Dark
Light

Napoleon wilde bedienden die hij ‘een schop onder hun kont’ kon geven

De man met de witte tulband – Jos Gabriëls
Auteur:
5 minuten leestijd
Roustam Raza (1806) geschilderd door Jacques-Nicolas Paillot de Montabert
Roustam Raza (1806) geschilderd door Jacques-Nicolas Paillot de Montabert (uitsnede)
Op talloze schilderijen van Napoleon is een oosters uitgedoste persoon met een witte tulband te zien. Het is Roestam de Mammeluk, de lijfwacht die Napoleon meenam van zijn Egyptische expeditie en die hem daarna vijftien jaar lang overal als een schaduw volgde. Bijna niemand bracht zoveel tijd door met de Franse keizer als Roestam. De lijfwacht had vrijwel onbeperkt toegang tot diens intieme leven. Dankzij Roestams memoires is veel bekend over Napoleons persoonlijke leven. Mede op basis van deze verhalen geeft Jos Gabriëls in zijn pas verschenen boek De man met de witte tulband (Boom) een unieke inkijk in Napoleon’s dagelijkse bestaan. Op Historiek plaatsen we een anekdote uit het boek over Napoleon en zijn bediende(n).


In de gunst van zijn meester

Jouw plaats is aan mijn zijde, en nooit mag je mij alleen laten.
Napoleon tegen Roestam

Wanneer hij niet op reis of op veldtocht was, gebruikte Napoleon ten paleize gewoonlijk om zes uur het avondmaal. Maar omdat hij soms tot diep in de nacht doorwerkte, zorgde het dienstpersoneel ervoor dat er, mocht hij trek krijgen, steeds een licht avondmaal gereedstond in een met tafelzeil beklede rieten mand. De keizer was echter een sobere eter, zodat hij hiervan zelden gebruikmaakte. De verantwoordelijkheid voor de mand berustte bij eerste kamerdienaar Constant. Toen deze op een nacht de keizer geholpen had met het uitkleden en naar bed gaan, kwam Roestam, die ’s nacht over zijn meester waakte, op hem af. De lijfmammeluk was met Napoleon mee op jacht geweest en had de gehele dag in het zadel gezeten. Hij wierp daarom een begerig oog op de mand met het avondmaal en liet de eerste kamerdienaar weten ‘erg hongerig’ te zijn en graag wat van de voor de keizer bewaarde kip te willen eten. Na een aanvankelijke weigering liet Constant Roestam begaan. Aangezien Napoleon al sliep, was het niet waarschijnlijk dat hij nog van zijn avondmaal gebruik zou maken.

Portret van Napoleon in zijn studeerkamer, door Jacques-Louis David, 1812
Portret van Napoleon in zijn studeerkamer, door Jacques-Louis David, 1812
Met een tevreden blik op het gezicht deed de lijfmammeluk zich daarop tegoed aan de koude kip, waarvan hij een dij en een vleugel verorberde. Hij was echter nauwelijks uitgegeten, toen er in de keizerlijke slaapkamer luid werd gebeld en Napoleon om zijn kip vroeg. De in verlegenheid gebrachte eerste kamerdienaar kon op dat moment niet meer doen dan wat kipresten zodanig op een bord draperen dat de genuttigde delen niet zouden worden gemist. De keizer wilde hier echter niet van weten. ‘Geef mij de hele kip’, gebood hij, ‘dan kan ik zelf kiezen’. Toen hem die vervolgens werd voorgezet, richtte hij zich tot Constant en Roestam met de woorden:

‘Kijk eens aan, sinds wanneer hebben kippen slechts een dij en maar één vleugel?’

En meteen voegde hij hieraan toe:

‘Het is me wat moois, ik schijn de overblijfselen van anderen te moeten opeten’.

Streng vroeg Napoleon vervolgens wie van beide bedienden zijn halve avondmaal had genuttigd. Toen Roestam beduusd antwoordde, ‘Ik had honger, Sire, en toen heb ik de dij en vleugel opgegeten’, riep de keizer uit: ‘Malloot! Heb jij het gedaan? Pas op dat ik je niet nog eens betrap!’ En zonder er nog een woord aan vuil te maken, at hij vervolgens het overgebleven kippenvlees op.

Daags daarna ontbood Napoleon bij het ochtendtoilet opperhofmaarschalk Duroc om enkele zaken met hem te bespreken. Tijdens dit gesprek vroeg hij hem:

‘Raad eens wat ik gisteren als avondmaal heb gegeten?… de restjes die monsieur Roestam voor me had overgelaten. Ja, die deugniet had het in zijn hoofd gehaald de helft van mijn kip op te peuzelen’.

Op dat moment kwam de lijfmammeluk binnen en riep de keizer hem toe:

‘Kom hier, malloot! De eerstvolgende keer dat dit weer gebeurt, kun je erop rekenen dat je me uit eigen zak zult terugbetalen’.

Terwijl hij dit zei, trok hij Roestam op gebruikelijke wijze aan zijn oren en barstte hij uit in een bulderend gelach.

Een man afhankelijk van lijfknechten

Deze anekdote zegt iets over de verhouding tussen Napoleon en Roestam. De meester is weliswaar streng, maar toont een door sympathie ingegeven mildheid jegens zijn zondigende bediende; laatstgenoemde is zijn heer toegewijd en trouw, maar kent momenten van zwakheid. Dit voorval is niet het enige inkijkje dat ons in de relatie tussen de keizer en zijn lijfmammeluk wordt gegund. Want hoewel in het algemeen bronnen over de aard van de meester-knechtverhouding in vroeger tijd schaars zijn, is juist voor hún relatie de informatie ruimer voorhanden. Naast Roestams eigen openhartigheid in zijn Souvenirs geven ook verscheidene mededelingen van derden hierin inzicht. De anekdote met de kip is er een voorbeeld van.

Napoleon bij Abensberg, helemaal rechts is Roestam te zien
Napoleon bij Abensberg, helemaal rechts is Roestam te zien

Het moge zo zijn dat er voor kamerdienaren geen helden bestaan, andersom bestonden er voor de ‘held’ Napoleon wel degelijk kamerdienaren. Sterker nog, zij vormden een luxe waar hij sinds 1797, toen hij aan het eind van de Italiaanse veldtocht ‘hof hield’ in de kastelen van Mombello en Passariano, eigenlijk niet meer buiten kon. In de woorden van zijn lijfknecht Constant zou Napoleon hier een homme à valets de chambre zijn geworden, een man die gewend was geraakt aan kamerdienaren, of – beter wellicht – die van hen afhankelijk was geworden. Als militair gewoon om velerlei ontberingen te doorstaan – vermoeidheid, honger, dorst, regen, hitte en kou – kon hij na het bereiken van de hoogste rang zich niet meer aan- en uitkleden zonder hulp van lijfknechten.

‘Degenen van hen die tekortschoten of zich misdroegen, kregen meestal pas ontslag na een tweede, soms een derde overtreding’

Zijn militaire achtergrond verklaart tevens Napoleons gehechtheid aan orde en regelmaat. ‘Ik ben nu eenmaal een gewoontedier’, zei hij van zichzelf. In zijn woon- en werkvertrekken moest alles op een vaste plaats liggen. Hij kon het niet uitstaan wanneer een voorwerp waarvan hij regelmatig gebruikmaakte, was verplaatst. Het dienstpersoneel was zo aan zijn gewoonten gewend dat de keizer hen zelden om iets hoefde te vragen. Ook wat zijn naaste bedienden zelf betreft verdroeg hij moeilijk nieuwe gezichten, niet zozeer uit aanhankelijkheid, als wel gewenning. ‘Hij had een hekel aan veranderingen’, wist zijn kabinetssecretaris Fain te vertellen. Daarom…

‘…stond hij wantrouwend tegenover nieuwe personen in zijn directe omgeving en deed hij zijn uiterste best de mannen te behouden, die hij vertrouwd had gemaakt met de manier waarop hij bediend wilde worden’.

De man met de witte tulband – Jos Gabriëls
De man met de witte tulband – Jos Gabriëls
Degenen van hen die tekortschoten of zich misdroegen, kregen meestal pas ontslag na een tweede, soms een derde overtreding en dan alleen nog wanneer dit op grond van een onderzoeksrapport onomstotelijk was vastgesteld. ‘Bedenk wel’, zo liet Napoleon aan opperhofmaarschalk Duroc weten, toen deze een ondergeschikte voordroeg voor ontslag, ‘dat niemand lichtvaardig uit mijn hofhouding mag worden weggestuurd. Voor de betrokkene is dit immers een schandvlek, waardoor hij nergens meer een dienstbetrekking zal kunnen vinden’.

De keizer verwachtte van zijn kamerdienaren punctualiteit en precisie, en zij moesten trouw en betrouwbaar zijn. Verder hechtte hij eraan dat zij – omwille van de representatie – een ‘aangenaam voorkomen’ (extérieur avantageux) hadden. Een deftige komaf en goede scholing – zoals in Versailles onder de Bourbons een voorwaarde was – achtte hij echter niet nodig. Integendeel, hij wilde, zo bekende hij eens, ‘echte bedienden, die ik een schop onder hun kont kan geven, als ik dat wil’.

Boek: De man met de witte tulband – Jos Gabriëls

Jos Gabriëls (1956) was als senior onderzoeker werkzaam bij het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en Cultuur. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van het napoleontische tijdvak (1799‑1815) en schreef hierover tal van artikelen, zowel voor vakgenoten als voor een algemeen publiek.

×