Onze voormalig kolonie Indië en het huidige Indonesië staan momenteel volop in de belangstelling omdat Adriaan van Dis met zijn Van Dis in Indonesië wekelijks op de tv te zien is. In deze tv-serie wil Van Dis vooral laten zien wat de erfenis van de vroegere Nederlandse aanwezigheid in het hedendaagse Indonesië is, in de taal, de politiek en vooral de godsdienst. De aanwezigheid van het Christendom, daar ooit gebracht door onder andere de Nederlanders, zorgt nog steeds voor veel onlusten tussen de moslims (het grootste gedeelte van de bevolking) en de christenen.

Op dat moment stonden de positieve ontwikkelingen ten aanzien van zending en scholing van de bevolking in Indië op een hoogtepunt. Koningin Wilhelmina had in haar troonrede twintig jaar eerder gehamerd op de zogenaamde ‘ethische politiek’: men had een zedelijke roeping te vervullen want alleen zo zou het profijt van het bezit van onze kolonie nog langer te verantwoorden zijn. Het ontwikkelingspeil van de inheemse bevolking moest dus omhoog. Dit diende vooral te gebeuren door ze in contact te brengen met Europese beschaving. Ernst en Henny werkten hier hard aan mee: Ernst preekte en doopte niet alleen maar richtte ook een grote jeugdvereniging en enkele scholen op, Henny gaf vooral les aan de vrouwen en de meisjes.


Ernst maakte verdere carrière en in 1935 kreeg hij de hoogst mogelijke functie toebedeeld: hij werd predikant op Java, in Batavia, de hoofdstad. Daarna werd hij beroepen in Medan, op Sumatra en maakte hij deel uit van een levendige gemeente ‘het predikantencorps van Medan’. De familie genoot volop van het koloniale leven op de Mangalaan in hun luxe villawijk waar alleen maar Hollanders woonden.
In 1941 brak echter ook in de Indische archipel de oorlog uit en werden alle Hollanders geïnterneerd in kampen. Leny kwam met haar drie kinderen in een vrouwenkamp terecht en Ernst in een mannenkamp. Allebei bleven ze werken: Ernst kreeg toestemming om in andere kampen te preken en ook Leny trok volle ‘zalen’ met haar diensten voor moeders en kinderen.

Toen de oorlog voorbij was in augustus 1945 bleek niets meer hetzelfde. Op de Mangalaan moest de familie hun huis delen met zeven andere gezinnen. De opstand onder jonge Indonesiërs (Bersiap!) brak uit en de familie wilde niets liever dan terug naar Nederland.
Voor mijn boek Mangalaan 27 verrichtte ik onderzoek, zowel in Nederland als in Indonesië. Ik raadpleegde vele archieven en sprak met betrokkenen. Van Mischa de Vreede, de dochter van Ernst en Leny, ontving ik een kist vol met documenten en brieven waardoor dit boek een zeer persoonlijk verhaal bevat. Het geeft niet alleen een kijk in de – nog vrij onbekende – kerk- en zendingsgeschiedenis van onze voormalige kolonie maar ook in het leven van jonge mensen die vol verwachting begonnen aan een bijzondere levenstaak.
Gepubliceerd op 30 maart 2012
‘Doe-Boek’ maakt praten over Nederlands-Indië makkelijker
Pater Joop Beek: de wajangspeler die in Jakarta aan veel touwtjes trok
Feesten voor de VOC
Ethische politiek in Indië móést wel stranden