoogte tot een bereik van circa 140 kilometer en een snelheid van ruim mach 3. Hoewel de Nike verplaatsbaar was kan men niet spreken van een mobiel wapensysteem.

Het Amerikaanse leger had ook behoefte aan een wapensysteem voor de lagere hoogte. Hiervoor werd het Hawk-raketsysteem ontwikkeld. De raket had een afstandsbereik van 40 kilometer en het hoogtebereik was 18 kilometer. De laagste hoogte waarop een doelvliegtuig kon worden vernietigd was ruim 20 meter, afhankelijk van de afstand. Het Hawk-systeem koon snel verplaatst worden. Binnen een uur was de eenheid (batterij) klaar voor een verplaatsing en binnen een uur was het systeem hierna weer inzetbaar.3

De planning

“The existing Air Defence system for NATO Europe is inadequate and is the weakest link in my defense.” 4

In het midden van de jaren vijftig bood de luchtverdediging onvoldoende bescherming tegen een Russische aanval. De NAVO wilde in plaats van een verbrokkeld stelsel, waarin elk land zelf de verantwoordelijkheid droeg voor de luchtverdediging boven het eigen grondgebied, één enkel, geïntegreerd stelsel onder centrale leiding. NAVO-commandanten moesten leiding geven aan de luchtverdediging. Daarbij zouden zij de bevoegdheid krijgen nationale middelen als vliegtuigen en geleide wapens in te zetten onder bevel van van een NAVO-commandant. Men ging ervan uit dat de Russen met hun overmacht gereed stonden voor de aanval. Al sinds 1949 was de Sovjet-Unie een kernmacht. De Korea-oorlog (1950-1953) bevestigde het beeld van een communistische agressie. In 1955 was het Warschaupact opgericht, in 1956 was de opstand in Hongarije neergeslagen en Berlijn bleef een brandhaard. Onder die druk was men bereid het beginsel van soevereiniteit over het eigen luchtruim gedeeltelijk prijs te geven. In geval van een verrassingsaanval zouden niet de nationale autoriteiten, maar de NAVO-commandanten de baas zijn.

Vlag van de NAVO
Vlag van de NAVO
Ook in vredestijd zou de bewaking van het luchtruim een NAVO-aangelegenheid worden. Alleen op deze wijze kon men in het Westen een tijdige waarschuwing, alarmering en verdediging verzekeren. Met de opname van West-Duitsland in de NAVO in mei 1955 leverde het land vele broodnodige divisies en vliegtuigen en moest dus ook worden verdedigd.

De Nederlandse defensietop was overtuigd geraakt van het belang van raketten. De vraag was echter hoe Nederland kon bijdragen. In 1957 kreeg Nederland een aanbod van de Verenigde Staten voor een bataljon Nike-raketten. Dit voorstel werd in juni 1958 aanvaard, met aanvankelijk één Nike-groep, in december 1958 uitgebreid tot twee. De raketten konden worden uitgerust met een nucleaire lading. Grote formaties bommenwerpers op grote hoogte vormden doelwitten voor de nucleaire Nike. Nederland accepteerde een aantal nucleaire taken. Het beheer ervan lag in Amerikaanse handen. Uitgebreide discussie vond nog plaats bij welk krijgsmachtdeel het systeem werd geplaatst. Het werd de luchtmacht.

De NAVO-plannen voor de luchtverdediging voorzagen in een gordel van grond-lucht-geleide wapens in West-Duitsland op 80 à 100 kilometer afstand van het IJzeren gordijn. In wezen waren het twee gordels: een Nike-gordel tegen middelbare en grote hoogte en een Hawk-gordel voor de lage hoogte. Achter de gordels zouden de jachtvliegtuigen opereren. Nederland bestelde drie Hawk-groepen (bataljons). Met vijf groepen geleide wapens voldeed Nederland ruimschoots aan de NAVO-eisen.5

Opbouw van de Nederlandse raket-eenheden

Vanaf februari 1959 begon bij de Nederlandse luchtmacht de planning voor het oprichten van de geleide-wapengroepen. Nederland kreeg van de NAVO een tweetal vakken (7 en 9) voor haar Nikes toegewezen. Verder naar het oosten werden drie Hawk groepen gepland in de vakken 58, 59 en 60. In totaal zou de Nederlandse luchtmacht twintig squadrons geleide wapens leveren met de volgende indeling:

  • 1e Groep Geleide Wapens Nike met het hoofdkwartier in Handorf en vier squadrons Nike-raketten, te weten 118 squadron in Vörden, 119 squadron in Handorf, 120 squadron in Borgholzhausen en 121 squadron in Bad Essen.
  • 2e Groep Geleide Wapens Nike met het hoofdkwartier in Schöppingen en vier squadrons Nike-raketten, te weten 220 squadron in Schöppingen, 221 squadron in Erle, 222 squadron in Nordhorn en 223 squadron in Rheine. Ieder Nike-squadron beschikte over 23 raketten. Bij zes van de acht squadrons maakten ook nucleaire raketten deel uit van dit aantal. Het personeelsbestand van een Groep Geleide Wapens Nike in 1967 bestond uit 70 officieren, 370 onderofficieren en 877 korporaals/soldaten.6

    Vanaf begin zestiger jaren begon de opbouw van de Hawk-raketeenheden. In 1967 beschikte de Koninklijke Luchtmacht over drie groepen geleide wapens die als volgt waren verdeeld:

  • 3e Groep Geleide Wapens Hawk met hoofdkwartier in Blomberg en vier locaties, te weten 324 squadron te Laatzen, 328 squadron te Schwalenberg, 326 squadron te Velmerstot en 327 squadron te Schwelentrup. Er was echter apparatuur en personeel beschikbaar voor drie squadrons. De locatie Schwalenberg werd niet in gebruik genomen.
  • 4e Groep Geleide Wapens Hawk met hoofdkwartier in Hessisch- Oldendorf en vier locaties, te weten 420 squadron te Barsinghausen, 421 squadron te Bad Münder, 422 squadron te Goldbeck en 423 squadron te Reinsdorf. Er was echter apparatuur en personeel beschikbaar voor drie squadrons. Bad Münder en Barsinghausen zijn afwisselend gebruikt.
  • 5e Groep Geleide Wapens Hawk met hoofdkwartier in Stolzenau en vier locaties, te weten 500 squadron te Borstel, 501 squadron te Winzlar, 502 squadron te Hoysinghausen en 503 squadron te Steyerberg. Er was echter apparatuur en personeel beschikbaar voor drie squadrons. De locatie Steyerberg is nooit gebruikt.

Elk squadron beschikte over 36 raketten. Het personeelsbestand van een groep geleide wapens Hawk bestond in 1969 uit 44 officieren, 313 onderofficieren en 304 korporaals/soldaten.

In de loop der jaren, met name na de Defensienota ’74, werd het aantal groepen geleide wapens afgebouwd. De 1e en 2e Groep Geleide Wapens Nike werden samengevoegd. De 4e Groep Geleide Wapens werd opgeheven, evenals een squadron. De andere twee squadrons werden verdeeld over de andere twee Groepen Geleide Wapens Hawk. De luchtverdedigingstaak werd voortaan uitgevoerd met 3 Groepen Geleide Wapens: 12 GGW (Nike), 3 GGW (Hawk) en 5 GGW (Hawk) met totaal 12 operationele squadrons. Kort voor de reorganisatie van 1974/75 omvatte de totale Geleide Wapen-gemeenschap (militairen en gezinsleden) ca. 10.000 personen.

Na de val van de Muur in 1989 werd het ‘vredesdividend’ geïncasseerd: in 1995 waren alle Nederlandse Geleide Wapen-eenheden in West-Duitsland ontmanteld.

Het lokatieschema van de Nike- en Hawk-gordels zag er als volgt uit. Nederlandse eenheden lagen in de vakken 7, 9, 58, 59 en 60.
Het lokatieschema van de Nike- en Hawk-gordels zag er als volgt uit. Nederlandse eenheden lagen in de vakken 7, 9, 58, 59 en 60. 7

De ontmaskering

In januari 1990 onthulde het blad Der Spiegel dat de Deutsche Kommunistische Partei (DKP) een ‘Militaire Organisatie’ (MO/DKP) had, die bereid was sabotagedaden en aanslagen in West-Duitsland uit te voeren.8 Een voormalig lid van de organisatie had uit de school geklapt. Schriftelijk bewijs werd pas jaren later gevonden. Men was erin geslaagd de door de Stasi versnipperde dossiers weer samen te stellen, de documenten te reconstrueren en het op 17 mei 2004 aan de pers te presenteren. Ze bevestigden wat de informant eerder aan Der Spiegel had verteld en gaven een schat aan details.

De MO/DKP droeg de codenaam ‘Gruppe Ralf Forster’. Zeer weinigen wisten van het bestaan ​​van de groep. Ongeveer 300 DKP-leden werden door de DDR opgeleid tot ‘partizanen’.9 Zij bouwden voort op een reeds bestaande organisatie, ‘Eenheid 15’.

