De Kerelopstand in Vlaanderen (1323-1328)

Identiteit- en klassenstrijd in de Middeleeuwen
/
12 minuten leestijd
2
De slag bij de Kasselberg van 23 augustus 1328 op een geromantiseerde Franse tijdschriftgravure uit 1886.
De slag bij de Kasselberg van 23 augustus 1328 op een geromantiseerde Franse tijdschriftgravure uit 1886.

Kassel, graafschap Vlaanderen, in de late oogstmaand van 1328. Sinds een week heeft een strijdmacht van ettelijke duizenden Vlaamse opstandelingen uit Veurne, Sint-Winoksbergen, Duinkerken, Poperinge en het Brugse zich stevig verschanst in het stadje en de heuvel waarop het ligt. Ze wachten het Franse koninklijke leger op dat onder aanvoering van de Filips VI vanuit Atrecht in het graafschap Artesië noordwaarts trekt om een punt te zetten achter een al vijf jaar durende rebellie in het Vlaamse graafschap en de opstandige contreien te straffen.

Het einde aan de Kasselberg

Op 20 augustus arriveren Filips VI en zijn legermacht in Kassel. Eerst gebeurt er drie dagen lang niets, op een aantal schermutselingen en provocaties na. Filips, die pas in mei is gekroond, wil geen herhaling van de Franse nederlaag tegen de Vlaams-Naamse strijdmacht tijdens de Guldensporenslag van 11 juli 1302. Hij verbiedt zijn ridders en soldaten om de rebellen op de goed versterkte Kasselberg frontaal aan te vallen. In plaats daarvan worden dorpen in het ommeland in brand gestoken en de inwoners gemolesteerd, met de bedoeling de Vlaamse strijders uit hun vesting te lokken als ze niet langer lijdzaam kunnen toezien hoe hun land in brand staat.

De rebellenaanvoerder Nicolaas Zannekin op een negentiende-eeuwse tijdschriftgravure.
De rebellenaanvoerder Nicolaas Zannekin op een negentiende-eeuwse tijdschriftgravure. Hoe de man er echt uitzag weet niemand. Volgens de overlevering verkende Zannekin voor de uitval van zijn strijders vanop de Kasselberg het Franse legerkamp waar hij binnenraakte door zich als visleurder voor te doen. Bron: Association Zannekin – Culture partagée et solidaire
Het plan lukt. In de namiddag van de snikhete dinsdag 23 augustus vallen drie colonnes Vlamingen de kampementen van het koninklijke leger aan. Aanvankelijk incasseren de koninklijke troepen rake klappen. Maar dan keren de kansen. De verbeten Vlaamse aanval wordt afgeslagen en stort in elkaar. Tegen de avond zijn de Vlamingen verslagen en zijn meer dan 3.300 van hun strijders gesneuveld. Onder hen ook twee belangrijke aanvoerders van de opstand, Winok de Fiere uit Sint-Winoksbergen en Nicolaas Zannekin uit Veurne.

Welvarende regio

De Kerelopstand, die ook de opstand van Kust-Vlaanderen wordt genoemd, duurde van het najaar van 1323 tot de zomer van 1328. Net als de noodlottige veldslag bij Kassel is de episode lang niet zo bekend als de grote Vlaamse Opstand van 1297-1305 en vooral de legendarische Guldensporenslag van 1302. Nochtans komen de oorzaken van de Kerelopstand voort uit de nasleep van de Guldensporen-opstand.

Kaart van het graafschap Vlaanderen
Kaart van het graafschap Vlaanderen in het begin van de veertiende eeuw. Het grondgebied van het graafschap komt ongeveer overeen met dat van de huidige Belgische provincies Oost- en West-Vlaanderen en van de noordoostelijke Franse regio van Duinkerken tot Dowaai (het huidige Douai). De rode stippellijn markeert de grens tussen het deel van Vlaanderen dat onderhorig was aan het Franse koninkrijk (‘Kroon-Vlaanderen’), en het deel dat in het invloedgebied lag van het Heilige Roomse Rijk en dus een leen van de Duitse kiezer was. Hoewel de kerngebieden van de Kerelopstand zich rond Veurne en in het Brugse ommeland bevonden, breidde de beweging zich snel uit naar andere delen van het graafschap. In de nazomer van 1325 hadden de rebellen op de één of ander manier de meeste Kroon-Vlaamse gebieden ten noorden van de Leie en een deel van het Waasland in handen.

Sinds het in 862 een volwaardig graafschap werd, was de voormalige Frankische gouw Vlaanderen onderhorig aan het Franse koninkrijk maar wist het door de tijd heen een vrij grote zelfstandigheid te behouden, ondanks verschillende pogingen om die te kortwieken of op te heffen. In het begin van de veertiende eeuw was het graafschap ‒ dat toen naar schatting 790.000 à 800.000 inwoners telde, gesitueerd was op een knooppunt van oude Romeinse en Frankische heerwegen en een rivierennetwerk rond de Schelde en Leie, en onder meer een bloeiende zeehaven en laken- en textielnijverheid had ‒ één van de meer welvarende regio’s van Europa. Dat had effecten op de maatschappelijke structuur van het gebied, zeker in de steden met hun machtige gilden.

Herstelbetalingen

Minder bekend is dat op de euforie van de overwinning op de Fransen bij de Guldensporenslag in 1302 ontnuchtering volgde door het vredesverdrag van Athis-sur-Orge van 23 juni 1305. Die overeenkomst maakte een einde aan de Frans-Vlaamse oorlog en de Franse bezetting, voorzag in algemeen pardon voor diegenen die aan de Vlaamse Opstand hadden deelgenomen, en herstelde de autonomie van het Vlaamse graafschap. Daar stonden echter heel vernederende voorwaarden tegenover, die waren opgesteld en aanvaard vanuit het besef dat het graafschap niet nóg eens een lange oorlog aankon. Zo werd een zware herstelbetaling opgelegd van 400.000 pond parisis plus een jaarlijkse boeterente van 20.000 pond voor de gederfde inkomsten tijdens de acht opstandjaren.

Het was van meet af aan duidelijk dat de betalingen verhaald gingen worden op de landbouwers, ambachtslieden en middengroepen. De koningsgezinde patriciërs, edelen, landbezitters en bestuurders ‒ de zogenaamde leliaards ‒ die tijdens de opstand van 1297-1305 gevlucht of verdreven waren moesten krachtens het vredesverdrag zo snel mogelijk terugkeren en hun eigendommen en posities terugkrijgen, maar dienden daarentegen niet bij te dragen tot de betalingen. Verder bepaalde het verdrag dat zo’n drieduizend prominente Brugse poorters op strafbedevaart moesten en de Franse koning in geval van oorlog soldaten en stadmilities uit het graafschap mocht opvorderen. En tenslotte werden de districten Rijsel en Dowaai in onderpand gehouden voor de correcte en stipte stortingen van de herstelbetalingen en boeten.

De grote markt van Veurne en de twaalfde-eeuwse Sint-Niklaaskerk op een Belgische ansichtkaart uit de jaren 1910. De kerk troonde al boven het landschap toen de stad het epicentrum was van de opstand van de polderkerels.
De grote markt van Veurne en de twaalfde-eeuwse Sint-Niklaaskerk op een Belgische ansichtkaart uit de jaren 1910. De kerk troonde al boven het landschap toen de stad het epicentrum was van de opstand van de polderkerels.

De terugkeer van de gehate leliaards ‒ een soort collaborateurs ‒ ging op diverse plaatsen gepaard met bloedige afrekeningen en moordaanslagen. Verschillende steden en burggraafschappen ‒ die overigens nooit waren geraadpleegd bij de vredesonderhandelingen ‒ weigerden te betalen. De schulden en confiscaties stapelden zich op, en vanaf 1310 kwamen ook de toenmalige Vlaamse graaf Robrecht III en zijn familie in het verweer en probeerden ze bij de koning een herziening van het verdrag en de boeten te bedingen. Er kwam een schuldherschikking, maar Rijsel en Dowaai werden in ruil prompt geannexeerd. In 1315 en 1316 kreeg de bevolking van het Vlaamse binnenland ook nog eens te kampen met misoogsten en voedseltekorten door erg regenachtige zomers.

Middelpunt Kust-Vlaanderen

Enkele jaren later, in september 1322, overleed graaf Robrecht III en manoeuvreerde de Franse koning Karel IV diens meer ‘handelbare’ kleinzoon Lodewijk I tot graaf van Vlaanderen. De nieuwe graaf, die opgegroeid was aan het Franse hof, had voor zijn aankomst in januari 1324 nooit een voet in ‘zijn’ nieuwe graafschap gezet. De plaatselijke realiteit en gebruiken waren hem dan ook totaal vreemd. Het eigenlijke bewind gebeurde door een procureur, een hoofdontvanger, een kring raadgevers en een kaste van edelen en patriciërs ‒ een soort burgerij ‒ met eigen rechterlijke macht en aanhang. Het beheer van de schulden van het graafschap, die al onder Lodewijks voorganger opgelopen waren tot meer dan anderhalf miljoen pond, kwam ook steeds meer in handen van Italiaanse bankiers.

Louis de Crécy (hier Ludovicus Cressiacus in het Latijn) die van 1322 tot 1346 graaf Lodewijk I van Vlaanderen was, op een afbeelding uit de Flandria illustrata van 1641.
Louis de Crécy (hier Ludovicus Cressiacus in het Latijn) die van 1322 tot 1346 graaf Lodewijk I van Vlaanderen was, op een afbeelding uit de Flandria illustrata van 1641.
In het najaar van 1323, na alweer een teleurstellende oogst, gebeurde het onvermijdelijke. Toen uitkwam dat grafelijke belastinginners zich op een aantal landelijke locaties schuldig hadden gemaakt aan corruptie en verregaande willekeur, ontplofte de jarenlang opgekropte verbittering en vernedering. In de districten van Veurne en Sint-Winoksbergen en in het westelijke en noordelijke Brugse ommeland braken onlusten uit en gingen de huizen en kasteelhoeven van gehate leden van lokale machtselites in vlammen op. Tegen oudjaar was het officiële gezag er ingestort en hadden de boeren eigen aanvoerders of hoofdmannen gekozen.

Dat de opstand van 1323-1328 begon onder de zogenaamde polderkerels van Kust-Vlaanderen is geen toeval. In de context van de Middeleeuwen heeft de term kerel een andere betekenis dan diegene die vandaag aan het woord wordt gegeven. Het komt van het Oudhoogduitse kærl, dat weliswaar letterlijk ‘man’ betekent maar ook een titel was voor een vrije man van ‘lagere’ sociale komaf. Meestal ging het om een boer die geen lijfeigene was en die in ruil voor trouw en steun aan een heer naar toenmalige normen veel rechten en vrijheden genoot. De zelfbewuste kerelstand was goed ingeplant in de polders van Kust-Vlaanderen, een gebied dat grofweg gesitueerd was tussen en Aardenburg en Grevelingen.

Die contreien waren pas vanaf de late tiende eeuw, veelal op initiatief van abdijen, ingepolderd en vervolgens bevolkt door kolonisten die in ruil voor vrijheden en land de gewonnen gebieden bewerkten en de dijken en waterwerken onderhielden. Na 1305 probeerde de adel echter een aantal rechten en vrijheden van de polderboeren in te perken. De polderkerels bedreven vooral veeteelt en groententeelt, waren niet zelden relatief welvarend en waren zich erg goed bewust van hun vitale rol in het voeden en bevoorraden van de steden.

Oproergezellen

Niet onbelangrijk, want in het begin van de veertiende eeuw woonde naar schatting meer dan één derde van de bevolking van het graafschap in steden, wat van Vlaanderen één van de meeste verstedelijkte regio’s in het laatmiddeleeuwse Europa maakte. Wat begon als een boerenopstand bleef ook niet beperkt tot de boerenstand. De polderrebellen kregen dra versterking van een deel van de moe-belaste ambachtslieden en van het volk uit steden als Duinkerke, Sint-Winoksbergen, Veurne, Poperinge, Ieper en Brugge, die evenzeer te lijden hadden onder de crisis, de fiscale druk en de opgelegde herstelbetalingen. Op een deel van de wevers van de stad na bleef enkel Gent trouw aan de graaf. Doordat edelen en patriciërs op de loop voor de rebellen vaak naar daar trokken werd de stad de basis van strafexpedities tegen de opstandelingen en de dorpen die hen steunden.

“Volgens de befaamde Belgische mediëvist Henri Pirenne streefden de rebellen, deels geïnspireerd door de ambachtsgilden in het steden, naar de vestiging van een landbouwdemocratie.”

Het oproer bedaarde tegen april van 1324 nadat graaf Lodewijk I de malversaties door de corrupte functionarissen erkende en er een aantal had laten ontzetten en straffen door een daartoe speciaal opgerichte onderzoekscommissie en rechtbank. Hij beloofde ook paal en perk te stellen aan de wantoestanden en gaf amnestie aan de opstandelingen. Toch bleven de klachten over ambtelijke malversaties en mishandeling van de bevolking door rancuneuze edelen binnenkomen. Toen de graaf ook nog eens terugkwam op de gemaakte beloften en ging beweren dat hij tot die toegevingen gedwongen was door de omstandigheden en de druk van het gepeupel, sloeg tegen de nazomer de vlam opnieuw in de pan.

Het nieuwe élan van de opstand was een stuk radicaler. Was de volkswoede in het begin vooral gericht tegen individuele lokale functionarissen en landheren, dan werden nu de maatschappelijke toplaag en de bevoorrechte standen zelf het mikpunt, en werd zelfs het bestaan van die standen aangevochten omdat ze volledig onbetrouwbaar en volksvijandig bleken te zijn. Naar toenmalige normen was dit ronduit revolutionair. Dit ging dus verder dan klassiek hongeroproer of fiscale revolte. De rebellen, hun achterban en hun verschillende hoofdmannen ‒ die in het Oudfrans li compagnons de l’esmeute of ‘de oproergezellen’ gingen heten ‒ kwamen nu ronduit op voor wat ze zagen als een meer legitieme en rechtvaardige maatschappelijke ordening.

Landbouwdemocratie

Volgens de befaamde Belgische mediëvist Henri Pirenne streefden de rebellen, deels geïnspireerd door de ambachtsgilden in het steden, naar de vestiging van een landbouwdemocratie. Ze kozen eigen hoofdmannen en hielden op eigen initiatief volksraden die wel wat weg hadden van de oude Germaanse thing-bijeenkomsten. Een andere veel voorkomende eis was de eeuwige verbanning van de heren en grootgrondbezitters die op het platteland leefden, omdat die vanuit hun versterkte kasteelhoeven hun woede om de vernederingen die ze tijdens de grote opstand van vijfentwintig jaar eerder hadden ondergaan, na hun terugkeer al te vaak op het gewone volk hadden gekoeld. Het land moest onder een akkerstelsel komen onder beheer van hen die het bewerkten. En middelen uit ingenomen belastingkantoren of van verjaagde of terechtgestelde leden van de elites werden herverdeeld onder de armen.

Meer ‘volksvriendelijke’ elites

Gedenkgrafsteen uit juli 1928 voor Nikolaas Zannekin (einde dertiende eeuw-1328), één van de voornaamste leiders van de opstand, aan de kerk van zijn geboortedorp Lampernisse tussen Veurne en Diksmuide. Zannekin sneuvelde in Kassel in 1328 en werd in de overlevering de verpersoonlijking van de Kerelopstand (CC BY-SA 3.0 – Zeisterre – wiki)
De opstand telde zeker een tiental leiders die elk een regionale achterban hadden. Eén van hen, Nicolaas Zannekin, ging in de latere overlevering het gezicht en de belichaming worden van de opstand van de polderkerels. De charismatische en welbespraakte Zannekin, die afkomstig was uit het dorpje Lampernisse bij Veurne en ook een tijd rond Brugge leefde, was net als de andere rebellenkopstukken geen pauper maar een relatief welgestelde polderboer. Hij had ongeveer 17 hectaren land in leen of in bezit en had werknemers in dienst. Zijn voorouders behoorden tot de kolonisten die het gebied hielpen inpolderen, en volgens sommige bronnen sneuvelde Zannekins vader in de Guldensporenslag.

Zannekin en de andere rebellenleiders streefden niet zozeer naar een soort communisme, maar eerder naar een graafschap waar alle boeren kerels konden zijn zoals zij, en waar nieuwe, meer ‘volksvriendelijke’ elites het roer zouden overnemen. In Sint-Winoksbergen en Hondschote waar Jacob Peyt hoofdman was kreeg de rebellie ook een uitgesproken antiklerikaal karakter. De kerkelijke hiërarchie, die vaak afkomstig was uit de adel en het patriciaat, werd immers aanzien als deel van een onderdrukkend systeem. Bovendien hadden de Frans-roomse bisschoppen in november 1325 op aandringen van de Franse koning een excommunicatie of kerkelijke banvloek uitgesproken over de rebellen en iedereen die hen steunde.

Tegelijkertijd bleven de meeste polderkerels en ambachtslieden die in de jaren 1320 de wapens hadden opgenomen of de rebellie op een andere manier steunden, oprecht het volks-christelijke geloof aanhangen. Ze kregen ook actieve steun van dorpspriesters en van minderbroeders, die vaak uit dezelfde sociale milieus als de boeren afkomstig waren. De opstandelingen spraken meestal (varianten van het) Middelnederlands, maar de eigenheid en de levenswijze voor dewelke ze opkwamen werd vooral bepaald door hun beroepsgroep en door de regio waarvan ze afkomstig waren.

Zicht vanop de Kasselberg met een ‘oude Vlaamse hoeve en zijn molen’ op een Franse ansichtkaart uit de jaren 1910. In deze streek eindigde de Kerelopstand in de oogstmaand van het jaar 1328. Kassel (Cassel in het Frans) ligt vandaag in het noordoosten van Frankrijk.
Zicht vanop de Kasselberg met een ‘oude Vlaamse hoeve en zijn molen’ op een Franse ansichtkaart uit de jaren 1910. In deze streek eindigde de Kerelopstand in de oogstmaand van het jaar 1328. Kassel (Cassel in het Frans) ligt vandaag in het noordoosten van Frankrijk.

Aanstekelijk voorbeeld

In mei 1328 trok een delegatie van de rebellen onder leiding van de Brugse burgemeester Willem de Deken naar Engeland om hulp vragen aan de Engelse koning Edward III. Maar die had de handen vol met een fractiestrijd binnen zijn hof, de Franse aanvallen vanaf zee op Engelse kuststeden en vooral met zijn veldtochten tegen de Schotten. De Franse koning en de feodale elites kregen echter nog om een andere reden koud zweet en rillingen door de toestanden in het noorden. In de baanherbergen, op de markten en via handelaars en rondtrekkende seizoenarbeiders deden dra verhalen over de Kerelopstand de ronde. En die begonnen elders in de Lage Landen aanstekelijk te werken.

“De repressie na de Vlaamse nederlaag in Kassel was dan ook grondig en onverbiddelijk.”

Zo braken er onder meer in het graafschap Artesië, in het bisdom Kamerijk en in het prinsbisdom Luik kleinere lokale boerenrevoltes uit waar de rebellen eigen hoofdmannen aanstelden. Ze werden ingetoomd of neergeslagen. Toch doemde het spookbeeld op van een kettingreactie van boerenrevoltes die misschien tot in het Franse hartland zou kunnen overslaan. De repressie na de Vlaamse nederlaag in Kassel was dan ook grondig en onverbiddelijk. Het stadje Kassel zelf werd in brand gestoken. Daarop gaf de ene na de andere Vlaamse stad zich over aan de graaf en moest elke stad gijzelaars leveren als borg voor de onderwerping.

Onverbiddelijke afstraffing

Een aantal ridders en edelen probeerden Filips VI over te halen om als represaille de districten Veurne en Duinkerke volledig plat te branden en de voltallige bevolking uit te moorden of te verbannen, maar daar weigerde de koning op in te gaan. Desalniettemin vonden in het daaropvolgende jaar talloze arrestaties en executies ‒ inclusief van ganse gezinnen en families ‒ plaats, werden de bezittingen van de strijders die bij Kassel vochten verbeurd verklaard en aan koninklijke gunstelingen en loyalisten geschonken, en werden een aantal aanvoerders die de pech hadden gevangen te worden genomen als voorbeeld publiek gemarteld en terechtgesteld.

Er kwamen nieuwe boetes bovenop de achterstallige betalingen uit de tijd van het verdrag van 1305, en Brugge, Ieper en Kortrijk verloren hun stadsprivileges, moesten tegen de lente van 1329 hun stadswallen slopen en grachten dempen en mochten niet langer zelfstandig accijnzen heffen. Een paar honderd rebellen vluchtten onder leiding van Seger Janszone naar Zeeland. In februari 1329 landden ze op de kust nabij Oostende in de ijdele hoop van daaruit de opstand voort te zetten, maar de inval werd teruggeslagen. De repressie, die geleid werd door speciaal aangestelde commissarissen, duurde tot 1331. Daarna werden het bestuur en de administratie van het graafschap door Lodewijk I hervormd en gecentraliseerd.

Culturele arrogantie en minachting, ‘eigen’ elites die meer verstrengeld zijn met externe, internationale belangen dan met de eigen volksbasis, het verlies van soevereiniteit, over-taxering, vooral het volk en de middengroepen laten opdraaien voor de kosten en lasten van internationale akkoorden, het moreel discrediteren en excommuniceren van wie zich durfde te verzetten… Het is nu al zevenhonderd jaar geleden en het vond natuurlijk allemaal in een compleet andere maatschappelijke en historische context plaats. Maar als men abstractie maakt van de oorzaken van de Kerelopstand, dan blijkt dit verhaal toch wel enige actuele relevantie te hebben.

~ Bruno De Cordier

Geraadpleegde literatuur

– Stéphane Curveiller. “Territorialité, institutions et sources fiscales en Flandre maritime au Moyen-Age”. Revue du Nord, № 79 (322), oktober-december 1997, pp. 897-919.
– Jacques Mertens. “Zannekin of de evolutie van het beeld van een volksheld”. De Franse Nederlanden, jaarboek, 1977, pp. 24-37.
– Jacques Sabbe. “Vlaanderen in opstand, 1323-1328: Nikolaas Zannekin, Zeger Janszone en Willem de Deken”. Genootschap voor Geschiedenis ‒ Vlaamse Historische Studies №7, Uitgeverij Marc Van de Wiele, 1993, 132 p.
– Sarah Smolders. “De opstand in Vlaanderen van 1323 tot 1328 vanuit Iepers perspectief – bijdrage tot de beeldvorming van een middeleeuwse stad”, onuitgegeven licenciaatsthesis, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Katholieke Universiteit Leuven, 2001, 103 p.
– William H. te Brake. “A plague of insurrection. Popular politics and peasant revolt in Flanders, 1323-1328”, The Middle Ages Series, University of Philadelphia Press, 1993, 170 p.
– Jules Viard. “La guerre de Flandre (1328)”. Bibliothèque de l’école des chartes. 83, 1922, pp. 362-382.

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
2 Reacties
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

Zwans, een verzet vermomd in humor

Hierna verschenen

John Cockerill – De keizer van de industriële revolutie