De onthoofding van de graven Egmont en Horne (1568)

4 minuten leestijd
Onthoofding van Egmont en Horne, 1568
Onthoofding van Egmont en Horne, 1568

Op 5 juni 1568 werden graaf Lamoraal van Egmont en graaf Filips van Horne op de Grote Markt van Brussel onthoofd, op bevel van de hertog van Alva. Deze executie, kort na de Slag bij Heiligerlee, was een belangrijk moment in de aanloop naar de Tachtigjarige Oorlog. De schrik zat er hierna flink in.

De graven Egmont en Horne
De graven Egmont en Horne
De slag bij Heiligerlee wordt vaak aangemerkt als het begin van de Tachtigjarige Oorlog, omdat op die dag de eerste overwinning op de Spanjaarden werd geboekt. Daarna zouden er overigens lange tijd geen overwinningen meer volgen. Voor Alva, de ijzeren hertog die na de Beeldenstorm door de Spaanse koning Filips II naar de Nederlanden werd gestuurd om orde op zaken te stellen, was de nederlaag in Groningen reden om keihard op te treden. Als vergelding liet hij op de Grote Zavel in Brussel op 1 juni 1568 achttien Nederlandse edelen onthoofden.

Arrestatie

Enkele dagen later moesten ook de graven Egmont en Horne plaats nemen op het schavot. De met Willem van Oranje bevriende edelen waren eerder door Alva’s Bloedraad al ter dood veroordeeld. De graven hadden zich, net als de Prins van Oranje, onder meer verzet tegen het beleid van Antoine Perrenot Granvelle, de aartsbisschop van Mechelen, die verantwoordelijk was geweest voor de invoering van de gehate inquisitie, die protestanten streng vervolgde. Per brief lieten ze Filips II weten uit de Raad van State te stappen als de kardinaal niet werd ontslagen. Ook werd hen zwaar aangerekend dat ze sympathiseerden met het Verbond der Edelen, dat zich verzette tegen de harde maatregelen van landvoogdes Margaretha van Parma en pleitte voor religieuze tolerantie.

De hertog van Alva arresteert Egmont en Hoorne tijdens een diner, september 1567. Pieter Christiaensz. Bor: Oorspronck, begin ende vervolgh der Nederlantsche oorlogen, 1621.
De hertog van Alva arresteert Egmont en Horne tijdens een diner, september 1567- Pieter Christiaensz. Bor

Het bekende Smeekschrift, waarin edelen officieel verzochten om matiging van de geloofsvervolgingen en afschaffing van de inquisitie, werd door de graaf van Egmont overigens ontraden. Wel pleitte hij, net als andere leden van de zogeheten Liga der Groten, voor een milder beleid ten opzichte van protestanten – iets wat hem door de hertog van Alva zwaar werd aangerekend. Koning Filips II liet vanuit Spanje aanvankelijk weten bereid te zijn tot enige verzachting van de maatregelen, mits het Verbond der Edelen werd ontbonden en de edelen zich volledig zouden inzetten voor het behoud van het rooms-katholieke geloof. Toen de Beeldenstorm uitbrak en de edelen werden opgeroepen de orde te herstellen, weigerden verschillende van hen echter, onder wie Willem van Oranje en de graven van Egmont en Horne. Zij vonden dat de koning onvoldoende concessies had gedaan.

Die koning ontving vervolgens een schrijven van zijn landvoogdes waarin deze waarschuwde dat de edelen van plan zouden zijn de macht te grijpen om vervolgens de Augsburgse Confessie (de lutherse geloofsbelijdenis) in te voeren.

Laatste brief van Lamoraal van Egmont aan Filips II
Laatste brief van Lamoraal van Egmont aan Filips II

De hertog van Alva, die door de koning naar de Nederlanden was gestuurd om de orde met harde hand te herstellen, liet de twee graven tijdens een diner arresteren. Willem van Oranje was op dat moment het gebied al ontvlucht, anders was hij hoogstwaarschijnlijk ook opgepakt. Na hun arrestatie werden Egmont en Horne opgesloten in het Spanjaardenkasteel in de stad Gent. Hun proces verliep dubieus. De graven ontvingen bijvoorbeeld geen pen en papier om zich te verdedigen en werden nauwelijks in de gelegenheid gesteld te overleggen met hun advocaat. De secretaris van Egmont werd bovendien op de pijnbank gelegd in de hoop zo informatie los te krijgen over politieke geheimen van zijn meester.

Majesteitsschennis

Standbeeld van Egmont en Horne op de Kleine Zavel, Brussel
Standbeeld van Egmont en Horne op de Kleine Zavel, Brussel (CC BY-SA 4.0 – Ad Meskens – wiki)
Egmont en Horne werden beiden beschuldigd van hoogverraad en majesteitsschennis, waardoor al snel duidelijk werd dat hen een doodvonnis wachtte. In het kamp van de Spanjaarden was men van mening dat de graven veel te tolerant waren geweest voor de opstandelingen. In werkelijkheid waren de edelen niet volledig op de hand van de protestanten. De graven waren bijvoorbeeld net als de Spanjaarden zwaar ontstemd over de vernielingen die de Beeldenstormers aanrichtten in de katholieke heiligdommen.

December 1567 werd het doodvonnis uiteindelijk toch uitgesproken. Met name Egmont had tot aan zijn dood goede hoop dat hem uiteindelijk gratie zou worden verleend, maar na de Slag bij Heiligerlee had Alva besloten dat ook zijn hoofd moest rollen. Samen met Horne werd de graaf op 5 juni 1568 overgebracht naar de Grote Markt. Onder toeziend oog van een grote mensenmassa werden de bevriende graven daar vervolgens onthoofd. Hun dood leidde tot grote protesten onder de bevolking. Alva had de toon gezet.

De laatste brief van Lamoraal van Egmont aan Filips II

Sire,

Vanmorgen heb ik het vonnis vernomen dat op uw bevel tegen mij is uitgesproken. En hoewel het nooit mijn bedoeling is geweest om iets te doen of te zeggen tegen Uwe Majesteit, of tegen Uw dienst, noch tegen onze ware, oude en katholieke godsdienst, weet ik dat ik nu lijd onder hetgeen God behaagt. Dat aanvaard ik in nederigheid. Tijdens deze onrustige tijden gaf men soms het advies om dingen te doen die anders leken, maar dit was steeds vanuit een oprechte en goede bedoeling, in dienst van God en van Uwe Majesteit.

Ik smeek Uwe Majesteit om medelijden te hebben met mijn arme vrouw, kinderen en dienaren, en ik beveel hen in uw bescherming aan.

Ik geef mij over aan Gods barmhartigheid. Te Brussel, bereid om te sterven op 5 juni 1568.

Ondertekend,
Uw zeer nederige vazal en dienaar,

Lamoraal van Egmont

Vrije vertaling

Bronnen

×