Eenheid 15

De rekrutering van betrouwbare kameraden voor geheime militaire training was een traditionele methode in de klassenstrijd en werd voor het eerst in de jaren dertig geïntroduceerd door de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). Het vroegste bewijs voor het bestaan van een geheime militaire eenheid leverde het verslag van de Veiligheidscommissie van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED)10 van 25 februari 1957 over een eenheid die bij de Nationale Volksarmee (NVA) moest worden ondergebracht.11 Gustav Röbelen, KPD-lid sinds 1929 en strijder in de Spaanse Burgeroorlog, was na 1941 in de Sovjet-Unie officier in de NKVD.12 In het Russische leger had hij tijdens de Tweede Wereldoorlog al geheime opdrachten uitgevoerd. Hij kreeg de taak om zijn brede ervaring in burgeroorlogen, partizanenstrijd en geheime dienst te gebruiken. Hij moest een ​​gevechtseenheid opzetten die in geval van spanningen of conflict, effectieve subversieve activiteiten in vijandelijk gebied kon ontplooien.

In twee jaar tijd bouwde Röbelen een omvangrijk apparaat op, ‘Eenheid 15’ genaamd. De organisatie was opgebouwd analoog aan de zes militaire districten van het West-Duitse leger. Elk district kreeg een verantwoordelijke commandant toegewezen. Bij een militair conflict moest hij met een aantal ‘partizanen’ belangrijke militaire ‘objecten’ vernietigen. De term ‘objecten’ omvatte het hele scala van civiele en militaire voorzieningen die belangrijk waren bij de oorlogsinspanning. Het betrof echter ook personeel van raketeenheden en jachtvliegers. Om deze taak te kunnen vervullen moest in West-Duitsland een gedecentraliseerd netwerk van organisaties worden opgericht. De ‘partizanen’ moesten optreden in groepen van maximaal vijf leden en twee tot drie groepen werden onder een ‘resident’ geplaatst.13 Er moesten deposito’s van geld, wapens, materieel en accommodaties worden geregeld. Eind 1959 waren in West-Duitsland 49 oud-leden van de verboden KPD voor die opbouw aangeworven en waren er drie bases opgezet. De systematische overplaatsing van de geschoolde ‘partizanen’ naar West-Duitsland zou echter pas in 1960 beginnen.14

De NVA was verantwoordelijk voor de opleiding en bijscholing van potentiële ‘partizanen’ en runde drie scholen met een cursuscapaciteit van elk 25 tot 30 leerlingen. De leerlingen kregen een opleiding van vijftien maanden en voor hen die militaire ervaring hadden zes maanden. Daarna werden ze teruggestuurd naar hun oude baan. Voor een deel werd toen hun plaatsing in West-Duitsland voorbereid. De trainingsdoelen waren uitdagend:

De kameraden moeten worden getraind in loyaliteit aan de partij, in moed en hardheid en klaar zijn voor actie. Ze moeten een militaire basistraining volgen met wapen- en schiettraining, training in subversieve acties, in radiotelegrafie, in het opbouwen van zenders en ontvangers, in cryptografie, in de productie en het gebruik van explosieven en brandgevaarlijke materialen, evenals alle soorten ontstekers, in het omgaan met een op afstand bedienbaar ontstekingsapparaat, in fotografie en een rijopleiding.

Vanaf 1959 werden enkele honderden ‘partizanen’ opgeleid. In 1962 was er een ‘operationele kaderreserve’ van 191 partizanen die woonden in de DDR en klaar warren voor inzet. Vierenzeventig leerlingen waren nog in opleiding. Allen kregen vervalste Duitse identiteitskaarten. Verder waren er 36 Stasi-medewerkers die geheime appartementen en postadressen in Oost-Berlijn beheerden, die dienden als een soort ‘vluchtheuvel’ voor de in het Westen actieve ‘partizanen’.

Hoewel de operationele structuur in het Westen in 1962 nog niet klaar was, werden de voorbereidingen in West-Duitsland doorgezet. Er werkten tientallen DDR-agenten in West-Duitsland en twee in West-Berlijn. Hierbij zaten districtsleiders (in Kiel, Keulen, Neurenberg, Landsberg en het Saargebied) en groepsleiders (in Bremen, Oppau en Worms). Ze zetten steunpunten op met radio-operators, koeriers, informanten en gelddepots. Middenin de Nederlandse sector lagen steunpunten in Osnabrück, Minden, Hameln en Hannover. In Hannover bevond zich ook een gelddepot. Het netwerk strekte zich uit van Sylt tot aan het Zwarte Woud en was in crisistijd bedoeld als logistieke basis voor de eigenlijke ‘partizanen’ uit de DDR. Ze hadden een uitgebreid arsenaal aan ‘partizaan-typische’ (lichte) wapens en honderdduizenden stuks munitie.15

