Ontbossing, landbouw en de expansie van de Vikingen
Succesvolle veroveringen kwamen het leenstelsel ten goede, en omgekeerd. Koningen schonken land in ingelijfde gebieden aan hun ridders en edelen en die leverden op hun beurt manschappen en wapens voor nieuwe veroveringstochten en oorlogen. Om zijn gezag in Engeland stevig te vestigen en meteen aan de weet te komen hoeveel belasting hij in totaal kon heffen, gaf Willem de Veroveraar – zoals hij bekend werd – opdracht tot een alomvattende inventarisatie van zijn nieuwe koninkrijk. Het resultaat was het vermaarde Domesday Book van 1086.

Onthutsend genoeg was destijds, naar het schijnt, al 85 procent van het Engelse platteland in gebruik als weidegrond voor gedomesticeerde dieren en als bouwland voor de teelt van gewassen. Om het graan dat op zo grote schaal geproduceerd werd, te malen, waren in 3000 dorpen en andere plaatsen in totaal ongeveer 5600 watermolens in bedrijf. Wat er in Engeland aan bosrijke gebieden resteerde, was in handen van enkelen; een groot deel ervan vormde koninklijk jachtgebied of was om andere redenen gereserveerd voor het hof – alweer een aanwijzing dat de ontbossing toen al ver was voortgeschreden.

In het begin van de negende eeuw konden zware ploegen op wielen, met verticale en horizontale ploegmessen en voortgetrokken door goed ingespannen paarden, voren trekken in stevige, kleiachtige grond. Het gevolg was dat het aantal akkers geweldig toenam. Toen bovendien de wisselbouw was ontdekt – het afwisselend bebouwen van een stuk land met verschillende gewassen –, waardoor de opbrengst van akkers verder kon worden opgevoerd, had zich een ware revolutie in de landbouw voltrokken. De gevolgen voor het milieu waren ingrijpend. Was van alle land in Europa in 500 na Chr. nog zo’n tachtig procent met bos bedekt, in 1300 gold dat voor minder dan helft.

Het proces werd nog versneld door de verbreiding van het christendom, het geloof dat gebaseerd is op de Bijbel waarin van Adam werd geëist dat hij het land bebouwde om boete te doen voor de zondeval in het paradijs. De heidenen vereerden bomen; het waren hun heiligdommen. Christenen deden dat niet. Monnikenorden als de benedictijnen (in 529 na Chr. in Italië gesticht) en de cisterciënzers (in 1098 in Frankrijk opgericht) zijn wel de ‘stoottroepen’ van de ontginning en de ontbossing genoemd.
Kloosters in Engeland, Frankrijk, de Nederlanden, Duitsland, Italië, Spanje en Portugal verspreidden niet alleen het woord van God, maar vergrootten ook de rijkdom van de kerk aanzienlijk door bomen te vellen en hun land voor akkerbouw te verpachten. Tussen 1098 en 1371 verrezen in Europa meer dan 700 cisterciënzer kloosters; elk ervan was een ‘basis voor ontginning en landbouw’ en paste zo een recept toe dat Karel de Grote al had aanbevolen: ‘Zorg ervoor dat mensen die voor die taak geschikt zijn, bos in handen krijgen om het te kappen en zo ons grondbezit te verbeteren.’

Meer voedsel betekende bevolkingsgroei. Het aantal mensen in Europa, in 1000 na Chr. al ruim 37 miljoen, was in 1340 verdubbeld tot 74 miljoen. Door de spectaculaire toename van de rijkdom, de voedselvoorraad en de bevolking groeide ook de behoefte om nieuwe gebieden te vinden die veroverd en gekoloniseerd konden worden.
De meest opzienbarende voorbeelden van die drang leverden de Vikingen. Doordat het klimaat warmer geworden en veel ijs in de oceaan gesmolten was, konden ze vanuit Noorwegen per schip IJsland bereiken, waar Ingólfur Arnarson in 874 een eerste nederzetting stichtte. Vanaf 982 gebeurde dat ook op Groenland. Volgens een IJslandse sage was het de Noor Erik de Rode die de naam Groenland in omloop bracht, omdat hij daarmee anderen naar dit eiland wilde lokken. De Vikingen waren zelfs de eerste Europeanen die aan land gingen in Noord-Amerika, waar Erik de Rode en zijn zoon in 1006 een dorp bouwden.
In 1960 ontdekten Noorse archeologen in L’Anse aux Meadows op de noordelijkste punt van Newfoundland resten van een Vikingdorp. Uit het bestaan van deze nederzetting, bijna vijfhonderd jaar vóór de oversteek van Columbus in 1492 gesticht, blijkt dat Vikingen als eersten hebben geprobeerd Amerika te koloniseren, al trokken ze zich om de een of andere reden al spoedig terug. Volgens een Vikingsage verging het de kolonisten bar slecht nadat ze geprobeerd hadden goede betrekkingen aan te knopen met de inheemse bevolking (die ze skraelings noemden). Daartoe hadden ze inheemse opperhoofden in hun dorp uitgenodigd voor een feestelijke dronk – van melk. Doordat er in Amerika geen gedomesticeerde dieren bestonden die melk gaven, konden de opperhoofden niet tegen lactose. Ze werden ziek, verdachten hun nieuwe buren van een poging tot vergiftiging en dreven hen terug naar zee.
26 jul 2012
Andere afleveringen in deze serie:
Op zoek naar het lichaam van Willem II van Holland
Medisch, magisch, of iets daar tussenin?
Pictland 554-795
Rijmkroniek van Klaas Kolyn