De abdij van Postel behoort tot de orde der norbertijnen, ook wel witheren of premonstratenzers genoemd. Deze orde is gesticht door Norbertus van Xanten uit het geslacht van de graven van Gennep. De leden van de orde zijn reguliere kanunniken, die de Regel van Sint-Augustinus volgen. Bij de dood van de stichter in 1134 waren er al vele norbertijnenkloosters gesticht of waren kerkelijke instellingen overgegaan naar zijn orde.

De priorij had op grote schaal rechten en bezittingen verworven in de wijde omgeving. Bij de verheffing tot zelfstandige abdij gingen vele goederen en rechten in de Nederlandstalige gebieden over van Floreffe naar Postel, zoals te Reusel, Bladel, Casteren, Someren, Lierop, Helmond, Rixtel en Lieshout. Tevens verkreeg Postel de patronaatsrechten van Arendonk, Reusel, Olmen en Veldhoven. Van de opgeheven norbertijnenabdij Mariënweerd bij Beesd nam Postel de patronaatsrechten over van Beesd, Rhenoy en Mill. In 1682 kwamen vanuit Floreffe opnieuw patronaatsrechten aan Postel. Het betrof de parochies van Lierop, Lage Mierde, Asten, Oerle, Helmond, Lieshout en Rixtel. Daaraan werd in 1687 nog Luyksgestel toegevoegd. Het katholieke geloof kon in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch in de decennia na de val van de stad in 1629 nog maar moeizaam beleden worden. Tegen het eind van de zeventiende eeuw trad een versoepeling in.
Geconfisqueerd
Bij de Vrede van Münster in 1648 mochten de buiten de Republiek der Verenigde Nederlanden gelegen kerkelijke instellingen hun goederen en rechten behouden. Postel, zowat gelegen op de grens, verkeerde in een moeilijke positie, temeer daar het merendeel van zijn bezittingen in de Republiek lag. Een deel ervan werd geconfisqueerd. Een jarenlang voortslepend conflict tussen de Republiek en de abdij liep tot 1785. Postel kwam in 1787 definitief bij de Oostenrijkse Nederlanden, maar vele Postelse bezittingen in de Republiek bleven definitief in Staatse handen. Deze goederen werden door rentmeesters van de geestelijke goederen beheerd. Deze functionarissen stonden onder leiding van de Generaliteitsrekenkamer.
De komst van de Fransen betekende een abrupte breuk met het verleden. In 1797 namen ze alle abdijgoederen in de Oostenrijkse Nederlanden in beslag om ze vervolgens snel van de hand te doen. De abdijgoederen aan de noordzijde van de grens werden een jaar later aangeslagen door de Bataafse Republiek en kwamen onder beheer van de Commissie van Breda. De meeste ervan werden op den duur verkocht. De conventsleden raakten verspreid.
Nadat de Fransen verslagen waren kwamen in 1815 de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden in één gebied bijeen: het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Koning.
~ BHIC