De bokkenpruik op hebben – Betekenis en herkomst

Wie de bokkenpruik op heeft, zit niet zo lekker in zijn of haar vel. De persoon in kwestie is chagrijnig en daarmee niet erg plezierig gezelschap. De uitdrukking ‘de bokkenpruik op hebben’ dateert uit de achttiende eeuw, een tijd waarin nog veel pruiken gedragen werden.

De vermaarde Nederlandse taalkundige F.A. Stoett kwam in zijn Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) met de volgende verklaring voor de uitdrukking:

“Het op een bepaalde wijze dragen van die pruik of ook van den hoed werd als kenteeken beschouwd der stemming van den drager. Zat de pruik netjes, had men veel zorg aan het toilet besteed, dan maakte men daaruit op, dat de drager van dat hoofddeksel goed gehumeurd was. Stond daarentegen de pruik scheef, zat ze slordig, dan merkte men dat aan als een kenteeken van onverschilligheid, norschheid, ontevredenheid, de stemming van een bok, een norsch mensch, en had hij de bokkepruik op.”

Geit (CC0 - Pixabay - Chraecker)
Geit (CC0 – Pixabay – Chraecker)
Aan de wijze waarop de pruik gedragen werd, kon men kennelijk dus iemands humeur aflezen. Getuige de vele uitdrukkingen waarin de geitenbokjes voorkomen, kennen we de bok al lange tijd als een grillig en soms wat humeurig dier. Enkele voorbeelden van andere uitdrukkingen waarin het dier figureert:

  • Vreemde bokkensprongen maken (van het een op het ander springen)
  • Vooruit met de geit (opschieten)
  • Het bokje zijn (de dupe zijn)
  • De kool en de geit sparen (info)
  • Stinken als een bok (stinken)
  • Lachen als een geit die de stad uit gaat (schamper lachen)

Lijst met historische uitdrukkingen en gezegden
Boekenrubriek: Taalgeschiedenis


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister