Tot nu toe hebben we het vooral over mannen gehad. Door gebrek aan informatie blijven de vrouwen verborgen in de schaduw van het verleden. Wie waren Anna, Aleida, Machteld, Dieuwertje, Elisabeth, Annetgen en Joostken?

Lezers van mijn historische romans merken wel eens op dat mijn vrouwelijke hoofdpersonen erg zelfstandig en eigengereid zijn, en daardoor modern overkomen. Nou, ze wáren ook zelfstandig en eigengereid. Natuurlijk, de tijd waarin ze geboren werden, legde hun beperkingen op die vrouwen tegenwoordig niet meer hebben, maar zeker in vergelijking met andere landen had de Nederlandse vrouw veel vrijheid. Mensen uit omringende westerse landen verbaasden zich daar dan ook over. Bij hen werden vrouwen een stuk korter gehouden. Nederlandse vrouwen waren in hun ogen vrijmoedig, op het brutale af. Als mannen met elkaar in gesprek waren, trokken ze zich niet bescheiden terug, maar ze schoven aan en praatten mee. Niet zelden voerden ze het hoogste woord, zonder dat ze gecorrigeerd werden door hun echtgenoot. Dat bracht de Engelsman Fynes Moryson in 1593 tot de, hertaalde, uitspraak:
De vrouwen in dit gedeelte [van de wereld] kunnen meer dan alle anderen van onnatuurlijke dwingelandij over hun mannen worden beticht.
Hij voegde eraan toe dat hij had gehoord dat…
…een gerechtsdienaar een man heeft gedagvaard zodat deze rekenschap kon geven, omdat hij zijn vrouw had geslagen.
Vrouwen in bedrijf
Vrouwen regelden bedrijfszaken met hetzelfde gemak als het huishouden. Handeldrijven was niet alleen de taak van de man, zijn vrouw had daar ook een zeer actieve rol in. Het kwam zelfs voor dat vrouwen, als hun echtgenoot verhinderd was, in hun eentje op zakenreis gingen. Admiraal Michiel de Ruyter liet de bevoorrading van zijn schepen over aan zijn vrouw Anna van Gelder, en Joost van den Vondel zat te schrijven terwijl zijn vrouw Maaike de Wolff in hun kousenwinkel in de Warmoesstraat stond. Ook in de schilderkunst kennen we vrouwen die als meester-schilder in de gildeboeken stonden ingeschreven, bijvoorbeeld de Leidse Judith Leyster en de Alkmaarse Isabella Bardesius. Dat was in andere landen uitgesloten.

In de praktijk zal het wel meegevallen zijn met die volgzaamheid, als we de verhalen uit die tijd mogen geloven. In een land dat zo sterk afhankelijk was van de handel als Nederland was een deemoedige, onmondige echtgenote helemaal niet praktisch. Kooplieden hadden hun vrouw hard nodig als partner in het familiebedrijf. Betaalde arbeidskrachten konden je in de steek laten of bedriegen, van een echtgenote kon je op aan.
Om die reden kregen vrouwen alle vrijheid die ze wilden. Het was zelfs bij de wet geregeld. Een ‘openbare koopvrouw’ werd ze dan genoemd. In die positie had de vrouw stilzwijgend toestemming van haar man om handel te drijven tenzij hij haar dat expliciet verbood, bijvoorbeeld als een vrouw geen zakelijk inzicht had of gemakkelijk schulden maakte. Maar over het algemeen waren alle vrouwen door die wet automatisch handelingsbekwaam. Uiteindelijk zullen er niet veel vrouwen zijn geweest die zo ondernemend waren om een eigen bedrijf op te zetten. Wat wel vaak gebeurde was dat de echtgenote na de dood van haar man de leiding van het bedrijf overnam. Ze nam dan een meesterknecht in dienst, die de zaken op de werkvloer regelde.
Weduwen hadden een aparte status. Een voogd hadden ze niet meer nodig, ze stonden zelf aan het hoofd van het huishouden en hadden alleen in juridische zaken mannelijke bijstand nodig. Zo’n zelfstandige weduwe was Elisabeth van den Berg, die bekendstond onder de naam Lysken Becx en vermoedelijk in 1552 in Helmond geboren was. Samen met haar man Jan dreef ze herberg De Wilde Man in Helmond. Na zijn dood ging ze niet bij de pakken neerzitten, maar zette ze de zaak in haar eentje voort.
Zo heeft de zestiende eeuw heel wat eigenzinnige vrouwen gekend. Maeijken Joosten bijvoorbeeld, die lesbisch was en dolverliefd op de Leidse Bertelmina Wale. Dat kon natuurlijk niet in die tijd, en dus verkleedde Maeijken zich als man en noemde ze zich Abraham Joosten. In maart 1606 ging ze met Bertelmina in ondertrouw, maar het bedrog kwam uit. De officier eiste de verdrinkingsdood voor Maeijken, maar dat ging de schepenen net iets te ver. Ze werd gegeseld en verbannen uit Leiden en omgeving. Hoe het met haar verloofde afliep is niet bekend.

Stadsheldinnen
Een verhaal apart zijn de stadsheldinnen. Het bekendste voorbeeld daarvan is de al eerder genoemde Kenau Simonsdr. Hasselaer, die tijdens het beleg van Haarlem haar seksegenoten aanspoorde de wapens op te nemen. Ook in het dagelijks leven wist Kenau precies wat ze wilde. Haar echtgenoot, Nanning Gerbrantsz Borst, had een scheepstimmerwerf. Na zijn dood in 1562 nam Kenau de zaak over. Blijkbaar hadden de klanten alle vertrouwen in haar leiding en kunde, want de bestellingen voor nieuwe schepen gingen gewoon door. In januari 1573 leverde ze hout aan het stadsbestuur van Haarlem voor de bouw van een galei die gebruikt werd om strijd te voeren tegen de Spanjaarden.
Alkmaar had zijn eigen Kenau, in de persoon van Trijn Rembrants. Ze werd in 1557 geboren en op zestienjarige leeftijd streed ze dapper mee tegen de Spanjaarden, die Alkmaar belegerden. In 1661 noteerde de zeventiende-eeuwse geschiedschrijver Petrus de Lange het verhaal van Trijn, dat hij via overlevering kende:
De vrouwen waren zo moedig als de mannen, die alles met grote nijverheid aandroegen. Ja, een jonkvrouw van omtrent 16 jaren, Trijn Rembrants, heeft de anderen een moed onder de ribben gestoken, en als een man naast velen gestreden.

In Utrecht wordt Trijn van Leemput geëerd met een standbeeld op de Zandbrug, in de buurt van haar huis op de Oudegracht 17. Op de sokkel van het beeld staat:
Dit is ’t beeld van Leemputs vrouw, die moedig heeft gedaan, dat burger noch soldaat, in Utrecht heeft bestaan.
Op eerste vrouwelijke premier van Nederland blijft het nog even wachten
De eerste vrouwen aan de Belgische universiteit
Vrouwen vanwege ‘wispelturigheid en emotionaliteit’ ongeschikt voor politiek
Joke Smit – Nederlandse feministe