Een scheepswrak dat eind november vorig jaar in Zutphen werd gevonden, blijkt uit 1647 te dateren. De ontdekking van het wrak werd gedaan tijdens de aanleg van de Marstunnel.
Na de ontdekking werd het schip in enkele dagen vrij gelegd, gedocumenteerd en geborgen. Het schip werd in 130 delen verhuisd naar een hal waar ze vervolgens werden schoongemaakt en op schaal 1:10 getekend en gefotografeerd. Alle constructiedetails en andere bijzonderheden werden zo vastgelegd.

De schuit is zogenaamde ‘praam’. De schipper duwde de boot voort door te bomen (‘punteren’) of door het schip vanaf de walkant voort te trekken (‘jagen’). Er zijn veel verschillende typen pramen. In de literatuur is echter nog niet eerder eenzelfde praam beschreven. Maar de kennis over de binnenscheepvaart voor 1700 is dan ook beperkt.
Pramen werden gebruikt voor allerlei klusjes, zoals het opschonen van vaargangen, herstel van kades en kribben, het oogsten van riet en hout, het ophalen van de melk van de stadskoeien die dagelijks door de melkmeisjes werden gemolken en het transport van de koeien op de stadsweiden.
Datering
De schuit is ruim 12 meter lang en op z’n breedst 2,7 meter. Het is een platbodem met een eiken vlak en een grenen vloer. De hoogte van de boord is 80 centimeter (drie eiken boordgangen). Het vaartuig heeft een plecht en een ronde boeg met een gebogen steven. Waarschijnlijk bevond zich aan de achterzijde ook een steven.

Reconstructie
De schuit lag in de zeventiende eeuw in de ‘contrescarpgracht’: een gracht vlak buiten de vestingwerken rond Zutphen. Men kon vanuit die gracht via een grote omweg over de Mars naar de IJssel varen.
Het hout van het wrak is van wisselende conditie, van zeer slecht (pulp) tot zeer goed (zeer hard). Als het technisch mogelijk is, wordt het schip geconserveerd en gereconstrueerd. Of dat laatste haalbaar is wordt de komende maanden onderzocht.