Strijd om Mohammeds opvolging legde basis voor splitsing soennieten en sjiieten

8 minuten leestijd
De Imam Ali-moskee in Najaf, Irak
De Imam Ali-moskee in Najaf, Irak, waarvan wordt beweerd dat hier het graf van Ali, de neef en schoonzoon van Mohammed, zich bevindt. (CC BY-SA 4.0 - Goudarz.memar - wiki)

Na Mohammeds overlijden in 632 breekt de strijd los om zijn opvolging. Probleem daarbij is dat de Profeet hierover bij leven niets heeft beslist. Sommigen betogen dat familieleden van de Profeet de voorkeur hebben, anderen zijn van mening dat het aan de moslimgemeenschap is om de opvolger uit hun midden aan te wijzen. Het debat hierover markeert de scheidslijn tussen sjiieten en soennieten.

Een wankele staat in wording

Bij zijn dood in 632 laat Mohammed een geloofsgemeenschap na die weliswaar kracht vertoont, maar op de bestaande grootmachten nog maar weinig indruk maakt. Het is een minderheidsgroep die overigens wel een nieuwe traditie inluidt naast die van de oude beschavingen en geleidelijk aan beginnen sommige leden van deze gemeenschap te dromen van de vervanging van alle oude beschavingen door een nieuwe vorm van samenleven, gebaseerd op hun aan de boodschap van Mohammed ontleende idealen. Dat idee is natuurlijk nog niet uitgekristalliseerd rond het midden van de zevende eeuw en rijpt gedurende de ontwikkeling van het kalifaat.1 Maar voordat er iets gerealiseerd kan worden van deze dromen is er de vraag van wie de Profeet dient op te volgen, een kwestie van enorm religieus en politiek gewicht die soennieten en sjiieten van elkaar scheidt tot op de dag van vandaag.

Aboe Bakr
Perzische miniatuur: na Aboe Bakrs verkiezing tot kalief zweren de aanwezigen hem trouw
Tien jaar voor zijn dood neemt Mohammed, bedreigd door zijn heidense stamgenoten van de Koeraisj clan in Mekka, de wijk naar Medina waar zijn geloofsgemeenschap wordt ontvangen door de zogeheten Ansar – een Arabische term voor helpers – die de immigranten oftewel de Muhajireen onderdak bieden. Van daaruit breidt Mohammed zijn invloed uit met als belangrijkste gebeurtenis de verovering van Mekka, waarmee hij de Koeraisj integreert in een breder systeem. Maar dat systeem blijkt wankel te zijn als de Profeet komt te overlijden. Het boek van de Profeet bevat weliswaar een boodschap voor de toekomst op individueel niveau, maar voorziet niet in een plan voor de kleine moslimgemeenschap als staatkundige eenheid.

Het is Aboe Bakr, de schoonvader van Mohammed die de moslims voorgaat in gebed na de dood van de Profeet en die door de gemeenschap als opvolger van Mohammed wordt aangewezen als kalief (plaatsvervanger of rentmeester) vanwege zijn kwaliteiten als staatsman. Die benoeming vindt plaats tijdens een bijeenkomst van islamieten op de binnenplaats (Saqīfa) van de Banu Saida stam in Medina. Een bijeenkomst waarvan de legitimiteit in twijfel wordt getrokken door de sjiieten.

Het theologisch debat

Met de benoeming van Aboe Bakr passeren de moslims Mohammeds neef en schoonzoon Ali en negeren diens aanspraak op de titel van kalief als zijnde een directe verwant van de Profeet. Sjiieten hechten aan dit recht en zijn de mening toegedaan dat de benoeming van Aboe Bakr als een onrechtmatige inbezitname van het rentmeesterschap moet worden beschouwd, terwijl soennieten ervan overtuigd zijn dat dit verwantschapsrecht niet zaligmakend is.

Aboe Bakr en Ali
Ali bij de stervende Aboe Bakr – miniatuur uit een 19e-eeuws manuscript van Hamla-i Haydari
In deze discussie hebben de sjiieten een punt, want erfelijke opvolging is onder de tribale gemeenschappen in Arabië zeker niet ongebruikelijk en gerelateerd aan het belang dat algemeen gehecht wordt aan de nasab oftewel adellijke afkomst.2 Met andere woorden, de opvolging van een leider door iemand die weliswaar aan de overledene verwant kan zijn, maar niet in directe lijn zoals een zoon of kleinzoon, zou onder de Bedoeïenen als abnormaal zijn beschouwd. Het zou gemakkelijker zijn geweest wanneer Mohammed zich duidelijk had uitgesproken over zijn opvolging, maar dat heeft hij niet gedaan. Wel zijn er teksten te vinden in de Koran waar soennieten en sjiieten naar verwijzen om hun standpunten te onderbouwen.

Zonder twijfel benadrukt de Koran de verplichting van moslims om bloedverwantschappen te koesteren en te onderhouden, zoals bijvoorbeeld in soera 16-90:

Waarlijk, Allah beveelt rechtvaardigheid en het goede. En Hij (beveelt) hulp aan de verwanten en verbiedt onzedelijkheden, het verwerpelijke en opstandigheid. Hij waarschuwt jullie, zodat jullie daar acht op slaan.3

In Arabische geschriften worden dikwijls de verwanten met name genoemd, gevolgd door de vermelding dat dit gebod ook wezen en berooide reizigers regardeert en altijd in die volgorde. De door Allah bedoelde hulp lijkt dus dus primair de verwanten te betreffen zoals ook uit soera 17-26 valt op te maken:

En geef aan de verwanten, de armen en de reizigers hun recht. En verspil niet door meer uit te geven (om zo anderen dan Allah te behagen).4

En als het gaat om de verdeling van oorlogsbuit. Soera 59-7:

En wat Allah aan buit aan Zijn Boodschapper geeft van de mensen van de steden: het is voor Allah en Zijn Boodschapper, de verwanten, de wezen, de armen die bedelen en de reiziger zonder proviand, zodat het geen fortuin wordt dat door de rijken onder jullie wordt gebruikt [….].5

Ook benadrukt de Koran de goedgunstigheid jegens verwanten in geval er een erfenis te verdelen valt, zij het dat alleen degenen die het moslimgeloof zijn toegedaan recht hebben op een deel van de nalatenschap. In dit verband zijn de passages in de Koran die betrekking hebben op voorgaande profeten zoals Abraham en Mozes relevant. Steeds, aldus de Koran, zijn het de directe nakomelingen die God kiest als hun opvolger. Soera 6-84 t/m 89:

En Wij gaven hem [Abraham] Isaac en Yacob, ieder van hen leidden Wij, en ervόόr leidden Wij Noah en onder zijn nageslacht Dawoed, Soeleiman, Yob, Yoesoef, Mozes en Haaron. Dus Wij belonen de weldoeners. [….] Dat zijn degenen die Wij het Boek, de Oordeelskracht en het Profeetschap hebben gegeven.6

Als deze teksten het gedachtegoed weerspiegelen van Mohammed, dan mag betwijfeld worden of de Profeet zijn goedkeuring zou hebben gehecht aan de benoeming van Aboe Bakr als zijn opvolger, maar deze eerder, conform de traditie en de uitspraken over de oude profeten, zou hebben gezocht onder zijn naaste verwanten. Soennieten wijzen deze gedachte af en verwijzen naar soera 33-40 die Mohammed beschrijft als de laatste en ware profeet:

[….] hij is de Boodschapper van Allah, en de laatste van de Profeten.7

Birmingham Quran-manuscript
Een van de oudste Koranteksten ter wereld: het Birmingham Quran-manuscript, bestaande uit twee perkamentbladen, in 2015 gedateerd op 568-645 na Christus.
En die laatste Profeet hoeft niet als voorheen het geval was te worden opgevolgd door een familielid. Allah zou deze afwijking van de traditie hebben geopenbaard door de zonen van Mohammed te laten sterven in hun kindertijd en de Profeet is zich daarvan bewust geweest. Het is daarom dat, zo menen de soennieten, de keuze over zijn opvolger moet worden overgelaten aan de moslimgemeenschap, volgens het Koranbeginsel van beraadslaging, de zogeheten soera oftewel consultatie, waarnaar op diverse plaatsen in de Koran wordt verwezen zoals bijvoorbeeld in de gelijknamige soera 42 waarvan vers 38 luidt:

En (zij zijn) degenen die naar hun Heer luisteren en de gebeden onderhouden, en die hun zaken regelen door gemeenschappelijke raadpleging en zij geven uit van waar Wij hun mee voorzien hebben.8, 9

Hoe dan ook, het is de relatieve buitenstaander Aboe Bakr die verkozen wordt boven Mohammeds familielid Ali. Maar voordat Aboe Bakr zich kalief mag noemen moet hij in tactisch opzicht alles uit de kast halen om dit doel te bereiken en ook daarover, de manier waarop hij zijn benoeming weet af te dwingen, zijn de meningen verdeeld.

Het relaas van Omar ibn al-Chattab

Omar ibn al-Chattab, kortweg Omar, is een bekeerling van het eerste uur en een vertrouweling van Mohammed die Aboe Bakr later zal opvolgen als tweede kalief en tegen het eind van zijn eigen regeringsperiode (644) een verslag doet van wat er zich heeft afgespeeld tijden de bijeenkomst van moslims van de Ansar op de binnenplaats (Saqīfa) van de Banu Saida stam in Media waar zij discussiëren over wat hen te doen staat nu de Profeet er niet meer is.

Aboe Bakr, aldus het relaas, krijgt lucht van deze bijeenkomst en met Omar en nog een derde moslim, eveneens behorend tot de Muhajireen, haast hij zich naar de Saqïfa, waar de Ansar ervoor pleiten dat de moslims van Medina hun eigen leider kiezen en wensen dat de Koeraisj van Mekka dat ook doen. Wat zij daarmee lijken te willen bereiken is dat hun autonomie over Medina, die hen zou zijn ontnomen door de Muhajireen, in ere wordt hersteld en de immigranten terugkeren naar Mekka. Dat is niet zo vreemd, want nu Mohammed van het toneel verdwenen is, voelen de Ansar – en ook andere bekeerde Bedoeïenenstammen – zich in politiek opzicht niet meer gebonden aan de heerschappij van de Koeraisj, de stamgenoten van Mohammed uit Mekka.

Kalligrafisch zegel met de naam van Omar
Kalligrafisch zegel met de naam van Omar, te zien in de Hagia Sophia in Istanboel. (CC BY-SA 3.0 – Mark Ahsmann – wiki)

Aboe Bakr en Omar zien het gevaar van politieke splitsing van de moslimgemeenschap. Zij realiseren zich dat Mohammed niet slechts de vorming van een geloofsgemeenschap op het oog had, maar de hierboven genoemde vervanging van alle oude beschavingen door een nieuwe vorm van samenleven ambieerde. Aboe Bakr roept de Ansar op hem te volgen want, zo betoogt hij, het zijn de Koeraisj waartoe de Profeet immers behoorde, die als enige in staat zijn om alle Arabieren tot eenheid te bewegen.

Tijdens de hoog oplopende discussie verklaart Umar in een spontaan gebaar zijn trouw aan Aboe Bakr, wat ook anderen ertoe beweegt dit te doen. In meerderheid scharen zij zich achter Aboe Bakr, die na de bijeenkomst tevens de Mekkaanse Koeraisj voor zich weet te winnen. Mohammed heeft de Koeraisj vanuit Medina altijd goed behandeld en tal van de leden van deze clan, waaronder opposanten van de Profeet, op hoge posten benoemd, maar zijn opvolger doet er een schepje bovenop en stelt vanaf dat moment de islamitische staat onder het bewind van de Koeraisj als heerser over alle Arabieren.

Achteraf, zo verklaart Omar, is de bijeenkomst falta (onrechtmatig), want de gang van zaken druist in tegen wat de soennieten nu juist zo belangrijk vinden: beslissing over dit soort zaken middels de soera, het overleg in de gehele gemeenschap. En dat is niet gebeurd, immers, bij de Saqïfa-bijeenkomst zijn slechts drie Muhajireen aanwezig die in feite de Ansar overdonderen. De soennieten wijzen er echter op dat het Omar is die als eerste trouw zweert aan Aboe Bakr en daarmee het besluit van de bijeenkomst legitimeert.

Bij Aboe Bakr en Omar speelt nog een andere overweging een rol. Gesteld dat er sprake zou zijn geweest van een volledige soera van alle Ansar en Muhajireen, dan is het niet denkbeeldig dat laatstgenoemden er de voorkeur aan zouden hebben gegeven een eigen leider te kiezen in de persoon van Ali, iets dat Aboe Bakr en Omar tegen elke prijs wilden voorkomen.

Noten

1 – Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 1 The Classical Age of Islam, The University of Chicago Press 1977 p. 197.
2 – Madelung, W., The succession to Mohammad, A study of the early Caliphate, Cambridge University Press, 1997 p. 5.
3 – https://koran.nl/soera-16-an-nahl-de-bijen/
4 – https://koran.nl/soera-17-al-isra-de-nachtreis/
5 – https://koran.nl/soera-59-al-hashr-exodus-ballingschap/
6 – https://koran.nl/soera-6-al-an-am-het-vee/
7 – https://koran.nl/soera-33-al-ahzab-de-partijen/
8 – https://koran.nl/soera-42-ash-shura-het-beraad/
9 – Madelung, op. cit. p 9-18.
Maak Historiek mede mogelijk Onze missie: geschiedenisverhalen gratis toegankelijk maken voor een breed publiek, zonder politieke kleur en betaalmuur. Uw steun maakt dat mede mogelijk.
Steun Historiek
0
Reageren?x
×