Een Portugees-Joodse familiegeschiedenis

De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond er in Nederland een zogenoemde ‘Aktie Portugesia’ plaats: Sefardische Joden, afkomstig van het Iberisch schiereiland, probeerden aan te tonen dat zij gezien hun geschiedenis niet als Joden betiteld dienden te worden én cultureel gezien creatief waren. Het doel was om zo de concentratiekampen te ontlopen. Hun argument was dat hun voorgeslacht zich in het verleden met christenen ‘gemengd’ had.

Jaap Cohen
Jaap Cohen
Aan de hand van de lotgevallen van de Joods-Portugese familie van Eli d’Oliviera (1886-1944) diept historicus Jaap Cohen, verbonden aan het NIOD, de zogenoemde ‘Aktie Portugesia’ uit in het knap geschreven boek De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliviera (Querido Uitgeverij, 2015). Het boek is de handelseditie van het proefschrift waarop hij op 27 mei 2015 cum laude promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam.

Cohen gaat in het eerste gedeelte uitvoerig in op de geschiedenis van het voorgeslacht van Eli d’Oliviera, de hoofdpersoon uit het boek die tijdens de Tweede Wereldoorlog woonachtig was aan de De Lairessestraat 121 in Amsterdam-Zuid. In deel twee staan Eli d’Oliviera (en zijn gezin) zelf centraal, gevolgd door het derde deel dat inzoomt op de ‘Aktie Portugesia’ tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deel vier gaat over de verwerking van de Holocaust en het doorvertellen van de oorlogsverhalen aan volgende geslachten in de periode 1945 tot heden.

‘Aktie Portugesia’

Nochem de Beneditty. Bron: www.communityjoodsmonument.nl
Nochem de Beneditty. Bron: www.communityjoodsmonument.nl
De Joods-Portugese gemeenschap in Nederland begon zich in de loop van 1942 te richten op wat bekend is komen te staan als de ‘Aktie Portugesia’, een initiatief van Nochem de Beneditty, M.S. Vaz Diaz en Bert Nienhuis. De drijfkrachten achter deze actie probeerden niet alleen te bewijzen dat ze oud-christelijke voorouders hadden, ook legden ze de nadruk op het feit dat hun kringen veel artsen, kunstenaars en filosofen hadden voortgebracht. Deze excellente professionals, zo onderstreepten ze, werden ook in niet-Joodse kringen hoog gewaardeerd:

- advertentie -

“Door zich te laten voorstaan op hun befaamde culturele kwaliteiten, gingen ze op een bijzondere manier in tegen de bekende naziretoriek, die Joden slechts als een gesloten, op geld gefixeerde bevolkingsgroep deed voorkomen. Bovendien legden niet alleen individuen als Eli d’Oliviera de nadruk op culturele kwaliteiten: een speciaal comité van Portugezen zorgde ervoor dat er ook allerlei rapporten werden geproduceerd die de kwaliteiten van de Nederlandse Sefardiem als collectief aantoonden. Impliciet was de boodschap van deze ‘Aktie Portugesia’ steeds dezelfde: de Portugese Joden in Nederland vormden een volstrekt unieke bevolkingsgroep, die absoluut niet op één hoop kon worden gegooid met de veel grotere groep van Asjkenazische Joden. Hoewel ze het niet met zoveel woorden schreven, was het argument duidelijk: de Sefardiem waren superieur aan de Asjkenaziem.” (14)

Kaltenbrunners ‘evacuatieproces’

Ernst Kaltenbrunner
Ernst Kaltenbrunner
De groep van ‘Aktie Portugesia’ zou, zo hadden in het voorjaar van 1943 de nazi’s Hanns Rauter en Wilhelm Harster aangegeven, een persoonlijk keuring krijgen om te bezien of ze ontzien konden worden van deportatie, hun Jodenster konden kwijtraken, en – zo deden de geruchten in Joods-Portugese kringen – wellicht naar Portugal mochten emigreren. De inspectie van de groep Portugezen vond op 20 februari 1944 plaats. Niemand minder dan SS-Obergruppenführer Ernst Kaltenbrunner bemoeide zich met het uiteindelijke besluit van de nazi’s om de Portugezen ‘gewoon’ te laten deporteren:

“Op 3 februari 1944, twee dagen na de Portugezenrazzia, had Erich Naumann, de opvolger van Wilhelm Harster als SD-chef in Nederland, een telegram gekregen van Ernst Kaltenbrunner, de SS-generaal die functioneerde als hoofd van het Reichssicherheitshauptamt van het gehele Derde Rijk. Hem was ter ore gekomen dat de Nederlandse Sefardiem buiten de deportaties werden gehouden omdat zij geen ‘echte’ Joden zouden zijn. Welnu, die opvatting kon Kaltenbrunner niet delen. Ook vanuit rassenkundig standpunt ging het bij de Sefardiem volgens hem zonder enige twijfel om Joden; ze zagen er alleen zuidelijker uit dan hun rasgenoten. Hij verzocht dan ook om deze Sefardische Joden onmiddellijk in het ‘evacuatieproces’ op te nemen.” (442)

‘Bewariërs’

De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira - Jaap Cohen
De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira – Jaap Cohen
Toen Nederlandse Joden die de Holocaust overleefd hadden na de bevrijding terugkeerden naar hun voormalige huizen, bleken hun woningen vaak te zijn ingepikt door andere mensen. Net als overigens hun persoonlijke bezittingen. Bewariërs waren het, in de woorden van Cohen. Dit overkwam bijvoorbeeld Elsa d’Oliviera, de dochter van Eli:

“Na terugkomst uit Westerbork kon ze niet meer terecht in haar ouderlijk huis in de De Lairessestraat 121; er woonden nu andere mensen. En Elsa’s spullen die nog op haar kamer hadden gestaan, die waren weg. Ze miste bijvoorbeeld een jurk die haar vaste naaister voor de oorlog speciaal voor haar had gemaakt, totdat ze op straat een vrouw erin zag lopen. Hoewel het niet in de lijn van haar karakter lag, deed Elsa niets. ‘Wat kon je doen?’, zei ze er later over. Veel ‘bewariërs’ gaven de Joodse goederen die ze in de oorlog tot zich hadden genomen nooit meer terug. Elsa stond machteloos.” (490)

~ Enne Koops

Bestel dit boek bij:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: