Bloedgabbers – De criminele jaren 1977-1982

//
11 minuten leestijd
Krantenbericht in de Telegraaf, maandag 17 oktober. Bron: Delpher
Krantenbericht in de Telegraaf, maandag 17 oktober 1977. Bron: Delpher
Bij Just publishers verscheen deze week het boek Bloedgabbers. De criminele jaren 1977 – 1982. In dit vervolg van het eerder verschenen Wij willen gangster worden, vertelt George Boellaard over de jaren 1977 tot 1982 waarin de toekomstige Heikenen-ontvoerders Jan Boellaard, Frans Meijer en Cor van Hout in hun zucht naar geld steeds meer overvallen plegen. Gaandeweg verschuift de hiërarchie binnen de groep en groeit de rol van Cor van Hout. Op zijn aandringen gaat schoolvriend Willem Holleeder een vast deel uitmaken van het hechte vriendenclubje Boellaard, Meijer en Van Hout. Op Historiek plaatsen we een fragment uit dit nieuwe boek waarin te lezen is hoe de mannen op weg zijn naar Brussel voor de inbraak bij een wapenhandel. Maar het loopt anders…


146 kogels

16 oktober 1977

Om half vijf in de ochtend staat Jan op uit bed, voorzichtig, omdat hij Annemarie niet wil wekken. Jan zet een snelle kop koffie verkeerd en terwijl hij zijn ontbijt naar binnen schrokt, trekt hij de luxaflex wat opzij. Het is moeilijk de pisbak aan de overkant te zien. Met tweehonderd kilometer per uur naar Brussel rijden wordt moeilijk met zo weinig zicht, maar het zal wel loslopen.

‘Cor pakt de kleine blauwe koffer met daarin de Schmeisser machinepistolen’

Even voor vijf uur geeft hij Annemarie een voorzichtig kusje en gaat naar buiten. Op straat hangt niet alleen een klamme mist, het is ook snijdend koud. Na een paar minuten arriveren Frans en Cor op het Van Beuningenplein. Wanneer de Mercedes van Jan uit de IJ-tunnel komt, merkt het drietal dat de mist in Noord nog dichter is dan beneden het IJ, de kachel van de auto loeit ondertussen op volle kracht.
‘We hebben wel een dag uitgekozen,’ zegt Frans grinnikend. ‘Het wordt toch hopelijk niet net zo’n tocht als naar Luik.’
‘Die Opel Rekord is toch wel in orde, Cor?’ vraagt Jan.
‘Prima autootje. Ik heb ermee gereden, die is helemaal in orde.’ Feitelijk is de lichtgroene Opel Rekord pas vijf dagen in het bezit van Epancratius (zo noemde de groep zich red.) en heeft Cor alleen met de auto van Utrecht naar Amsterdam gereden.

Binnen de bebouwde kom blijkt het wat minder mistig en als de jongens op de Meteorenweg aankomen, maken ze zich weinig zorgen meer. In de donkere loods lopen ze op de tast naar de ruimte waar ooit een dieselaggregaat gestaan heeft en daar klikt Frans het licht aan. De plaksnorren en brillen zullen ze pas even voor het binnenrijden van Brussel opdoen, maar alle wapentuig en kogelvrije vesten gorden ze nu al om. In België ontbreekt nu eenmaal een plaats om te verkleden. Als Jan zijn jas even uittrekt om zijn kogelvrije vest aan te doen, voelt hij hoe koud het is in de loods.

Jan, Frans en Cor met Annemarie, Yvonne en Anneke tijdens de vakantie van 1977. Uit: Bloedgabbers
Jan, Frans en Cor met Annemarie, Yvonne en Anneke tijdens de vakantie van 1977. Uit: Bloedgabbers

Ze spreken af dat Cor op weg naar Brussel de Opel bestuurt, zodat Jan en Frans zich kunnen concentreren op de inbraak en hun handen vrij hebben om in de auto hun vermomming te voltooien. Frans pakt een grote zwarte kunststof koffer, Cor de kleine blauwe met daarin de Schmeisser machinepistolen. Jan neemt de canvas tas met inbrekersgereedschap en de harmonicaladder die nodig is om op het dak van de wapenhandelaar te komen. Ze zijn klaar. Het is even na half zes.

‘Brussel, we komen eraan!’

Doordat de accu door de kou minder geworden is, start de Opel Rekord moeizaam. Met de choke open laat Cor de motor even draaien, maar bij het optrekken stottert de auto alweer. In de bocht naar de Kometensingel hikt de Opel.
‘Sukkel. Rij toch eens normaal!’
‘De choke is uitgetrokken, ik kan er niets aan doen.’
‘Choke dan niet. Moet ik rijden?’ zegt Jan.
‘Doe normaal. Hij moet effe warm worden, meer niet.’ Cor stuurt de auto in de mist de Cornelis Douwesweg op om de snelweg te bereiken, maar daar stottert die verrekte Opel alweer.
‘Verdomme!’ roept Frans opeens. ‘Politie!’

‘Als je schiet, taaien ze wel af!’

Op het parkeerterrein van de scheepswerf NDSM staan twee Volkswagen Kevertjes geparkeerd.
‘Keren, Cor, maak dat we wegkomen! Dit kunnen we niet hebben!’ schreeuwt Frans, die aanvoelt dat de Opel al de aandacht getrokken heeft. Cor geeft op de Klaprozenweg al bijna vol gas, maar als Jan en Frans angstig achterom kijken, zien ze uit de mist al snel koplampen opdoemen. Ter hoogte van de NDSM-sportterreinen zitten de twee politieauto’s al zo dicht op de bumper van de Opel Rekord dat Jan de agenten kan onderscheiden.
‘Dit is een ramp! Dit kan niet, we zitten in ons oorlogstenue! We mogen ons niet laten pakken!’
Op het dak van het voorste Kevertje valt duidelijk in rood licht het signaal ‘Stop politie’ te lezen. De politieauto versnelt, terwijl de Opel nog maar net begint warm te draaien. Nog even en de jongens worden ingehaald.
‘Snij hem! Laat hem er niet naast komen!’ Cor rukt zijn stuur naar rechts en slaat de eerste poging van het Kevertje om langszij te komen af. De politieauto probeert het nog een keer via links, maar Cor is hem weer voor en de Kever heeft moeite om een boom te ontwijken. Cor slaagt erin wat afstand te nemen. De politieauto’s blijven echter goed in zicht.

Bij het naderen van het Mosplein maakt de Opel weer schokkerige bewegingen, het lukt Cor net een vluchtheuvel te ontwijken.
‘Schele klootzak. Let op wat je doet!’
‘Godverdomme, ik doe mijn best!’ schreeuwt Cor terwijl hij zijn bril steviger tegen zijn gezicht drukt. Frans wurmt zich ondertussen naar de achterbank om naast Jan te gaan zitten en kijkt angstig naar de naderbij komende koplampen.
‘Schiet dan! Als je schiet, taaien ze wel af!’ roept Cor.

De achtervolging op 16 oktober 1977. Foto’s van de auto’s met kapotgeschoten ruiten: de gehavende politie-Kever en de teruggevonden Opel Rekord waarin Jan, Frans en Cor reden. (Collectie Sjerp Jaarsma). Uit: Bloedgabbers
De achtervolging op 16 oktober 1977. Foto’s van de auto’s met kapotgeschoten ruiten: de gehavende politie-Kever en de teruggevonden Opel Rekord waarin Jan, Frans en Cor reden. (Collectie Sjerp Jaarsma). Uit: Bloedgabbers

Zijn twee vrienden hebben hun Brownings inmiddels in de handen. Frans slaat met zijn pistool de achterruit van de auto stuk. (Doe je dat niet en begin je meteen te schieten, dan springen je trommelvliezen stuk.) De eerste schoten worden gelost. Jan en Frans zien de voorruit van de voorste politie-Kever in matglas veranderen. Totaal versplinterd, in duizend stukjes. Als Jan een nieuw magazijn in zijn pistool laadt, ziet hij hoe een van de agenten een gat hakt in de verbrijzelde ruit. De politieauto’s gaan door, de tweede auto komt nu naar voren gereden.

