De hellehond Cerberus

Bewaker van het dodenrijk in de Griekse mythologie
/
1 minuut leestijd
Herakles vangt Cerberus - Gravure van Sebald Beham, 1540.
Herakles vangt Cerberus - Gravure van Sebald Beham, 1540.

Cerberus (ook wel Kerberos) is in de Griekse mythologie de hond van Hades (god van de onderwereld). De zogenoemde hellehond was één van de monsters die Hades tot zijn beschikking had en meehielp de toegang tot het dodenrijk te bewaken en ervoor zorgde dat doden niet konden ontsnappen.

De hond wordt vaak afgebeeld met drie koppen. Volgens de Griekse dichter Hesiodus had het monster echter maar liefst vijftig koppen. Vaak zijn er ook slangenkoppen op de rug van het dier te zien. Cerberus was zo groot als een olifant en werd geschapen door Echidna en Typhon (monsterlijke dochter en zoon van Gaea). Chimera was zijn zus en de waterslang Hydra zijn broer. De hond had, net als de Gorgonen, het vermogen mensen met zijn aanblik te verstenen. Doden die veilig langs de duivelse hond wilden komen, gaven hem soms honingtaart te eten.

De held Herakles kreeg op een dag opdracht om de hellehond te ontvoeren uit het dodenrijk. Dit was de laatste van zijn twaalfde beroemde werken. Op miraculeuze slaagde Heracles erin deze schijnbaar onmogelijke opdracht te vervullen. Na voltooiing van dit laatste werk bracht de held Cerberus weer terug naar Hades.

Vorige verhaal

Hades – God van de onderwereld

Volgende verhaal

Hydra van Lerna, de negenkoppige giftige waterslang

×