Het Deltaplan: nieuwe bescherming voor een kwetsbaar land

Modern wereldwonder – Geschiedenis van de Deltawerken

Bij uitgeverij Boom is deze week het boek Modern wereldwonder. Geschiedenis van de Deltawerken verschenen. De Deltawerken spreken nog steeds nationaal en internationaal tot de verbeelding. In dit rijk geïllustreerde boek blikken verschillende auteurs niet alleen terug op de geschiedenis van de Deltawerken, maar verbinden ze deze ook met actuele problemen, zoals klimaatverandering en het zoeken naar de juiste balans tussen veiligheid, zoetwatervoorziening en ecologische kwaliteit. Op Historiek een fragment uit het eerste hoofdstuk van het boek over het Deltaplan.

Het Deltaplan

Het eindverslag van de Deltacommissie wond er zeven jaar na de vreselijke watersnood van 1953 geen doekjes om: een gevaarlijke situatie zoals die in het Deltagebied – en eigenlijk in heel laag Nederland – al eeuwenlang bestond, mocht en kon niet meer worden geduld. De zin, of eigenlijk meer een ontboezeming in het verder zo zakelijke relaas, volgde op een kort, maar niets aan duidelijkheid te wensen overlatend overzicht van de kwetsbaarheid van Nederland. De gebeurtenissen van 1953, die toen nog vers in het geheugen lagen, waren daarin in kille cijfers samengevat: er waren circa negentig stroomgaten en ongeveer 500 dijkbressen ontstaan, een gebied van 129.000 hectare was overstroomd, 1836 mensen waren verdronken, alsmede 47.000 stuks vee en 140.000 stuks pluimvee, en 3000 woningen en 300 boerderijen waren verwoest.

De maatregelen die de Deltacommissie voorstelde – en die toen zelfs deels in uitvoering waren –, waren drastisch en ingrijpend en lieten aan duidelijkheid niet te wensen over: Nederlanders zouden voortaan kunnen leven in een land waarop het water eigenlijk geen vat meer kon krijgen. Een sterke verbetering van de veiligheid werd als ‘noodzaak’ beschouwd. Met oude gewoontes, gebruiken, technieken, organisatievormen, voorschriften en wetten moest worden gebroken.

- advertentie -
Deltawerken. Bron: Modern Wereldwonder
Deltawerken. Bron: Modern Wereldwonder

Maar hoe was het nu echt gesteld met de veiligheid vóór de uitvoering van het Deltaplan? Hoe werd daarover gedacht? Hoe kwam het Deltaplan tot stand en hoe werd het uitgevoerd? Welke gevolgen had dat voor de waterveiligheid in Nederland? Welke fases zijn te onderscheiden? Hoe speelde Nederland vervolgens in op ontwikkelingen als de klimaatverandering en zeespiegelstijging en in hoeverre is het Deltaplan voor de veiligheid van Nederland nog van waarde? Hoe veilig is Nederland nu? Dat zijn de vraagstukken die in dit hoofdstuk aan de orde komen.

Een eeuwenoud probleem

De dynamische delta

Het was eigenlijk geen nieuwtje dat de Deltacommissie vertelde, al had waarschijnlijk niemand de feiten op een rij. Uit familieverhalen of andere vormen van overlevering wisten de bewoners achter de dijken wel dat stormvloeden het land eeuw na eeuw hadden geteisterd, de dijken de zee soms niet hadden tegengehouden, het land was overstroomd en mensen waren verdronken. Men wist dan wel niet dat het land sinds 1200 was getroffen door meer dan honderd stormvloedrampen, een gemiddelde van zestien per eeuw, zoals de Deltacommissie uitrekende; maar dat de zee zich niet altijd koest hield, kon geen bewoner van het kustgebied eigenlijk ontgaan. Het landschap was erdoor getekend. Het droeg de sporen van verandering, van een enorme landschappelijke dynamiek. De kust liet zich eeuwenlang niet ‘vastleggen’. Meebewegen, en je dus af en toe terugtrekken, was verstandiger.

De woeste zee slokte herhaaldelijk stukken Hollands duin op. Door de afkalving van het duin gingen dorpen geheel of gedeeltelijk ten onder. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 bijvoorbeeld verdween ongeveer de helft van Egmond aan Zee in de golven, een dorpje dat in het jaar 977 was ontstaan; bij de Kerststorm van 1741 verzwolg de zee opnieuw tal van huizen en gingen de kerk en toren verloren. In Zeeland moest bijvoorbeeld de Westkapelse Zeedijk voortdurend landinwaarts worden verplaatst om het eiland Walcheren te behouden; de duinenrij, die het dorp Westkapelle aanvankelijk beschermde, was al eerder weggespoeld. En zo had elke kustplaats een vergelijkbaar verhaal.

Kaart uit 1560 van de verdronken Groote Waard (de huidige Biesbosch en het Eiland van Dordrecht) door Pieter Sluyter.
Kaart uit 1560 van de verdronken Groote Waard (de huidige Biesbosch en het Eiland van Dordrecht) door Pieter Sluyter.

Het gevaar van de zee bleef niet beperkt tot de directe kustlijn. Ook meer landinwaarts zat er soms niets anders op dan land maar aan het water prijs te geven. De Groote Waard, het directe achterland van Dordrecht, toen Hollands grootste en belangrijkste stad, gold omstreeks het jaar 1400 als een van de welvarendste streken. Ook bestuurlijk leek het er wel op orde te zijn, want de Groote Waard vormde een groot waterschap, een unicum nog in die tijd. Tegen de Sint-Elisabethsvloed van 1421 en hoge rivierafvoeren die vrijwel gelijktijdig plaatsvonden, bleken de dijken van de Groote Waard echter niet bestand. Geleidelijk veranderde deze enorme waard in waterig onland, een ontoegankelijk gebied van kreken en drassige woestenij, de huidige Biesbosch. Het achterland van Dordrecht werd als verloren beschouwd.

Het Verdronken Land van Saeftinghe (links) in Zeeuws-Vlaanderen, grenzend aan landbouwgrond.
Het Verdronken Land van Saeftinghe (links) in Zeeuws-Vlaanderen, grenzend aan landbouwgrond.

Dit geval staat niet op zichzelf. Zo ligt aan de oever van de Oosterschelde het Markiezaat van Bergen op Zoom, een nu verdronken land van ongeveer 2000 hectare, en verderop het Verdronken Land van Zuid-Beveland, dat in 1530 is overstroomd. Aan de zuidelijke oever van de Westerschelde, nabij de Belgische grens, ligt het Verdronken Land van Saeftinghe. Hier kan het getijverschil bij stormvloeden wel tot vijf à zes meter oplopen. Nadat dit gebied in 1570 was overstroomd, werd het herdijkt. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd het strategisch onder water gezet en vormde het gebied voor de opstandelingen een goede natuurlijke waterlinie; nu is het een natuurgebied van 3600 hectare. Dankzij de militaire inundaties van 1584-1586 en 1621 veranderde ongeveer driekwart van het huidige Zeeuws-Vlaanderen in een getijdengebied.

Op het Deltagebied had men lang niet altijd greep. Dijken boden dus niet altijd bescherming. Daarvoor waren de zeegaten ook veel te dynamisch. Sommige namen in de loop der tijd in omvang toe en andere slibden dicht. Ze wisselden voortdurend van gedaante. Na een stormvloed vormden de Deltawateren opeens een ander patroon. Vooral de zuidelijke Deltawateren Westerschelde en Oosterschelde namen in de loop der eeuwen in omvang en diepte toe, terwijl ook de afvoer van het stroomgebied van de Rijn zich meer in zuidelijke richting verplaatste.

Oosterscheldekering - cc
Oosterscheldekering – cc

De getijstromen en het zandtransport: ze vormen een fascinerend krachtenspel van de natuur, dat maar moeilijk valt te doorgronden. Ingenieurs van alle tijden keken vol ontzag naar dit verschijnsel. Frank Spaargaren, de ontwerper van de Oosterscheldekering:

‘Bij die sluitgaten stroomt het niet alleen heel hard, maar zijn er ook enorme zandtransporten. Tientallen miljoenen kubieke meters zand gaan er per jaar heen en weer. Ik zei wel tegen onze mannen: luister, als je door de woestijn rijdt, met een zandstorm over een weg met allemaal zandduinen, zo ziet het er daar beneden ook uit. Die bodem van de Oosterschelde waarop we moesten werken kon de volgende werkdag dus weer helemaal anders zijn.’

Het belang van het behoud van Zeeland

Soms leek het wel dat de bewoners van de Delta hun gebied aardig onder controle hadden. Dan gebeurde er een hele tijd niets. Deze schijn was bedrieglijk, want weer- en klimaatpatronen zijn grillig: na relatief rustige periodes volgen stormachtige tijden. Een stormvloed maakte het land extra kwetsbaar voor een volgende, omdat de dijken nog niet waren hersteld of nog niet goed waren gezet. Een stormvloed was als een tijdbom: hij kondigde zich niet van tevoren aan, maar sloeg opeens toe. De kustbewoners werden er meestal compleet door overvallen.

Napoleon verkondigde na deze stormvloed dat het eigenlijk te duur was Zeeland te behouden, dat Zeeland in de strijd tegen het water maar aan zijn lot moest worden overgelaten.”

De precieze ernst van de afzonderlijke stormvloeden van meer dan vijfhonderd jaar geleden is moeilijk te achterhalen. Oude kronieken spreken van een ‘hoge zee’ of ‘een groot tempeest’, maar er bestonden geen helder gedefinieerde begrippen voor het aanduiden van de hoogte en gevolgen van stormvloeden. Na watersnoodrampen werd hooguit opgetekend dat de golven tot in de hemel reikten en dat zeewater hoog over de dijken kwam en zelfs over de duinen stortte. Die vaak tegenstrijdige verhalen geven vooral weer dat de situatie ernstig was en de schrik er goed in zat. Of er een verband bestaat tussen temperatuurwisselingen en stormperiodes is met het oog op de huidige kwestie van de klimaatverandering en de mogelijke gevolgen daarvan uiterst relevant. Gebrek aan voldoende historische data over een langere tijdsperiode maakt het echter moeilijk heldere conclusies te trekken.

Na een stormvloed was men de wanhoop vaak nabij. Niet alleen kleinere stukjes land gaf men dan prijs, er gingen soms ook geluiden op om de strijd maar op te geven. Zo vroeg zelfs de toch zeer strijdlustige Napoleon, die overigens om strategische redenen zeer veel belang stelde in de Westerschelde, zich na een watersnood in 1808 af of hij niet beter een deel van zijn grondgebied kon prijsgeven. Hij verkondigde na deze stormvloed dat het eigenlijk te duur was Zeeland te behouden, dat Zeeland in de strijd tegen het water maar aan zijn lot moest worden overgelaten. Andries Schraver, de eerste hoofdingenieur van Rijkswaterstaat in Zeeland, wist de keizer op andere gedachten te brengen. Hij wees hem erop dat het behoud van Zeeland van het hoogste belang was voor de aangrenzende Nederlandse gebiedsdelen. Het is in belangrijke mate aan Schraver te danken dat Zeeland tijdens de stormvloed van 1808, waarbij 130 polders overstroomden, niet ten onder ging.

De Kwade Hoek, luchtfoto uit 1987.
De Kwade Hoek, luchtfoto uit 1987.

Kwade Hoek

Om vergelijkbare redenen werd sinds jaar en dag belang gehecht aan het behoud van Goeree: als dit eiland aan zijn lot werd overgelaten, zou bovendien het Goereese Gat verzanden. Voor de positie van de belangrijke marinehaven Hellevoetsluis en voor de handel van Rotterdam, Schiedam en Dordrecht zou dat funest zijn: het Goereese Gat vormde voor deze havenplaatsen het belangrijkste ‘gemeenschapsmiddel met de zee’.

De strijd viel desalniettemin nauwelijks vol te houden. In de zeventiende eeuw gingen al grote delen van dit eiland verloren. De duinenrij langs de noordzijde verzwakte zienderogen. In het zuidelijke deel deed het verschijnsel dijkval zich veelvuldig voor: opeens kon een dijk pardoes ineenzakken, omdat de dijkvoet door een stroming was ondergraven. Na de stormvloed op 3 maart 1715 werd gevreesd dat het eiland bij een nieuwe vloed in tweeën zou breken. Het dijkonderhoud op dit eiland was eigenlijk niet meer door de bewoners zelf op te brengen. In zulke gevallen werden de polders ‘calamiteus’ (noodlijdend) verklaard en de dijkwerken ‘cranck’ (zwak) genoemd. Het dijkonderhoud werd dan gesubsidieerd door het gewest of later de centrale overheid. Het was een enorme kostenpost.

De stormvloed van 1906 zorgde ook voor overstromingen in Oud-Vossemeer.
De stormvloed van 1906 zorgde ook voor overstromingen in Oud-Vossemeer.

Dat het aan de noordkant van het eiland behoorlijk kon spoken, bleek wel uit de naam: Kwade Hoek. Met die plek en een nabijgelegen stuk kust, het Flaauwe Werk, bemoeiden zich mannen als Nicolaas Cruquius, Christiaan Brunings, Frederik Willem Conrad en Pieter Caland, de beste waterbouwkundigen van hun tijd. Ze deden hun reputatie eer aan door vaak vernuftige oplossingen voor de problemen aan te dragen. Maar na een nieuwe storm bleken ze soms toch te weinig effect te hebben. Men werd er soms wat moedeloos van.

De bewoners wilden bovendien toch het liefst zelf hun boontjes doppen. Liever onvoldoende middelen dan het opgeven van de autonomie van het waterschap, het lokale bestuur. De implementatie van moderne wet- en regelgeving, waardoor grotere waterschappen zouden ontstaan die beter tegen hun taak waren opgewassen, verliep dan ook zeer moeizaam. Na vaak eindeloos gekissebis werd in het midden van de negentiende eeuw eindelijk van hogerhand bepaald hoe hoog de dijken moesten worden. In reglementen werd vastgelegd dat hiervoor zogenaamde dijktafels moesten worden opgesteld. Maar zelfs toen namen waterschapsbestuurders het niet zo nauw met de regels. Dit tot grote ergernis van de provinciale bestuurders die daarop het toezicht uitoefenden.

Modern wereldwonder Geschiedenis van de Deltawerken
Modern wereldwonder. Geschiedenis van de Deltawerken
Door de centralisering en bureaucratisering van de waterstaat nam geleidelijk de kennis van de oorzaken en gevolgen van stormvloeden toe. Zo werd vrij exact genoteerd dat bij de stormvloed van 1825 een oppervlakte land ter grootte van 370.000 hectare overstroomde, dat wil zeggen bijna drie keer zoveel land als in 1953. Sinds 1877 gaf Rijkswaterstaat stormvloedverslagen uit. Er werden in de periode 1877-1916 acht vloeden geteld die ernstige overstromingsschade veroorzaakten. Een daarvan was de stormvloed van 1906, waarbij een deel van Zeeland overstroomde en die vooral op Tholen behoorlijk huishield. Hij bracht in Zeeland en ook elders heel wat beroering teweeg.

Met enige regelmaat valt te beluisteren dat de stormvloed van 1953 als een verrassing kwam, dat men geen weet meer had van dergelijke situaties en dat men het daarom niet zo nauw meer nam met het veiligheidsniveau. Die bewering kan dus gerust naar het rijk der fabelen worden verwezen.

~ Willem van der Ham

Boek: Modern wereldwonder. Geschiedenis van de Deltawerken
Lees ook: Ooggetuigen van de Watersnoodramp (1953)

Bestel dit boek bij:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: