Dark
Light

Grenzen tussen oudheidkundige wetenschappen zijn onwetenschappelijk

Oudheidkundige vakgebieden
5 minuten leestijd
Kleio, de muze van de historische wetenschappen
Kleio, de muze van de historische wetenschappen

Toen ik een tijdje geleden aankondigde dat ik een reeks “Methode op Maandag” (MoM) wilde beginnen over de vraag wat de bestudering van de Oudheid maakt tot een wetenschap, was ik van plan te starten met de diverse disciplines. Waarom zijn er verschillende vakgebieden terwijl het onderwerp, de oude wereld en de reflectie daarop, zo duidelijk een eenheid is? Om over die pluriformiteit iets te zeggen, moeten we terug naar de achttiende eeuw.

Methode op MaandagDestijds waren er verschillende groepen die zich bezighielden met de oude wereld. Aan de universiteiten werkten theologen en juristen, die beide Grieks en Latijn moesten beheersen. Ze werkten samen met classici, die probeerden de oude talen te doorgronden. Daarnaast waren er verzamelaars, de zogeheten antiquariërs. Zij waren minder geïnteresseerd in teksten dan in de materiële cultuur, al waren die twee velden natuurlijk niet helemaal te scheiden, omdat je van sommige voorwerpen alleen via teksten kunt vaststellen wat ze betekenen.

Echte historici waren er destijds niet: wat toen voor geschiedenis doorging, was het navertellen van oude bronnen. Wel waren er filosofen, die het verleden reconstrueerden aan de hand van grootse theorieën die meer berustten op fantasie dan feiten. “De menselijke geschiedenis is er een geweest van voortdurende vooruitgang”, bijvoorbeeld. Empirisch bewijs daarvoor ontbrak. Of: “het Romeinse Rijk is ten onder gegaan door een verandering van de zeden, waardoor de expansie ten einde kwam”. Dat die expansie stokte aan het begin van de jaartelling en de instorting enkele eeuwen later plaatsvond, waren details waarom filosofen zich niet bekreunden.

Een wetenschap

In de late achttiende eeuw begonnen de zaken te verschuiven. Voor het eerst waren er historici die méér deden dan alleen bronnen achter elkaar plaatsen. Geleerden als Edward Gibbon benutten bijvoorbeeld inscripties en munten – traditioneel de hobby van antiquariërs – om hun verhaal beter te onderbouwen. Tevens probeerden ze betere, filosofischer vragen te stellen. Om bij Gibbon te blijven: hij meende dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan doordat er geen volksvertegenwoordiging was geweest, zoals het British Empire wel bezat. Een herhaling van de “awful revolution” viel niet te verwachten zolang de landbezittende elite werd gehoord door de uitvoerende macht.

Deze verklaring was vanzelfsprekend politiek-gekleurd, maar onzinnig was ze niet. Geschiedenis begon een wetenschap te worden. Tegelijkertijd groeiden de klassieken van de studie van oude teksten uit tot een pedagogisch programma: door de kennismaking met de Griekse en Romeinse denkwijze, zoals we die leerden kennen via de taal, gingen we ook beter denken. Althans, dat was de theorie. Dit zal niemand nog zó verdedigen, maar een soortgelijke rechtvaardiging voor de bestudering van een verleden cultuur is nog steeds gangbaar: de ontmoeting met een andere cultuur – of dat nu Grieken of Romeinen zijn of Joden of Babyloniërs of Egyptenaren – is waardevol doordat je zo je eigen waarheden leert relativeren.

Iets later in de negentiende eeuw ontstond de wetenschappelijke archeologie, die eveneens probeerde de filosofische vragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld of er werkelijk vooruitgang was in de menselijke geschiedenis.

Oudheidkunde

Zo waren er drie wetenschappelijk te noemen onderzoekstradities ontstaan die met elkaar werden verbonden in een programma van “Altertumswissenschaft” ofwel oudheidkunde. Dat ze bij elkaar hoorden, is sindsdien wat op de achtergrond geraakt en dat is ergens ook wel begrijpelijk: het databestand is namelijk zo sterk gegroeid dat het moeilijk nog valt te overzien. Er zijn tienduizenden papyri en inscripties bij gekomen, de archeologie graaft elk jaar meer op dan kan worden verwerkt, en daarnaast zijn er door de ontcijfering van het spijkerschrift en de hiëroglyfen complete culturen bij gekomen.

Oud Babylonische spijkerschrifttablet (ca. 17de eeuw v.Chr.) bewaard aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel
Oud Babylonische spijkerschrifttablet (ca. 17de eeuw v.Chr.) bewaard aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel
Om een indruk te geven: de omvang van het Akkadische spijkerschriftcorpus is momenteel ruwweg even groot als het corpus voorchristelijk Latijn. De oude geschiedenis, die rond 1800 nog duurde van pakweg 1000 v.Chr. tot 500 n.Chr., begon aan het einde van de negentiende eeuw rond 3000 v.Chr. en was dus meer dan dubbel zo lang geworden.

Al met al heeft de oudheidkunde zo dus een redelijk duidelijk doel: de kennismaking met andere beschavingen. Dit doel dient een groter doel: het eigen gelijk wat relativeren. Daarom kijken oudheidkundigen ook graag naar de impact van de Oudheid op latere beschavingen. Plato vormde het voorbeeld van sommige Renaissance-denkers en de architectuur van het oude Athene werd gekopieerd in Berlijn en München.

Dat de bestudering van de taal en literatuur, de bestudering van de geschiedenis en de bestudering van de materiële cultuur gescheiden zijn, is hierbij jammer, want ze kunnen niet zonder elkaar. Een classicus begrijpt Tacitus beter als hij iets weet van de Germaanse levenswijze: pas dan ziet hij hoe de Romeinse auteur de feiten naar zijn hand zet en begrijpt hij wat Tacitus eigenlijk aan het doen is. Omgekeerd gaat een archeoloog de mist in als hij niet herkent wanneer hij antieke teksten letterlijk mag nemen en wanneer niet. Zoals ik al eens heb genoemd veronderstelde de kritiek op de identificatie van Kessel als slagveld van Julius Caesar dat diens geschriften dienden te worden gelezen als feitelijk accurate rapporten, wat toch wat simplistisch is als er in dat rapport ook eenhoorns staan vermeld.

Twee pianisten

De classicus die niets weet van archeologie en de archeoloog die niets weet van tekstuitleg zijn als twee pianisten, waarvan er één alleen de witte en de andere alleen de zwarte toetsen bespeelt. Het moet me van het hart dat ik het jammer vind hoe weinig oudheidkundigen doen om elkaars vak beter te leren kennen. Ik ken een classica die er trots op is uitsluitend archeologische musea te bezoeken om papyri te bekijken, ik ken een oudhistoricus die een opmerking uit een archeologieboek uit 1957 gebruikt om te rechtvaardigen dat hij zich niet hoeft te verdiepen in archeologie en ik heb eens gezeten bij twee lezingen waarin twee archeologen een beeldspraak letterlijk namen.

Toegegeven, al veertig jaar streeft men naar interdisciplinariteit, maar we zijn geen meter opgeschoten, wat grotendeels komt door de verkorting van de studieduur tot vier jaar in de jaren tachtig. De studenten krijgen te weinig kans voldoende te leren en degenen die worden toegelaten tot een promotietraject hebben onvoldoende gelegenheid de lacunes te compenseren.

Zo blijven er dus verschillende vakken bestaan: archeologen richten zich op de materiële cultuur in de breedste zin van het woord, classici houden zich bezig met taal en literatuur en alles wat daarbij komt kijken, historici onderzoeken wat er werkelijk is gebeurd en zoeken daarvoor verklaringen. Daarnaast heb je assyriologen, egyptologen, etruskologen, germanisten, hittitologen, indo-europeanisten, iranologen, nieuwtestamentici, oudtestamentici, prehistorici, qumranologen, sumerologen en andere disciplines die zich beperken tot één cultuur. Omdat die culturen niet in isolement hebben bestaan, is die beperking contraproductief – en los daarvan: omdat al die samenlevingen ruwweg hetzelfde technologische peil stonden, kan het heel nuttig te zijn het datagebrek dat de bestudering van al die culturen met elkaar gemeenschappelijk hebben te omzeilen door naar elkaar te kijken.

In elk geval dit moge duidelijk zijn: de grenzen tussen de diverse oudheidkundige wetenschappen zijn onwetenschappelijk. En eigenlijk vind ik dat wie het verwijderen van die oogkleppen niet als prioriteit heeft, wat weinig ambitie toont.

Meer Methode op Maandag

×