Het nieuwe boek van de historicus Arnout van Cruyningen heet Het huis van Thorbecke, maar het begint al in 1464. In dat jaar vond in Brugge de eerste vergadering plaats van de Staten-Generaal, een bijeenkomst van gedeputeerden van alle staten die tot het Bourgondische rijk behoorden.

Pas eind achttiende eeuw ontstond iets wat lijkt op de huidige praktijk. Na de inval van de Fransen kwam er een Nationale Vergadering. Die had in sommige opzichten wat weg van het huidige parlement. De leden werden via getrapte verkiezingen aangewezen, zij het dat alleen mannen (die aan bepaalde voorwaarden voldeden) in aanmerking kwamen.
Maar lang duurde dit in de verte op democratie lijkende festijn niet. Nederland werd steeds nauwer aan Frankrijk verbonden. Eerst werd het een dictatuur onder een ‘raadspensionaris’ die at uit de hand van de Franse keizer Napoleon Bonaparte, en vanaf 1806 een koninkrijk onder leiding van Napoleons broer Lodewijk. Vanaf 1810 maakte het deel uit van Frankrijk.
Nadat Napoleon verslagen was keerde de zoon van stadhouder Willem V in 1813 terug naar Nederland en liet zich als Willem I tot koning benoemen. Omdat de grote Europese landen beducht waren voor een nieuwe machtsgreep van Frankrijk kreeg hij er het beheer over België bij. De toen al gereed zijnde grondwettekst werd snel nog even aangepast.
Senaat
De Nederlanden kregen weer een nieuwe volksvertegenwoordiging, met een Tweede en Eerste Kamer. De vrij machteloze Tweede Kamer werd door de standen gekozen, de leden van de senaat benoemde de vorst zelf.
Het samengaan met de Belgen duurde overigens niet heel lang. In 1830 scheidden zij zich weer af en stichtten een eigen koninkrijk. Het duurde ongeveer tien jaar voor koning Willem I het verlies van België kon accepteren en toen trad hij al vlug af. In 1840 maakte hij plaats voor zijn zoon Willem II.

Pragmatischer
Van Cruyningen is nogal terughoudend over de betekenis van Thorbecke, de titel van zijn boek ten spijt. Hij schrijft dat deze ‘geen voorstander van democratie’ was en geeft veel eer aan het Kamerlid Dirk Donker Curtius, ‘een pragmatischer liberaal dan Thorbecke’.
Het boek behandelt vervolgens de kabinetten die vanaf 1848 in functie zijn geweest tot en met Rutte IV. Alle tijdperken komen voorbij: de negentiende eeuw met zijn strijd voor algemeen kiesrecht en het verlangen naar ‘vrijheid van onderwijs’, het kabinet-Kuyper met zijn ‘worgwetten’, de Eerste Wereldoorlog, de crisis van de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog, enzovoort.
Van Cruyningen schrijft zakelijk en over het algemeen objectief en hij gaat grondig te werk. Wel laat hij soms blijken weinig op te hebben met revolutionaire woelingen, zeker als die raken aan het functioneren van het koningshuis.
Citeren
De auteur heeft de gewoonte veel en uitgebreid te citeren. Dat komt de objectiviteit ten goede, maar het heeft als nadeel dat de leesbaarheid er soms onder lijdt. Dat laatste is beslist het geval bij wat oudere teksten. Hij heeft ook de neiging voorletters en persoonlijke titels steeds te vermelden. Dat laatste is tegenwoordig niet meer de gewoonte. Zo heeft hij het over ‘drs. M.C.F. (Ria) Verdonk’ maar (op dezelfde pagina) over ‘Geert Wilders’. Niet erg consequent, naar mijn mening.