‘Door onanie tot pygméën gekrompen’

Serie: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen ‘opbeuren’ uit de ‘zedelijke verbastering’ waar zij door hun jarenlange armoede in terecht gekomen waren. Zij stichtte van 1818 tot 1825 de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans en Veenhuizen. Wil Schackmann schreef over die koloniën van weldadigheid vier boeken: De proefkolonie, De bedelaarskolonie, De kinderkolonie en De strafkolonie. Dertien weken lang publiceert hij op deze plek Verhalen uit de koloniën, afkomstig uit die boeken en uit het restmateriaal.


Eene heimelijke visitatie der jongenshemden

De jongens in het wezengesticht in de kolonie Veenhuizen zijn niet groot. Diverse bezoekers verwonderen zich hoe ‘klein van gewas’ ze vaak zijn. Ook in vergelijking tot andere koloniebewoners, de kolonistenzonen uit de vrije koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord zijn gemiddeld zo’n zeven centimeter langer en de zonen van de militaire veteranen die in Veenhuizen wonen steken gemiddeld tien centimeter boven de weesjongens uit.

Dat er veel onderdeurtjes zijn blijkt vooral bij de keuringen voor de militaire dienst, waar je ‘ééne el vyf honderd zeventig strepen’, oftewel 1,57 meter lang moet zijn om goedgekeurd te worden. Bij een keuring in 1848 waar veertig weesjongens naartoe waren gegaan, ‘was er niet één welke de vereischte maat konde bereiken’. Volgens de Maatschappij van Weldadigheid komt het door het gebrek dat de kinderen geleden hebben vóór ze naar de kolonie kwamen, volgens buitenstaanders zal de voeding in het etablissement ook een rol spelen.

Gekrompen

Eén bezoeker heeft een andere verklaring. Dominee Ottho Heldring laat weten dat hij te Veenhuizen met eigen ogen honderden jongens heeft gezien die ‘door onanie tot pygméën gekrompen’ waren. Met ‘onanie’ bedoelt hij masturbatie. Zijn waarnemingen krijgen de nodige publiciteit en verontrusten de landelijke leiding van de koloniën.

‘Er is een gerugt uitgegaan,’ schrijft zij maart 1849 aan de directeur, ‘dat de jongens in het eerste Gesticht Veenhuizen zich vrij algemeen aan zelfbevlekking schuldig maken.’ Ze verlangt van de directie maatregelen ‘om die ondeugd tegen te gaan en te trachten uitteroeijen’.

De directeur weigert hardnekkig het bij de naam te noemen als hij rapporteert over zijn maatregelen tegen…

‘dat, wat UwHoogEdG bedoelen, als hetwelks, volgens gerucht, zoo algemeen onder de jongens zou bestaan’.

Hij vraagt zich af of de inrichting wel blaam treft en of het niet eerder voortkomt uit hun voorafgaande eerste opvoeding en door ‘afstamming van hoogst zinnelijke ouders’, maar hij wil wel uit laten zoeken of het zo wijdverspreid is als wordt beweerd. Daarom geeft hij de geneesheer opdracht tot ‘eene heimelijke visitatie der jongenshemden van eene week tijds in de wasscherij’. Dat gebeurt eind april 1849. Er worden door de arts 631 hemden onderzocht en vijftig daarvan ‘droegen het kenmerk’. Omdat bij de weeskinderen het weesnummer in elk kledingstuk is genaaid, weet men ook wie die vijftig jongens zijn.

‘Afschuwelijk kwaad’

De meeste eigenaren van die hemden zijn zestien jaar of ouder, er is geen noemenswaardig verschil in aantallen tussen de diverse zalen en verder blijken op dit gebied de protestanten en de katholieken elkaar volledig in evenwicht te houden.

Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van Weldadigheid
Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van Weldadigheid
Al met al valt het zowel de directie als de landelijke leiding nog mee, maar toch komt er een discussie op gang over de methoden om ‘dit afschuwelijke kwaad’ te beteugelen. Volgens de geneeskundige dienst is het een goed idee om ‘de zoodanigen het geheele of gedeeltelijke koude bad of koude begietingen toetedienen’. De directeur overweegt zelfs hun de mogelijke gevolgen duidelijk te maken door hen ‘te wijzen op een lijk van zoodanig een, dat niet zelden voorvalt’. Maar het meest algemeen is de steun voor het idee om ze lichamelijk bezig te houden en moe te maken.

Het voornemen is om op de binnenplaats van het gesticht ‘eenige gymnastische werktuigen’ op te stellen die na afloop van de school- en werkuren onder toezicht benut kunnen worden. Iedereen ziet hierin het beste middel om zelfbevlekking krachtdadig te bestrijden. De landelijke leiding stelt twaalf gulden ter beschikking voor ‘den aankoop der toestellen van hout en touwwerk’ en geeft een onderwijzer loontoeslag ‘voor het geven van onderrigt in de Gymnastie’.

En verder zal het moeten komen van vermaningen door leidinggevenden en geestelijken. De betreffende vijftig jongens kunnen er op rekenen er meer van te horen. ‘Ze zijn nu bekend en zullen op eene gepaste wijze daarover onderhouden worden.’

~ Wil Schackmann

Reeks: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
Ook interessant: Van wees tot werkpaard: de Kinderkolonie
Overzicht van boeken van Wil Schackmann


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister