Dark
Light

De Nacht van Kersten (1925)

2 minuten leestijd
Oude Tweede Kamer in 1980
Oude Tweede Kamer in 1980 (CC BY-SA 3.0 - Anefo - Rob Croes - wiki)

Op 11 november 1925 viel het rechtse eerste kabinet-Colijn. De avond voor de val van dit kabinet is de geschiedenisboeken ingegaan als de ‘Nacht van Kersten’.

De gereformeerde dominee Gerrit Hendrik Kersten (1882-1948) richtte in 1918 de Staatkundig-Gereformeerde Partij (SGP) op. Een orthodox-protestantse partij die er naar streefde politiek te voeren op grondslag van de bijbel. De SGP ontstond onder meer uit protest tegen de samenwerking van ARP en CHU met de Katholieken en behaalde tijdens de verkiezingen van 1922 één zetel.

Kersten nam zitting in de Tweede Kamer en hoewel zijn partij daar maar met één zetel vertegenwoordigd was, liet de SGP geregeld van zich spreken. De SGP-fractievoorzitter verzette zich onder meer tegen vrouwenemancipatie, verplichte verzekeringen, Olympische Spelen, crematie, toneel en de komst en handhaving van bioscopen. Hij pleitte zelfs voor een algemeen verbod op filmvoorstellingen maar dat voorstel werd door alle andere partijen verworpen.

Toen Kersten in 1922 plaatsnam in de Tweede Kamer was Colijn nog geen premier, maar minister van Financiën in het tweede kabinet Ruijs de Beerenbrouck. Na de verkiezingen van 1925, waarbij de SGP twee zetels won, werd Hendrik Colijn wel premier. Lang hield dit eerste kabinet – bestaande uit ministers van ARP, CHU en Katholieken – onder leiding van Colijn het niet vol en daar had Gerrit Hendrik Kersten veel mee te maken.

In Den Haag stond Kersten bekend om zijn anti-katholieke houding. Zo verliet hij bijvoorbeeld eens demonstratief de Kamer toen daar een overleden paus werd herdacht.

Vaticaancrisis

Huidige logo van de SGP
Huidige logo van de SGP
In de nacht van 10 op 11 november 1925 diende Kersten, tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken, een amendement in voor opheffing van het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan. Dit was niet zo’n heel vreemd voorstel. Het gezantschap, in 1814 ingesteld door koning Willem I, was in 1871 uit bezuinigingsoogpunt al eens opgeheven. Een Kamermeerderheid vond toen dat de gelden voor de post geschrapt konden worden omdat de paus geen wereldlijke macht meer had. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gezantschap weer ingevoerd. Dit leek een meerderheid van de Kamer toen handig met het oog op eventuele vredesonderhandeling waarbij Nederland graag een goede diplomatieke positie wilde hebben. Velen gingen er van uit dat het gezantschap tijdelijk werd hersteld, maar na de oorlog bleef de post gehandhaafd.

Kersten besloot, samen met zijn collega-Kamerlid Pieter Zandt (1880-1961), in november 1925 nog eens te proberen de post te laten verdwijnen en diende een amendement in. Cruciaal was dat de indiening van dit amendement gesteund werd door drie leden van coalitiepartij CHU. Dit zette de verhoudingen in de Kamer op scherp. De fractievoorzitter van de Katholieken, eveneens vertegenwoordigd in het kabinet, liet onmiddellijk weten dat alle katholieke ministers hun ontslag in zouden dienen als het amendement door een Kamermeerderheid gesteund zou worden.

De volgende dag viel het kabinet. Het amendement Kersten werd niet alleen gesteund door de gehele oppositie, maar ook door regeringspartij CHU. De ‘Nacht van Kersten’ maakte zo een eind aan het kabinet Colijn I.

Vier maanden na de Nacht van Kersten kreeg Nederland een nieuwe regering: kabinet De Geer I.

Boek: Gerrit Hendrik Kersten

×