Dark
Light

Burgerlijke ongehoorzaamheid in de jaren zeventig

De volkstelling van 1971 en de Kalkarheffing
10 minuten leestijd
Tekst op muur in de Amsterdamse Jodenbreestraat tegen volkstelling, februari 1971 (CC0 - Bert Verhoeff / Anefo - wiki)

Activisme vanuit de huiskamer

Burgerlijke ongehoorzaamheid kende in de jaren zeventig verschillende verschijningsvormen. De kracht van een actie kon zitten in de zichtbaarheid of het ontregelende effect ervan, maar af en toe was het ook de macht van het getal die telde. Vooral vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid waarbij burgers de hun opgelegde wettelijke plichten negeerden, kenden soms grote aantallen deelnemers. Kenmerkend voor dit type acties was dat gewone burgers er als het ware vanuit hun huiskamer aan konden meedoen. Hun handelen bestond vooral uit het niet doen van bepaalde dingen, zoals het invullen van een formulier of het voldoen aan een financiële verplichting.

Een goed voorbeeld van een dergelijke daad van burgerlijke ongehoorzaamheid is de weigering deel te nemen aan de volkstelling. Al sinds het begin van de negentiende eeuw werden er in Nederland periodiek dergelijke tellingen gehouden. Aanvankelijk betrof het een demografische telling waarbij van de bevolking slechts enkele basisgegevens werden gevraagd, maar geleidelijk groeiden de tellingen uit tot uitgebreide onderzoeken waarbij werd geïnformeerd naar een heel scala aan onderwerpen, zoals opleiding, woonsituatie en hulpbehoevendheid. Hoewel deze ontwikkeling al langere tijd gaande was, ontstond hierover in 1971 bij de veertiende volkstelling mede doordat de gegevens voor het eerst computermatig zouden worden verwerkt, grote maatschappelijke onrust. De privacy van burgers zou in het geding zijn.

De parlementaire behandeling van de Volkstellingenwet was in maart 1970, ten tijde van het kabinet-De Jong, nog geruisloos verlopen. Vanuit de Tweede Kamer waren er wel vragen gesteld en amendementen ingediend over het waarborgen van de privésfeer en de strafbaarstelling bij het niet nakomen van de aan burgers opgelegde verplichting de vragenlijsten naar waarheid in te vullen. Ten aanzien van het eerste punt kon Roelof Nelissen (KBP), die als minister van Economische Zaken in dit kabinet verantwoordelijk was voor de wet, de Kamer nog wat tegemoet komen, maar de strafbepaling van maximaal twee weken detentie of een boete van 500 gulden wilde hij handhaven, omdat het dure onderzoek bij onvoldoende deelname zijn waarde zou verliezen.

‘Het laten vallen der strafbaarstelling zou bovendien de mogelijkheid openen tot een boycot der volkstelling op te roepen.’

Tijdens een debat in de Tweede Kamer over de volkstelling tonen  tegenstanders Schakel (AR) en Aarden (PPR) een affiche tegen de stelling, februari 1971
Tijdens een debat in de Tweede Kamer over de volkstelling tonen tegenstanders Schakel (AR) en Aarden (PPR) een affiche tegen de stelling, februari 1971 (CC0 – Rob Mieremet / Anefo – wiki)

Met deze opmerking gaf Nelissen blijk van een vooruitziende blik, althans ten dele. Hij voorzag de mogelijkheid van een boycot, maar ging er kennelijk van uit dat de strafbepaling een afdoende afschrikmiddel zou zijn. Dit bleek niet het geval. In de herfst van 1970 ontwikkelde zich in rap tempo een maatschappelijk protest tegen de volkstelling, waarbij burgers werden opgeroepen medewerking te weigeren. Het in september opgerichte Comité Waakzaamheid Volkstelling eiste, onder andere refererend aan de negatieve ervaringen met een goede bevolkingsregistratie tijdens de Duitse bezetting, meer waarborgen ten aanzien van de anonimiteit en deelname op basis van vrijwilligheid. Ook op lokaal niveau ontstonden allerlei groepjes en comités die actie voerden en opriepen tot een boycot. Opinieonderzoek dat enkele weken voor de volkstelling werd uitgevoerd, wees uit dat nog niet eens 70 procent van de bevolking ‘ja’ antwoordde op de vraag naar de bereidheid mee te werken.

In de Tweede Kamer leidden de signalen vanuit de maatschappij bij enkele fracties tot de conclusie dat het verstandig was tegemoet te komen aan de bezwaren. Anneke Goudsmit (D’66) en Bram van der Lek (psp) vroegen beiden een interpellatiedebat aan met het voorstel de wet aan te passen en de volkstelling uit te stellen. Wanneer veel mensen zouden weigeren deel te nemen of onjuiste gegevens invulden, zou de telling immers nutteloos zijn. Een Kamermeerderheid was het echter eens met minister Nelissen en vond dat de volkstelling gewoon moest doorgaan.

Protest tegen de volkstelling van 1971
Protest tegen de volkstelling van 1971 (CC0 – Punt / Anefo – wiki)

Vervolging van de weigeraars

Op 28 februari vond de telling plaats. Het aantal weigeraars bedroeg iets meer dan 23.000 personen (0,2 procent van de totale bevolking) en was daarmee minder groot dan de peilingen eerder uitwezen, maar gezien vanuit het oogpunt van strafrechtelijke vervolging toch niet onaanzienlijk. Het was aan het kabinet-Biesheuvel en meer in het bijzonder minister van Justitie Van Agt om te bepalen hoe hiermee om te gaan. Hoewel Van Agt als hoogleraar nog de mening verkondigd had dat vervolging van tienduizenden weigeraars onhaalbaar en vanuit het oogpunt van de geloofwaardigheid van het gezag ook onverstandig was, koerste hij als minister in eerste instantie af op het daadwerkelijk vervolgen van overtreders van de Volkstellingenwet.

Een belangrijk argument dat Van Agt hiervoor in navolging van de procureurs-generaal in de ministerraad naar voren bracht, was dat het buiten handhaving laten van de strafbepaling in een recente wet juridisch gezien discutabel was: zoiets gebeurde normaal gesproken alleen bij wetten waarvan bekend was dat ze op korte termijn zouden worden ingetrokken of vervangen. Ook het argument van de precedentwerking speelde een rol: wanneer nu niet zou worden vervolgd, zou dit in de toekomst voor andere groepen een aanmoediging kunnen betekenen door de overheid gevraagde gegevens niet te verschaffen. Wel leek het omwille van de belastbaarheid van het gerechtelijk apparaat raadzaam het aantal te vervolgen personen zo veel mogelijk te reduceren. Wie niet had meegedaan aan de volkstelling, kreeg in augustus als laatste kans om strafvervolging te ontlopen een ‘maanbrief’ thuis met het verzoek alsnog de vragenlijst in te vullen.

Het Comité Waakzaamheid Volkstelling en aanverwante groeperingen beoordeelden dit als ‘pure chantage’ en…

‘…een directe aantasting […] van de persoonlijke vrijheid’.

Volkstelling van 1971
Volkstelling van 1971 (CC0 – Rob Mieremet / Anefo – wiki)

In de Tweede Kamer werden in oktober door de PvdA, PSP en PPR kritische vragen gesteld. Welk opportuniteitsbeginsel stak hierachter, vroeg Hein Roethof (PvdA) zich bijvoorbeeld af. Het beleid van de minister maakte op hem meer de indruk van ‘een prestigeslag’. Van Agt vond het staatsrechtelijk onjuist een ander besluit te nemen dan hij had gedaan:

‘Sommigen in deze Kamer verlangen dat de Minister van Justitie hoog uit het zadel verordineert dat een strafbepaling welke deel uitmaakt van een wet van recente datum die met een ruime meerderheid van het parlement is aanvaard en tot onderdeel van onze wetgeving is gemaakt helemaal niet zal worden toegepast. Ik geloof dat ik dit niet mag doen, tenzij in een situatie van overmacht […].’

Juist deze laatste toevoeging bracht uiteindelijk enkele maanden later alsnog een koerswijziging; in een aantal gemeenten was de administratieve afwikkeling van de volkstelling niet zorgvuldig genoeg gebeurd, waardoor er problemen met de bewijslast waren. Hoewel enkele ministers vooral vanuit het oogpunt van de geloofwaardigheid van de wetshandhaving moeite hadden met het niet vervolgen, werd in de ministerraad om praktische redenen toch besloten van vervolging af te zien.


De Kalkarheffing

Een kwestie van burgerlijke ongehoorzaamheid waarmee het kabinet-Den Uyl moest omgaan, betrof de Kalkarheffing. Dit was een speciale heffing van 3 procent op de elektriciteitsrekening die bestemd was voor een fonds waaruit de Nederlandse deelname werd bekostigd aan de ontwikkeling van een snellekweekreactor in het Duitse Kalkar, vlak over de Nederlandse grens bij Nijmegen. Het betrof een experimenteel samenwerkingsproject met Duitsland en België dat beoogde splijtstof te kweken ten behoeve van kernenergie. Aangezien er geen ruimte in de begroting was om de kosten te dragen, besloot het kabinet-Biesheuvel tot het instellen van een speciale heffing.

Terwijl het kabinet demissionair was, werd de heffing door het parlement geloodst, zonder dat over de noodzaak of wenselijkheid van de Nederlandse participatie in het project als zodanig echt was gedebatteerd. Over die deelname bleken er bij de fracties aan de linkerkant van het politieke spectrum en ook bij Kamerleden van de confessionele fracties wel degelijk twijfels te bestaan, die voornamelijk voortvloeiden uit de veiligheids- en milieurisico’s die waren verbonden aan kernenergie. De tegenargumenten van de CPN weken hiervan af: de communisten hadden tegen kernenergie op zichzelf geen bezwaar, maar zagen in het Kalkarproject vooral de belangen van het grootkapitaal en West-Duitsland gediend. De kennis en het materiaal dat geproduceerd zou worden in de kweekreactor, zouden West-Duitsland de beschikking kunnen geven over een kernwapen.

Kalkar, demonstranten bij de snelle kweekreactor in aanbouw, 1979
Kalkar, demonstranten bij de snelle kweekreactor in aanbouw, 1979 (CC0 – Koen Suyk / Anefo – wiki)

Tegenstemmen tegen het wetsontwerp in de Tweede Kamer van D’66, PvdA, PPR, PSP, BP en CPN konden aanneming echter niet tegenhouden en een amendement van PvdA en D’66, dat medeondertekend was door de PPR en onder andere tot doel had de bestemming van het in te stellen fonds te verbreden tot onderzoek naar alternatieve energiebronnen en mogelijkheden tot energiebesparing, haalde het niet. Ook in de Eerste Kamer werd het wetsontwerp van de regering een maand later aangenomen.

Burgers kregen de eerste rekeningen waarin de heffing was verdisconteerd vanaf juli 1973 op de mat. Het duurde niet lang voordat daarop een reactie volgde: in diverse plaatsen in het land werden Stroomgroepen Stop Kalkar opgericht door mensen die weigerden de Kalkarheffing te betalen en anderen opriepen eveneens niet te betalen. Regelmatig kwamen ze samen in het Landelijk Overleg van Stroomgroepen Stop Kalkar (LSKK). Duizenden mensen weigerden de heffing te voldoen, omdat zij, zoals een van hen het verwoordde, de door hen…

‘…gevaarlijk geachte kweekreactor in geweten niet mee voor [hun] rekening wilden nemen’.

Uit een NIPO-enquête van oktober 1974 onder de bevolking bleek dat 32 procent van de ondervraagden de weigeraars steunde.

Bij veertien gezinnen leidde de betalingsweigering uiteindelijk tot afsluiting van het elektriciteitsnet. Elektriciteitsbedrijven vonden het ondoenlijk betaling via een deurwaarder af te dwingen, terwijl weigeraars en hun sympathisanten van mening waren dat het middel van de afsluiting een ongeoorloofde en buitenproportionele tegenmaatregel was. De rechtmatigheid van de afsluiting werd tot de hoogste rechter uitgevochten en in de media kreeg de kwestie telkens ruimschoots aandacht. De Hoge Raad oordeelde uiteindelijk dat afsluiting geoorloofd was wanneer een gebruiker weigerde de Kalkarheffing te betalen.

Demonstratie in Kalkar tegen de bouw van de snelle kweekreactor
Demonstratie in Kalkar tegen de bouw van de snelle kweekreactor (CC0 – Rob Mieremet / Anefo – wiki)

In Kamerdebatten werd relatief weinig gesproken over de burgerlijke ongehoorzaamheid rondom de Kalkarheffing. Voor de progressieve regeringspartijen was het niet opportuun zich hierover uit te spreken, omdat afschaffing van het fonds een budgettair probleem voor het kabinet zou betekenen. De fracties van PvdA en D’66 stemden ondanks hun bezwaren tegen het Kalkarproject om die reden dan ook vóór de begroting van het Kalkarfonds. De Anti-Kalkarcomités, waarin afdelingen van PvdA, PSP, PPR, D’66 en CPN zich hadden verenigd, hadden van meet af aan hun steun onthouden aan oproepen aan burgers om betaling van de Kalkarheffing te weigeren. De comités waren geen voorstander van burgerlijke ongehoorzaamheid en hielden zich, mede doordat zij al spoedig gedomineerd werden door de CPN, onder andere bezig met de organisatie van een handtekeningenactie en een manifestatie die concreet gericht waren op beëindiging van het Kalkarproject en niet zozeer op principiële argumenten tegen kernenergie die voor veel weigeraars van de heffing doorslaggevend waren.

“Bij veertien gezinnen leidde de betalingsweigering uiteindelijk tot afsluiting van het elektriciteitsnet.”

De Tweede Kamerfracties van PSP en PPR gaven zo nu en dan blijk van hun solidariteit met de weigeraars: de PSP bijvoorbeeld door ervoor te pleiten de elektriciteitsnota’s zo op te stellen dat de Kalkarheffing daarop als een afzonderlijke post zichtbaar was, de PPR door de toelaatbaarheid van afsluiting van het elektriciteitsnet te bevragen. D’66-woordvoerder Jan Terlouw bracht meermaals tot uitdrukking dat, hoewel hij ongehoorzaamheidsacties in beginsel niet goedkeurde, hij toch blij was dat de Kalkarheffing een bewustwordingsproces onder de bevolking tot gevolg had gehad.

Van de zijde van de partijen die normaliter geneigd waren te ageren tegen burgerlijke ongehoorzaamheidsacties, werd in het kader van de Kalkarheffing relatief weinig gehoord. Dit had enerzijds te maken met het gegeven dat ook zij tegenstanders waren van de heffing, zij het om budgettair-technische redenen, en anderzijds met het feit dat de zaak onder de rechter was en het als niet passend werd gezien de onafhankelijke rechtsgang met politieke uitspraken te doorkruisen. Het waren VVD en CHU die incidenteel stelling namen tegen de weigeringsacties en hun sympathisanten.

Het parlementaire debat concentreerde zich grotendeels op het Kalkarproject zelf. De fracties die in hun politieke standpunt het dichtst bij de weigeraars stonden, streefden naar beëindiging van het project of tenminste de Nederlandse deelname daaraan. Een motie die de aanzet daartoe beoogde te geven, kreeg slechts steun van PvdA, D’66, PPR, PSP en CPN, en behaalde geen meerderheid. Ook latere pleidooien leidden niet tot direct resultaat. Dat minister Ruud Lubbers van Economische Zaken in het kabinet-Den Uyl grote twijfels had over het project, liet hij van meet af aan doorschemeren. Financieel-economische overwegingen gaven daarbij voor hem overigens de doorslag. Ook hij zat echter vast aan reeds aangegane internationale verplichtingen, zodat Nederland zich slechts stapsgewijs en alleen ten aanzien van vervolgprojecten kon terugtrekken.

Een oplossing

Grote idealen, smalle marges
Grote idealen, smalle marges
In de ministerraad werd meerdere malen met bezorgdheid over de Kalkarheffing gesproken. Het kabinet wilde de zaak niet op de spits drijven en zou het liefst zien dat niet langer werd overgegaan tot afsluiting van het elektriciteitsnet. Als oplossing werd al snel gedacht aan een regeling om degenen met bezwaren tegemoet te komen. In oktober 1974 kondigde minister Lubbers in de Tweede Kamer aan dat er een bezwaardenregeling zou worden ingesteld die het degenen die geen financiële bijdrage wensten te betalen voor Kalkar, mogelijk maakte het gevraagde bedrag te storten in een alternatief fonds. Ook maakte hij bekend dat de Kalkarheffing per 1 januari 1977 zou worden stopgezet. Op het alternatieve fonds was nog wel kritiek, onder andere dat er geen garantie was dat het geld uit dit potje via het vestzak-broekzakprincipe niet alsnog aan Kalkar kon worden besteed. Maar nu duidelijk was dat zowel de heffing als het project zelf binnen enkele jaren zou worden beëindigd was de angel eruit. Ontegenzeggelijk had Kalkar heel wat losgemaakt, en er zouden later nog andere typen acties rond het thema kernenergie volgen.

Boek: Grote idealen, smalle marges

Bovenstaande fragment is afkomstig uit het tiende deel van een boekenserie over de parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. In dit deel, getiteld Grote idealen, smalle marges, staan de ‘lange jaren zeventig’ (1971-1982) centraal.
×