Dark
Light

Archibald Cox Jr. en de ‘Saturday Night Massacre’

4 minuten leestijd
Het Watergate-complex
Het Watergate-complex

Archibald Cox Jr., die als aanklager was aangesteld om de mogelijke betrokkenheid van het Witte Huis te onderzoeken bij de inbraak in de kantoren van de Democraten in het Watergate Hotel, verwierf grote naamsbekendheid toen president Richard Nixon (1913-1994) in een poging een schandaal te vermijden, hem en andere juristen op 20 oktober 1973 ontsloeg. De affaire ging de geschiedenis in als de “Saturday Night Massacre” en veroorzaakte uiteindelijk de val van Nixon. Het verhaal:

Archibald Cox Jr., 1973
Archibald Cox Jr., 1973
Archibald Cox Jr. werd op 17 mei 1912 geboren in een vrij welgesteld middenklassengezinin Plainfield een provinciestadje in de Amerikaanse staat New Jersey. Dit als oudste van zeven kinderen. Hij bracht er een zorgeloze jeugd door en groeide op tot een intelligente knaap met een grote interesse voor alles wat zich binnen de samenleving afspeelde. Na zijn middelbare school ging hij aan de universiteit van Harvard economie studeren om er vervolgens een rechtenstudie aan te vatten die hij in 1937 cum laude afrondde.

Verdere carrière

Toen Cox zijn diploma eenmaal op zak had, ging hij als assistent aan de slag bij het gereputeerde advocatenkantoor van Learned Hand (1872-1961), een befaamd jurist en federaal rechter verbonden aan het Hof van Beroep in New York City. Eind 1938 was hij een tijd werkzaam in Boston bij het prestigieus internationaal bekende advocatenbureau Ropes & Gray waarna hij bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Washington ging werken voor het ministerie van arbeid. Die ervaring legde Cox geen windeieren want kort na het beëindigen van de oorlog kreeg hij van Harvard een baan aangeboden als docent arbeidsrecht.

In 1952 werd Cox benaderd door president Harry Truman (1884-1972) om de leiding op zich te nemen van het WSB, de “Wage Stabilize Board”, een onafhankelijke instelling die controle moest uitoefenen op de prijzen van goederen en diensten en tegelijkertijd moest instaan voor een correcte implementatie van de bij wet voorziene loonnormen in verschillende arbeidssectoren. Lang hield Cox het aan het hoofd van het WSB echter niet vol. De gestage inmenging van Trumans administratie in het dagelijks beleid maakten dat hij na enkele maanden bedankte voor de eer, ontslag nam en terugkeerde naar zijn leerstoel in Harvard.

Enkele jaren later, in 1961, werd Cox bij het begin van John F. Kennedy’s (1917-1963) presidentschap benoemd tot advocaat-generaal, wat hem tot één van de meest prominente juristen van het land maakte. Na de brutale moord op Kennedy in november 1963 bleef Cox nog enige tijd werkzaam onder diens opvolger Lyndon B. Johnson (1908-1973). Begin 1966 hield hij die samenwerking echter voor bekeken en besloot hij terug te keren naar Harvard om daar opnieuw les te gaan geven.

In de zomer van 1972 kreeg Cox een oproep uit onverwachte hoek die zijn leven drastisch zou veranderen. De Republikeinse president Nixon vroeg hem als speciale aanklager op te treden bij het onderzoek naar de gebeurtenissen in het Watergate Hotel, waar was ingebroken in de kantoren van de Democratisch partij. Cox stond immers bekend als een integer jurist en Nixon hoopte met zijn aanstelling aan te tonen dat hij met de hele affaire niets te maken had.

Een kijk op wat er was gebeurd

Juni 1972 kwam de inbraak in het Watergate Hotel aan het licht. Hierbij hadden onbekenden zich toegang verschaft tot de kantoren van het Democratisch Nationaal Comité, waar Democraten de verkiezingsstrategie bepaalden voor de op til zijnde presidentsverkiezingen. De zaak werd al snel door Bob Woodward en Carl Bernstein, twee onderzoeksjournalisten van de populaire krant de “Washington Post” in meerdere artikelen uitvoerig becommentarieerd. Algauw rees het vermoeden dat medewerkers van het Witte Huis betrokken waren geweest bij het plegen van de inbraak.

Krantenkop over het ontslag van Cox
Krantenkop over het ontslag van Cox (wiki)
Het verhaal werd tijdens één van de vele hoorzittingen bevestigd door Alexander Butterfield, een persoonlijke assistent van Richard Nixon. Onder ede sprak hij over geluidsbanden waarop belastende informatie te horen was over wat zich in het Watergate Hotel had afgespeeld. Cox eiste de tapes op, maar het Witte Huis, dat aanvankelijk het bestaan ervan nog had ontkend, weigerde ze te overhandigen. Toen Cox echter bleef aandringen werd hij samen met enkele andere advocaten op 20 oktober 1973 door Nixon uit zijn ambt ontzet. Nixons beslissing werd in de pers breed uitgesmeerd en ging de geschiedenis in als de “Saturday Night Massacre”. Cox’s opvolger Leon Jaworski (1905-1982) kreeg uiteindelijk de geluidsbanden met belastend materiaal toch in handen. Ontkennen had ook voor Nixon geen zin meer en toen kort daarna tegen hem een afzettingsprocedure werd ingezet, hield Nixon de eer aan zichzelf en trad op 9 augustus 1974 af als president van de Verenigde Staten.

Hoe het Cox nadien verging

Cox’s onverzettelijkheid in het Watergateschandaal bezorgde hem bij grote delen van de bevolking de status van een nationale held op. In de daaropvolgende jaren legde hij zich naast het doceren aan Harvard toe op het behandelen van dossiers die hij vervolgens inleidde bij het opperste gerechtshof.

Archibald Cox, de man die mede aan de basis stond van Nixons aftreden, stierf de 29ste mei 2004 op 92-jarige leeftijd een natuurlijke dood in zijn woning in Brooksville, Maine. Hij kreeg er zijn laatste rustplaats op de stedelijke begraafplaats.

Ook interessant: De tragiek van Richard Nixon

×