‘Welke idioot houdt dit nu vol? Asjeblieft, ga toch weg,’ smeekt Jan. Bij het voorbijrazen van politiebureau Mosplein schreeuwt Cor dat er op hen geschoten wordt. Jan ziet een kogelgat in de linkerzijruit naast hem. Samen met Frans neemt hij de politieauto’s weer onder vuur. Op de Johan van Hasseltweg roept Frans de IJ-tunnel te nemen. Cor schiet de weg naar het centrum van Amsterdam op, maar ook daar gaat het vuurgevecht met de achtervolgende politie door. Op de weg voor hem ziet Cor in de tunnel een busje van de politie. Hij trekt zijn Browning en schiet net als Jan en Frans door de voorruit. De agenten die naast het busje staan duiken naar de grond.
‘Hou je handen aan het stuur!’ roept Frans. Jan voelt een zware klap op zijn linkerzij, alsof iemand hem met een hamer geslagen heeft. Hij is even stil. Er volgt een brandende pijn. Jan voelt aan zijn lichaam.
‘Ik ben geraakt!’ zegt hij dan.
‘Waar?’
‘Aan de zijkant.’ Hij voelt nog even en laat dan een hand vol bloed aan Frans zien. ‘In mijn heup.’
‘Doet het zeer?’
‘Het doet verschrikkelijk pijn,’ zegt Jan, maar hij heeft het te druk om zich daar nu zorgen over te maken.

De route van de schietpartij. Uit: Bloedgabbers
De route van de schietpartij. Uit: Bloedgabbers
Vanuit de IJ-tunnel slaat de Opel rechtsaf richting Centraal Station en vliegt bijna uit de bocht. Op de Prins Hendrikkade slaagt Cor erin zo’n honderd meter afstand te nemen. De jongens zien dat er nog maar een enkele Volkswagen Kever achter hen aan zit. Met nog slechts ‘één lastpost van de eerste orde op onze staart’ draait de Opel via de Oosterdokskade de Piet Heinkade op, richting Amsterdam-Oost. Jan en Frans lossen nog wat schoten in de hoop dat ook die ene politieauto de achtervolging opgeeft. De verlichting van de Opel Rekord is inmiddels uitgeschakeld en Cor rijdt met volle snelheid in dichte mist over het midden van de weg; één tegenligger en ze worden aan gort gereden.

Jan heeft nog voldoende tegenwoordigheid van geest om Cor erop te wijzen dat even verderop de lantaarnpalen op het midden van de weg staan. (Jan rijdt over deze weg een paar keer per week naar zijn ‘schoonmoeder’.) Cor gaat zonder tegenstribbelen weer op de rechter weghelft rijden en slaagt erin op de lange rechte weg weer wat meer afstand te nemen van de politie-Kever. Voor Frans aanleiding om te roepen dat Cor moet stoppen.
‘Dan kan Jan gaan rijden.’
Cors ogen laten hem in de mist in de steek. Bochten die bijna gemist worden, vluchtheuvels die op een haartje na ontweken worden – het gaat allemaal maar net goed. Het is ook het moment om een directe confrontatie met de wel erg koppige politie-Kever aan te gaan. Wanneer die het begin van Czaar Peterstraat nadert, staan de jongens klaar en schieten ieder een magazijn leeg op de politieauto. Jan ziet een agent uit de wagen rollen en laat hem dekking nemen tussen het spoor, de andere agent heeft zich verschanst in de auto. Die zijn we kwijt, denkt Jan en haastig draait hij de politieagenten zijn rug toe om achter het stuur van de Opel te gaan zitten. Dan voelt Jan weer een klap van een ijzeren hamer. Twee keer zelfs: een keer in zijn onderbeen en een keer in zijn onderrug. Onhandig ploft hij neer achter het stuur en wacht hij tot ook Frans en Cor zijn ingestapt.

‘De auto is doorzeefd met tientallen kogels, het interieur ligt vol met lege patroonhulzen’

Terwijl de auto met een lekke band slingerend optrekt, begint een van de agenten weer te schieten. Vanaf de achterbank leegt Frans nog een magazijn van een Browning op de politieauto en de hardnekkig doorvurende agent. Er klinken zuchten van verlichting wanneer het erop lijkt dat ze niet meer achtervolgd worden. Eindelijk, het schieten heeft ten slotte gewerkt.
‘Ik ben weer geraakt,’ zegt Jan.
‘Waar?’
‘In mijn bil, geloof ik, en in mijn been. Als ik geweten had dat die vent me in mijn rug wilde schieten, had ik hem kapotgeschoten.’
‘Doet het pijn?’
‘Ik hou het niet meer.’
‘Volhouden, Jan. We moeten deze auto kwijt.’ De stoel waarop Jan zit begint doordrenkt te raken met bloed en hij bibbert van de kou. Er moet snel een schuilplaats gevonden worden. Frans weet dat zijn stiefvader Harry Ploos werkt aan een woonboot, een oud binnenvaartschip dat aangemeerd ligt tegenover de Schellingwouderdijk. Maar als ze daar met hun kapotgeschoten Opel naartoe zouden rijden, zullen ze weinig aan die schuilplaats hebben. Daarom laten de drie voortvluchtige schutters hun auto achter onder een viaduct nabij Kamp Zeeburg. De lichtgroene Opel Rekord ziet er niet meer uit; voor en achter zijn de ruiten eruit geslagen, de auto is doorzeefd met tientallen kogels, het interieur ligt vol met lege patroonhulzen. Er ligt zo veel bloed in de auto dat de politie later spreekt van liters en vermoedt dat de bestuurder van de auto is overleden. Jan moet het laatste stuk naar de woonboot lopen en dat kan hij niet meer.

Krantenbericht in De Waarheid, 17 oktober 1977. Bron: Delpher
Krantenbericht in De Waarheid, 17 oktober 1977. Bron: Delpher
Onder het viaduct houden Jan, Frans en Cor een snelle vergadering. De kleine koffer met de Schmeisser machinepistolen erin moet meegenomen worden, de rest is verloren. Ze bestijgen de trappen naar de Schellingwouderbrug. Links en rechts ondersteunen Frans en Cor hun vriend. Boven op de brug is er door de mist nog geen veertig meter zicht. De jongens lopen in noordelijke richting en steeds wanneer er koplampen verschijnen, duiken ze plat op de grond. De aanwezige vangrail biedt beschutting.

Nadat ze zo wel tien keer op het fietspad hebben gelegen, bereiken ze de trappen die afdalen naar de Schellingwouderdijk. Jan is erg verzwakt en rilt door het bloedverlies. Beneden aan de trap zegt hij tegen Frans en Cor dat het genoeg is geweest.
‘Leg mij maar onder aan deze trap neer, ik haal het niet. Ik ben straks dood.’
‘Nee Jan, samen uit, samen thuis. Je bent onze vriend en daarmee basta. We gaan naar de boot. Even volhouden nog. Wakker blijven, Jan.’

Het schip waar Harry Ploos aan werkt is leeg. Soms slaapt de oude Harry aan boord, vandaag gelukkig niet. Het is er een rotzooitje en overal zwerft afval over de vloer. In het duistere vooronder van het binnenvaartschip ligt op een bank een matrasje, waar Jan uitgeput op neervalt. Frans bekijkt Jans wonden en begint een gordijn aan repen te scheuren. Het bloeden moet op de een of andere manier gestelpt worden.
‘Wat moeten we doen?’ begint Frans. ‘We zitten weer in Amsterdam-Noord.’
Jan is nog bij kennis en haalt zijn autosleutels tevoorschijn.
‘Frans, nu kan je laten zien dat je een goede langeafstandsloper bent. Haal mijn Mercedes op de Meteorenweg. Die staat voor de loods, dat weet je.’
Als Frans de deur achter zich sluit, opent Cor het blauwe kunststof koffertje met de twee machinepistolen erin. Nadat hij een magazijn in een van de Schmeissers heeft geklikt, legt hij het wapen naast Jan neer, het andere neemt hij zelf in handen.
‘Als ze hier komen, geven we ze de volle lading.’
‘Dat doen we, Flip.’ Even later verliest Jan het bewustzijn. Terwijl Frans over de straten en wegen van slapend Amsterdam-Noord rent op weg naar Jans auto, staart Cor in het duister met een geladen machinepistool op schoot, onzeker van wat komen gaat.

Jan ontwaakt weer als hij door Frans in een brandweergreep over de steiger naar de Mercedes wordt gedragen. Het bloeden is nagenoeg opgehouden, maar veel bloed heeft Jan niet meer over. Cor heeft snel over de achterbank van de auto een plaid uitgespreid; vlekken op de achterbank zouden als bewijs gebruikt kunnen worden. Cor en Frans schuiven Jan voorzichtig door het open portier naar binnen en daar gaat de gewonde bevend van uitputting en kou liggen.
‘Als ik niet zo’n goede conditie had gehad, was ik nu al dood,’ zegt Jan.
Via een route door Amsterdam-Noord, die alle plekken mijdt waar geschoten is en waar weleens politie zou kunnen staan, rijdt Frans naar de Coentunnelweg en zo terug naar zijn huis in de Bestevaerstraat. Daar neemt Cor Jan op zijn schouders en draagt hem op driehoog de woning van Frans en Yvonne binnen.

Het kistje met scalpels en de operatieklem die Frans en Cor bij een medische vakhandel in de P.C. Hooftstraat kochten. Met deze werktuigen probeert Frans in oktober 1977, zonder veel succes, de politiekogels uit Jans lichaam te verwijderen. Uit: Bloedgabbers
Het kistje met scalpels en de operatieklem die Frans en Cor bij een medische vakhandel in de P.C. Hooftstraat kochten. Met deze werktuigen probeert Frans in oktober 1977, zonder veel succes, de politiekogels uit Jans lichaam te verwijderen. Uit: Bloedgabbers

Yvonne is verbaasd wanneer zij de drie vrienden haar huis binnen ziet komen, maar Frans zegt op een toon die weinig discussie toelaat dat Jan een ongeluk heeft gehad. Ze is bezorgd, maar ze zwijgt. Even later wordt de deur van de slaapkamer voor haar neus gesloten als Jan op het echtelijk bed wordt gelegd. Omdat Jan nog steeds ligt te rillen van de kou draait Frans de radiator vol open. Het is hoog tijd om te bekijken hoe Jan eraan toe is. Frans en Cor beginnen hem uit te kleden en als zij het kogelvrije vest bij hem hebben uitgedaan, zien ze twee centimeter onder de kogelwerende plaat op zijn rug een perforatie. Ook op zijn been en zijn heup zitten verwondingen. Jan is bij kennis en kijkt naar zijn linker onderbeen, waar aan de voorkant een dikke bult onder zijn vel zit.
‘Die kogel moet eruit,’ merkt Cor op. Daar zijn de drie het snel over eens.
‘Heb je een scherp mesje in huis?’ vraagt Jan.
‘Een aardappelschilmesje is alles wat we hebben,’ zegt Frans.
‘Dat werkt niet, je moet opereren,’ zucht Jan. ‘Cor, rij naar de werkplaats, pak naast de slijpmachine het blikje met wet- en slijpstenen mee en kom dan meteen terug. We moeten opereren.’
‘Wil je dat hier gaan doen?’ vraagt Cor ongelovig.
‘Wil jij naar het ziekenhuis dan?’

Bloedgabbers - George Boellaard
Bloedgabbers – George Boellaard
Cor vertrekt in de Saab Turbo van Frans naar de Lindenstraat. Dan doet Yvonne de slaapkamerdeur open. Frans kijkt haar zwijgend aan en Yvonne gaat naast hem op bed zitten.
‘Wat is er gebeurd, Frans? Dat kan je me toch wel vertellen?’ Even gelaten als Frans het verhaal vertelt, hoort Yvonne het aan. Zo’n confrontatie met de politie heeft ze niet achter Frans en zijn vrienden vermoed. Het is bijna negen uur in de ochtend en Frans zet de radio aan. In Amsterdam heeft een gigantische schietpartij plaatsgevonden, horen ze de nieuwslezer vertellen. Tientallen schoten zijn daarbij op politieagenten afgevuurd.
‘Nogal licht uitgedrukt,’ mompelt Frans.
De politie meldt later dat uit onderzoek is gebleken dat er alleen al door de drie jongens 146 kogels zijn afgevuurd. Omtrent de redenen van de schietpartij tast de politie nog in het duister.
‘Dat waren wij,’ zegt Frans wanneer het nieuwsitem is beëindigd.

~ George Boellaard

Boek: Bloedgabbers. De criminele jaren 1977 – 1982 – George Boellaard
Ook interessant: Wij willen gangster worden

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Vorige verhaal

Overleven in de Kleine IJstijd

Volgende verhaal

Jesse James (1847-1882) – Amerikaanse outlaw

×