Overname door de Stasi

Heinz Hoffmann in 1969
Heinz Hoffmann in 1969 (Bundesarchiv, Bild 183-P0113-318 / CC-BY-SA 3.0)
Op 11 april 1962 kwamen de minister van Defensie, Heinz Hoffmann en de chef van de Stasi, Erich Mielke, overeen om de functies van ‘Eenheid 15′ over te dragen aan de Stasi onder de naam ‘Eenheid 2000’. Het uitvoeren van bepaalde operationele taken in vredestijd, waarmee kennelijk werd bedoeld de opbouw van het logistieke netwerk en het bespioneren van mogelijke aanvalsdoelen, zou namelijk alleen de Stasi kunnen. ‘Eenheid 15’ werd onder bevel van Mielke geplaatst, ook in geval van oorlog. Wel moesten de ondergrondse activiteiten in geval van een ‘partizanenoorlog’ in West-Duitsland, met de legerleiding worden gecoördineerd.

Doelen

Onder elke ‘resident’ moesten de nodige logistieke bases worden ingericht voor de opslag van materieel, gelddepots en voor illegale huisvesting. Tezamen met de uit de DDR komende ‘partizanen’ moest bij een conflict sabotage worden gepleegd, gericht op volgende doelen.

  • Raketten met permanente en mobiele raketbases.
  • Transportroutes van gemotoriseerd- en spoorwegverkeer.
  • Brandstof- en brandstoftoevoer zoals pijpleidingen, pompstations, brandstofopslag en olieraffinaderijen.
  • Transportmiddelen zoals motorvoertuigen, ketelwagens, locomotieven voor het transport van materieel en munitie.
  • Installaties van radio-, telegraaf-, telefoon- en radarnetwerken.
  • Voorraden munitie- en materieel.
  • Uitschakelen van activiteiten van hogere vijandelijke militaire staven.
  • Uitschakelen van personeel van raketeenheden en jachtvliegers.
  • Verstoring van elektriciteits-, gas- en watervoorziening, vooral voor industrieën in oorlogstijd.
  • Verwerven van belangrijke vijandelijke militaire en technische plannen.

Voorts vonden nog opleidingen plaats in:

  • Topografie en guerrillatechnieken met schiettraining.
  • Rijlessen voor motorfietsen en auto’s – verkeersregels en verkeersborden in West-Duitsland. Een voertuig starten zonder contactsleutel.
  • Fotografie, vechtsporten, abseilen en EHBO.
  • Politieke lessen van het marxisme-leninisme in de samenleving en het militaire systeem.
  • Methoden van gevangenneming, fysiek geweld tegen bepaalde personen en het ondersteunen van anti-imperialistische bewegingen.

Vanaf circa 1980 werden ook acties in vredestijd gepland, zoals de liquidatie of ontvoering van Stasi-overlopers of kopstukken van tegen de DDR gerichte ’terroristische’ organisaties.16

De Deutsche Kommunistische Partei (DKP)

In 1956 werd de KPD verboden. Hoewel het oordeel over dit verbod uit 1956 niet zomaar kon worden vernietigd, bood Justitie de orthodoxe communisten in 1968 een uitweg. Er werd een nieuwe partij opgericht. Samen met de communistische partij van de Sovjet-Unie richtte de Oost-Duitse SED op 25 september 1968 de Deutsche Kommunistische Partei (DKP) in West-Duitsland op.

De DKP werd een verwaarloosbare factor bij verkiezingen, maar toch was hun politieke invloed veel groter dan hun werkelijke electorale aandeel weerspiegelde. Dit was vooral te danken aan een netwerk van hulporganisaties, zoals talrijke vredesgroepen. Met hun hulp voerde de DKP een actief beleid om de politieke opinie en het besluitvormingsproces in West-Duitsland te beïnvloeden. Vrijwel tegelijk met de oprichting van de DKP ontstonden er binnen deze partij illegale groeperingen.

‘Gruppe Ralf Forster’

Aan het begin van het jaar 1968/69, dat wil zeggen onmiddellijk na de heroprichting van de DKP, gaf de partijleiding van de SED ‘Ralf Forster’, opdracht om in het verlengde van de bestaande militaire organisatie, een zelfde organisatie onder de vleugels van de DKP op te richten en te leiden.17 Ralf Forster was een oud KPD-bestuurslid, een onvermoeibare, keiharde, fanatieke apparatsjik, die vooral achter de schermen werkte. Zijn echte naam was Harry Schmitt.18

De oprichting van de ‘Gruppe Ralf Forster’ gebeurde in het grootste geheim.19 De militaire organisatie van de DKP (MO/DKP) werd geleid door een militaire raad gevormd door de DKP en gevestigd in Oost-Berlijn. De Stasi kreeg de algehele leiding en was ook verantwoordelijk voor het regelen van visa, reistickets, vliegtickets en hotelreserveringen, maar ook voor het binnensluizen van leden van de MO/DKP in of uit de DDR. Dit gebeurde via een geheime deur in een toilet aan de grensovergang Berlin/Bahnhof Friedrichstraße, die speciaal was ingericht voor agenten om onopgemerkt het land binnen te komen en te verlaten. Ook Berlin-Schoenefeld Airport werd hiervoor gebruikt.

De opleiding van de DKP-kaderleden gebeurde onder supervisie van de NVA. Deze opleiding vond voor het eerst plaats in Hongarije en in Tsjecho-Slowakije. Met het aangaan van nauwere betrekkingen tussen West-Duitsland en deze landen, vonden vanaf 1972 de opleidingen in de DDR plaats. Toch bleven er nauwe, speciale contacten bestaan tussen de MO/DKP met Hongarije en Tsjecho-Slowakije. Uit archieven van de Stasi bleken ook contacten met de communistische partijen van Oostenrijk en Denemarken.20

Voetballer Lutz Eigendorf
Voetballer Lutz Eigendorf (CC BY-SA 3.0 de – thomas Lehmann – wiki)
De NVA was verantwoordelijk voor huisvesting, uitrusting, bewapening, voedsel en medische zorg voor de DKP-kaderleden. Geld speelde geen rol.21 De NVA voorzag de MO/DKP niet alleen van uniformen, wapens en munitie, maar ook van een oefenterrein bij Springsee in de DDR. Samen met de Stasi stelde de NVA een opleidingsplan op dat voorzag in de training van de leden van de MO/DKP in cursussen van drie maanden die vanaf het najaar van 1974 zes keer per jaar werden gehouden met elk twee tot zes cursisten. Ze werden getraind in guerrillaoorlogvoering, in hinderlagen, in het uitvoeren van verrassingsaanvallen en om vakkundig achtervolgers te ontwijken. Om dit te bereiken moesten ze de tactiek van kleine gevechtsgroepen in grote industriële- en bevolkingscentra onder de knie krijgen. Hiervoor was het nodig hen op te leiden tot individueel opererende commando’s. Ze leerden explosieven en brandgevaarlijke voorwerpen zelf te maken en gebruiken. Camouflagemiddelen, het verbergen van sporen, het bewaren en gebruik van munitie, enz. stonden ook op het programma. De specifieke trainingsonderwerpen waren onder meer het opblazen van hoogspanningsmasten en spoorlijnen, het bestormen van gebouwen en het omgaan met verschillende wapens, handgranaten gooien, gevangenen bevrijden en man-tegen-man-gevechten. Het opleidingsplan van de Stasi voorzag zelfs in het ‘in stilte uitschakelen van de vijand’ (doden). De Stasi schuwde ontvoeringen22 niet, zelfs niet voor moord zoals bij de uit de DDR gevluchte voetballer Lutz Eigendorf in 1983.23 Zo luidde het Stasi-bevel 134/55 van 7 mei 1955, waarmee intern de executie van twee “verraders” werd aangekondigd:

“Wie uit onze gelederen de partij, de arbeidersklasse en de zaak van het socialisme verraadt, verdient de zwaarste straf. De macht van de arbeidersklasse is zo groot en reikt zo ver dat elke verrader zal worden teruggebracht of terecht zal worden gestraft in zijn zogenaamd veilige schuilplaats.”

‘Zware straf’ betekende soms de doodstraf. In ten minste twintig gevallen is het opgelegd en uitgevoerd tegen slachtoffers van ontvoering. De meesten werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. Heel wat slachtoffers van ontvoering stierven in hechtenis – in sommige gevallen door zelfmoord.24 Leden van de terreurgroep moesten zich verplichten lid te blijven. Bij verraad dreigde ook voor hen de doodstraf.25

Tijdens de trainingen werd niet alleen geoefend met alle gangbare wapenmodellen uit de landen van het Warschaupact, maar ook met handvuurwapens en uitrustingsstukken die gebruikt werden binnen de NAVO, zoals aanvalsgeweren, machinepistolen, handgranaten, antitank-handgranaten en nachtkijkers of infraroodapparaten. Om mogelijke ontdekking te voorkomen, kreeg elk lid een codenaam, bestaande uit voor- en achternaam. In het trainingskamp werden de leden alleen met hun voornaam aangesproken en was het streng verboden om de echte naam te gebruiken. Er mocht geen link met de Stasi worden gelegd. Ook bestonden specifieke instructies voor het geval iemand werd ontmaskerd. Het bestaan van deze personen zou worden ontkend en voorgesteld als een provocatie door de veiligheidsdiensten van West-Duitsland en als laster tegen de DKP. Tegelijkertijd dienden specifieke instructies van de Stasi om de leden van de MO/DKP uitgebreid voor te bereiden op een verhoor door ‘vijandige onderzoeks- en gerechtelijke organen’.

Het einde

Met de veranderingen in de Sovjet-Unie vanaf het midden van de jaren tachtig en tegen de achtergrond van toenemende interne geschillen binnen de DKP, begon de geleidelijke desintegratie van de MO/DKP. In het voorjaar van 1989 verklaarde de toenmalige DKP-voorzitter de MO/DKP definitief als ontbonden. In december 1989 was er een intern bevel om alle Stasi-dossiers over deze groep te vernietigen. Na de revolutie in de DDR begonnen media begin 1990 het bestaan ​​van een geheime militaire organisatie van de SED en de DKP aan het licht te brengen. Het bestaan ​​van de eenheid was zo strikt afgeschermd dat zelfs de West-Duitse binnenlandse veiligheidsdienst met stomheid was geslagen toen de eerste aanwijzingen opdoken.26

Terwijl de SED-partijkrant Neues Deutschland sprak van een ‘publicistische stinkbom’, beweerden partijgenoten dat de oprichting van de MO/DKP terugging tot een mondelinge overeenkomst tussen de voormalige SED-secretaris-generaal Walter Ulbricht en de KPD-voorzitter Max Reimann. SED-secretaris-generaal Honecker en de DKP-voorzitter Mies hadden dit pact voortgezet. Ten tijde van de revolutie in de DDR waren enkele honderden MO/DKP-partizanen opgeleid in NVA-kampen voor guerrillaoorlogvoering in West-Duitsland.

In Frankfurt am Main begonnen onderzoeken tegen leden van de MO/DKP op verdenking van sabotage-acties. Slechts zes verdachten kregen in 1993 een boete nadat ze hadden verklaard een militaire opleiding in de voormalige DDR te hebben gehad.

Ook al is de MO/DKP waarschijnlijk nooit gebruikt, het bestaan ​​ervan onderstreepte de dubbelzinnigheid van de Duits-Duitse betrekkingen. In overeenstemming met het socialistische begrip van vreedzaam samenleven, vertrouwde de SED officieel op de dialoog met het Westen als onderdeel van de ontspanningspolitiek. Dit betekende echter niet dat de klassenstrijd werd opgegeven. Zij voerde die ook onofficieel tegen West-Duitsland, met behulp van de DKP en haar nevenorganisaties. Ze wilde de politieke opinie en besluitvorming beïnvloeden en uiteindelijk ook de mogelijkheid van een gewelddadige revolutie in West-Duitsland open houden.27

Een mogelijk scenario

Bedieningsplaats van de Battery Control Officer
Bedieningsplaats van de Battery Control Officer (CC BY-SA 3.0 – GStephens – wiki)
De vraag werpt zich op of in geval van een militair conflict, de raketeenheden van de NAVO en in het bijzonder specialistisch personeel, doelwit waren van communistische ‘killer-commando’s’. Daar waar in de doelen van de MO/DKP nadrukkelijk werd gesteld dat specialistisch personeel van raketeenheden een uit te schakelen doelwit vormde, zouden zij mogelijk op de ‘liquidatielijst’ hebben gestaan. Bewijzen zijn er niet (meer). Het zou wel voor de hand hebben gelegen. Wanneer de Sovjets een groot gat in de westelijke luchtverdediging hadden willen slaan, dan hadden ze specialistisch personeel moeten liquideren. Elk squadron geleide wapens had een beperkt aantal officieren zonder wie geen raket werd afgeschoten, de zogeheten Battery Control Officers (BCO). De BCO gaf leiding aan een team vuurleiders, monteurs en lanceerders. In het Battery Control Center (BCC) speurde de BCO met de radars het luchtruim af op zoek naar onbekende vliegtuigen. Samen met zijn team nam de BCO de beslissing om een raket al dan niet te vuren. De eindverantwoordelijkheid lag bij de BCO. Als communistische commando’s van elk Nike- of Hawk-squadron drie of vier BCO’s hadden uitgeschakeld, dan had er over een tientallen kilometers lang front een onverdedigbare ruimte gelegen, waardoor Sovjet bommenwerpers ongehinderd het West-Europese luchtruim hadden kunnen binnendringen. Aannemelijk is dat de Sovjet- en de Oost-Duitse inlichtingendiensten op de hoogte waren van namen en adressen van ‘key-functionarissen’ van de groepen geleide wapens.

Hoewel de DKP zelf geen gevaar vormde voor de stabiliteit van West-Duitsland, bewijst alleen al het bestaan ​​en de structuur van de MO/DKP dat de DKP in werkelijkheid altijd het ‘agentschap van het andere blok’ in West-Duitsland is geweest. Sommige oud-leden van de verboden KPD opereerden als professionele ‘managers’ van het SED-beleid in het Westen. Deze managers leverden uiteindelijk het personeel van waaruit in 1968 het kader van de DKP werd gevormd. Met de val van de DDR en het einde van de Koude Oorlog belandde de MO/ DKP op de vuilnisbelt van de geschiedenis. Zonder geld en begeleiding vanuit Oost-Berlijn was het net zomin in staat om te overleven als de overgrote meerderheid van de dochterondernemingen van de DKP.

Toch blijft de vraag of de DKP-gevechtsgroepen tijdens de Koude Oorlog de enige communistische ‘partizanen-eenheden’ in West-Europa waren, onbeantwoord. Het valt niet uit te sluiten dat er een soortgelijke samenwerking is geweest tussen landen uit het Oostblok en de communistische partijen in westerse landen. Vooral de in de Stasi-dossiers genoemde nauwe contacten van de ‘Gruppe Ralf Forster’ met Oostenrijk en Denemarken suggereren dit vermoeden. Het is dus de vraag of de DKP-strijdgroepen uniek waren of mogelijk behoorden tot een netwerk van communistische guerrilla’s in West-Europa.28 Dan kom je in Nederland uit bij de Communistische Partij van Nederland (CPN).

De CPN

De CPN werd in 1909 onder de naam Sociaal-Democratische Partij (SDP) opgericht als afsplitsing van de SDAP, later veranderd in Communistische Partij van Holland (CPH) en in 1945 veranderd in CPN. In 1991 werd de CPN opgeheven en ging met de PSP, PPR en EVP op in GroenLinks. In 1989 waren zij al met een gezamenlijke lijst gekomen bij de Tweede Kamerverkiezingen.29

Het centrale programmapunt van de CPN was de revolutionaire omverwerping van het kapitalistische systeem. In 1949 verklaarde de CPN – in bedekte termen – dat men bij een gewapend conflict de kant van de Sovjet-Unie zou kiezen.30 Zou de CPN bij een Oost-West-conflict ook dezelfde terroristische tactieken hebben gekozen als haar West-Duitse zusterpartij DKP? Voorzover bekend zijn er geen bewijzen voor ‘CPN-killer-commando’s’.

Journalist Jan Blokker, in de Volkskrant over de CPN:

“Was het communistische folklore met schilderachtige radikalinski’s als zeldzame exemplaren uit een rariteitenkabinet die elkaar de tent uitvochten? (…) Het prominente oud CPN-lid, oud wethouder van Amsterdam en oud hoogleraar huisartsengeneeskunde aan de UvA, Ben Polak, zei ooit in een interview: Ik vond de Nederlandse communisten zo stom. Ik vond het een stelletje onontwikkelde lieden. En de partijtop bestond grotendeels uit incompetente voorbijgangers.” 31

Vermoedelijk had Nederland van de CPN niets te vrezen gehad.

Met dank aan luitenant-kolonel b.d. W. Nillesen van de Koninklijke Luchtmacht, voormalig commandant van het 503 Hawk-Geleide Wapen Squadron, voor zijn adviezen over de geleide wapen squadrons.

Noten

1 – In: die Welt, 26 februari 2023.
2 – Schoonhoven, S. Oude tactieken in nieuw jasje. In: de Telegraaf, 17 februari 2023
3 – Nederlof, R. Blazing Skies, De Groepen Geleide Wapens van de Koninklijke Luchtmacht in Duitsland, 1960 – 1995. Sectie Luchtmachthistorie van de Staf van de bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, Den Haag, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2002, blz. 12-19
4 – General A. Gruenther, US Army, Supreme Allied Commander Europe (SACEUR), 1955. In: Nederlof, Blazing Skies, blz 25.
5 – Nederlof, Blazing Skies.
6 – Nederlof, Blazing Skies, blz. 103-106
7 – Hawk Belt. In: www.16va.be
8 – Schüsse am Scharmützelsee. In: der Spiegel 1/1990. 312 december 1989.
9 – Partisanenausbildung am Springsee. In: bundesregierung.de
10 – De SED was de leidende en alles overheersende communistische partij van de DDR.
11 – De Nationale Volksarmee was het leger van de DDR.
12 – NKVD was de Binnenlandse Veiligheidsdienst van de Sovjet-Unie.
13 – Een resident was een gecamoufleerd militair of civiel steunpunt van de inlichtingendienst in een meer of minder herkenbare legale organisatie, zoals ambassades, handelsvertegenwoordigingen, luchtvaartbedrijven, rederijen, persbureau’s of reisbureau’s.
14 – Stephan Fingerle und Jens Gieseke: Partisanen des Kalten Krieges. Die Untergrundtruppe der Nationalen Volksarmee 1957 bis 1962 und ihre Übernahme durch die Staatssicherheit (BF informiert 14/1996). Hg. BStU. Berlin 1996.
15 – Fingerle, S. Und Gieseke, J. Partisanen des Kalten Krieges.
16 – Stephan Fingerle und Jens Gieseke: Partisanen des Kalten Krieges. Die Untergrundtruppe der Nationalen Volksarmee 1957 bis 1962 und ihre Übernahme durch die Staatssicherheit (BF informiert 14/1996). Hg. BStU. Berlin 1996.
17 – idem
18 – Weber, H. Wer war Ralf Forster? Der Leiter der DKP-Militärorganisation im Spiegel der Erinnerung und der MfS-Jahren. In: Jahrbuch für Historische Kommunismusforschung, 2006, blz 297-310.
19 – Gruppe Ralf Forster was de codenaam voor de Stasi.
20 – Baron, U. „Gruppe Ralf Forster“. Die geheime Militärorganisation von DKP und SED in der Bundesrepublik (Memento vom 18. März 2013 im Internet Archiv. in: Deutschland Archiv 38 (2005), Heft 6, S. 1009–1016.
21 – Weber, H. Wer war Ralf Forster? Der Leiter der DKP-Militärorganisation im Spiegel der Erinnerung und der MfS-Jahren. In: Jahrbuch für Historische Kommunismusforschung, 2006, blz 297-310.
22 – Ontvoeringen waren elementaire onderdelen van de strategie en tactiek van de Stasi.
23 – Eichengrün, E. Die Partisanen der DKP. In: Bayern e.V. Bund Widerstand und Verfolgung, 2010/1.
24 – Fricke, K.W. Entführung. In: Stasi Unterlagen Archiv, Das Bundesarchiv.
25 – Rautenhaus, H. Der “DKP-Militärrat” und die DKP-Terrorgruppe “Ralf Forster”. In: myheimat.de, 24 april 2012., Marburg/Hessen.
26 – Wolschner, K. Bremer SPD-Politiker unter Verdacht. In: taz, 28 oktober 2009.
27 – Baron, U. Gruppe Ralf Forster.
28 – Baron, U. „Gruppe Ralf Forster“. Die geheime Militärorganisation von DKP und SED in der Bundesrepublik (Memento vom 18. März 2013 im Internet Archiv. in: Deutschland Archiv 38 (2005), Heft 6, S. 1009–1016.
29 – Communistische Partij van Nederland. In: parlement.com
30 – de Vetten, J. Communistische Partij van Nederland (CPN) – Een korte geschiedenis. In: Historiek, 5 november 2022
31 – Blokker, J. Politicus of sekteleider; Het leven van CPN’er Paul de Groot anekdotisch opgetekend. Een recensie van Jan Blokker over het boek van Igor Cornelissen over Paul de Groot. In: de Volkskrant, 11 oktober 1996

Albert J. Vinke is luitenant-kolonel b.d. van de Koninklijke Luchtmacht. Hij heeft meerde functies in binnen- en buitenland bekleed, onder andere als militair waarnemer van de UNO in Libanon, Syrië en Israël en op de USAF Airbase Ramstein. Hij studeerde geschiedenis aan de Noordelijke Leergangen en aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Gratis nieuwsbrief

Meld u aan voor onze wekelijkse nieuwsbrief (48.314 actieve abonnees)

"Donateurs ondersteunen ons project en dragen direct bij aan de uitbreiding van ons archief."

Meer informatie