Oorlog om het kerkje op de Ommerschans

Serie: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen ‘opbeuren’ uit de ‘zedelijke verbastering’ waar zij door hun jarenlange armoede in terecht gekomen waren. Zij stichtte van 1818 tot 1825 de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans en Veenhuizen. Wil Schackmann schreef over die koloniën van weldadigheid vier boeken: De proefkolonie, De bedelaarskolonie, De kinderkolonie en De strafkolonie. Dertien weken lang publiceert hij op deze plek Verhalen uit de koloniën, afkomstig uit die boeken en uit het restmateriaal.


Het kerkje op de Ommerschans

Als het bedelaarsgesticht op de Ommerschans in september 1822 in gebruik wordt genomen, wordt er schoolgehouden in een van de zalen van het gebouw. Maar binnen een jaar is de toeloop van bedelaars zo groot dat die zaal voor bewoning gebruikt moet worden. In mei 1823 komt er nieuwbouw gereed, een multifunctioneel gebouwtje op de zuidwal van de schans. Het dient doordeweeks als school en als ruimte waar catechisatie gegeven wordt, en op zondag is het ‘ten gebruike der gereformeerde en roomsch katholieke gemeente’. Om en om, de katholieken eerst tot half elf, dan de protestanten, dan de katholieken weer tot half drie en dan de protestanten. Zondag 1 februari 1835 loopt dat helemaal fout.

De voorzitter van ‘de Kerkenraad der Protestantsche Gemeente te Ommerschans’, die tevens directeur van het gesticht is, schrijft aan de landelijke leiding van de koloniën dat de gemeente zich die ochtend ‘te 10 1/2 uur, na dat vooraf de bel geluid heeft, naar de kerk heeft begeven’. Maar daar is de katholieke mis nog bezig, en nadat de protestantse bevolking ‘ruim 1/4 uur in koude en guur weder buiten de kerk had gestaan’, keert ze onverrichter zake en heel boos terug naar het gesticht. Volgens de kerkenraad zijn de katholieken tot wel tien minuten voor elf doorgegaan.

‘Ergerlijk toneel’

Dat wordt bestreden door de andere kant. De parochie Sint Vincentius a Paulo, vernoemd naar de heilige die over de armen en zieken waakt, doet het tijdelijk zonder pastoor en wordt waargenomen door een kapelaan als ‘deservitor’, plaatsvervanger. Hij laat de volgende dag weten dat de directie van de schans zich regelmatig ‘hatelijk of onverdraagzaam omtrent de R.K. Godsdienst’ gedraagt. Neem nu het ‘ergerlijk toneel’ van ‘gisteren, zondag den 1 februarij’. Toen liet de directie de klok luiden ‘meer dan twintig minuten vroeger dan half elf uur’.

Het had de kapelaan overvallen. ‘Ik was juist bezig de communie toe te dienen, toen de protestantsche bevolking aanrukte.’ Niet alleen ‘moeste ik de preek overslaan’, maar de ‘dienst der misse was nog in geenen deelen ten einde’. Hij beschouwt het als zijn plicht om, dan maar zonder preek, de dienst af te raffelen, en toen hij dat gedaan had, ‘was het nog tien minuten voor half elf uur’.

Als hij merkt dat de protestanten dan alweer weggegaan zijn, is hij eerst verbaasd en dan verontrust. Hij maakt zich zorgen hoe door zo’n gebeurtenis ‘de gemoederen der Protestanten en Roomsch Katholijken tegen elkanderen verbitterd moeten worden’. Hij vreest ‘onderlinge verwijdering’ en een einde aan de ‘verdraagzamheid, welke alhier onder de bevolking geheerscht heeft’ en hij vraagt de leiding te zorgen dat zo’n ‘ergerlijk, hatelijk en schandalig voorval’ niet meer plaatsvindt.

De hakken in het zand

Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van Weldadigheid
Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van Weldadigheid
Beide versies liggen dan bij de landelijke leiding, die allicht iets zou kunnen verzinnen om het met een sisser af te laten lopen. Bijvoorbeeld iedereen een horloge geven. Maar de directeur vindt het nodig om een paar dagen later een briefje aan de kapelaan te schrijven waarin hij in venijnige bewoordingen zijn kijk op de kwestie uiteenzet. Dat leidt bij de kapelaan tot een driftcollaps.

De beschuldiging ‘dat ik vorigen zondag de godsdienstoefening te laat heb laten uitgaan’, noemt hij een aantijging ‘welke niet gering mag beschouwd worden’ en waarover hij ‘zeer beleedigd’ is en die hij verlangt ‘bewezen te hebben’. Zolang die bewijzen er niet zijn beschouwt hij de directeur als ‘eene laaghartige ziel en lasteraar’. Om tot slot in juridische termen te dreigen met gerechtelijke stappen.

Nu is het oorlog op de schans. Dit komt niet meer goed. De kapelaan laat de landelijke ‘Directeur Generaal voor de zaken van de Roomsch Katholijke Eeredienst’ weten hoe verschrikkelijk er hier met katholieken wordt omgegaan. Die directeur-generaal schrijft een beschuldigende brief aan de landelijke leiding en die – allemaal protestanten – reageert dat het uitsluitend de schuld van de kapelaan is. De gezindten hebben de hakken in het zand gezet. En daarom zullen we nooit te weten komen of die zondag in februari de protestanten te vroeg kwamen of de katholieken te laat ophielden.

~ Wil Schackmann

Reeks: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
Overzicht van boeken van Wil Schackmann


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister