Ooit zijn er zulke aardbevingen en epidemieën geweest, of tirannen en keizers met zulke onverwachte carrières, die haast nog niet eerder zijn vastgelegd. Sommigen van hen regeerden geruime tijd, voor anderen was de macht van korte duur; nauwelijks hadden weer anderen de titel en de vluchtige eer gekregen of ze werden afgezet. In een periode van zestig jaar had het Romeinse rijk meer heersers dan ooit.Herodianus, midden derde eeuw

Domitianus was een van de vele gemankeerde keizers die het maar een paar weken volhielden. De regeerperiode van Gallienus was het langst, als we de zeven jaar coheerschappij met zijn vader bij zijn acht jaar alleenheerschappij optellen. Anders vormen de negen jaar van Postumus de langste regeerperiode van een keizer zonder een collega, zij het over slechts een deel van het rijk. Zowel Gallienus als Postumus kwam om door een samenzwering van zijn eigen hoge officieren en stafleden. Dat was verreweg het meest gebruikelijke lot van zowel lang regerende keizers als kortstondig opererende coupplegers.

Grote verandering
De ‘Crisis van de derde eeuw’ is meestal pikzwart afgeschilderd. Het was een tijd waarin de Romeinen keer op keer door nieuwe, sterkere buitenlandse vijanden verslagen werden. Perzische legers veroverden Antiochië, Gotische zeerovers plunderden Griekenland en Klein-Azië en andere barbaren staken de grens over om naar Gallië, Italië en Spanje door te stoten. Jarenlang hadden de koningen van Palmyra een groot deel van het oosten onder hun gezag, en de westelijke provincies scheidden zich af onder het bewind van een lange reeks keizers. In grote gebieden brak ook de pest uit, die qua heftigheid en aantallen slachtoffers misschien wel te vergelijken was met de epidemie uit de tijd van de Antonijnen. Tegelijkertijd stortte de economie in omdat achtereenvolgende keizers de munt devalueerden om hun oorlogen te bekostigen. De maatschappij veranderde ook, waarbij sommige arme burgers in landelijke gebieden tot slaaf werden gedegradeerd. Dat alles ging van een geloofscrisis vergezeld, waarbij mensen overal het oude geloof voor nieuwe godsdiensten en uitzinnig bijgeloof inruilden.

Men verwachtte van keizers dat ze kwistig waren. Zo’n beetje de eerste daad van elke nieuwe heerser was dat hij het leger geld beloofde. Dat gold voor Marcus Aurelius alsook voor elke couppleger die in latere jaren op de macht uit was. Zelfs in normale omstandigheden was het leger de grootste post op de rijksbegroting. Het vele oorlogvoeren – en dan vooral de veldtochten binnen het rijk, die weinig buit opleverden – droeg zeer tot deze kosten bij. Over het algemeen bleven de manschappen trouw aan elke zittende keizerlijke familie zolang hun bestuur redelijk effectief was en ze niet te veel grote nederlagen leden. Voor nieuwe keizers was het veel moeilijker deze mate van loyaliteit te verkrijgen, waardoor ze des te meer gedwongen waren de soldaten ruimhartig te behandelen. Voor het eerst in ruim een eeuw verhoogde Severus de soldij en Caracalla deed dat een paar jaar later nog eens. Macrinus had moeite met de kosten hiervan en zijn onhandige behandeling van de situatie veroorzaakte zijn snelle ondergang.

De meeste methoden om snel extra inkomsten aan te boren waren voor elke keizer gevaarlijk, en vooral voor iemand die kort geleden de macht had gegrepen. Toch bestond altijd de noodzaak geld uit te geven, en dan ging het niet alleen om het leger. Het bestuur van het rijk, ook al was dat kleinschalig, kostte geld en het aantal keizerlijke bureaucraten groeide in deze periode gestaag. Er waren ook veel andere zaken die een keizer moest bekostigen. In Rome zelf had je de verdeling van gratis en gesubsidieerd voedsel, het openbare vermaak alsmede het onderhoud van openbare gebouwen en de bouw van nieuwe. Keizers moesten vrijgevig zijn tegenover gemeenschappen en individuen. Als ze het imago van een vrek kregen, boden ze daarmee kwistiger concurrenten een kans. Tot overmaat van ramp kon een flink aantal derde-eeuwse keizers niet eens op de hele rijksschatkist terugvallen, omdat delen van het rijk vaak onder het gezag van rivalen stonden. Een van de redenen waarom Gallienus het zo lang volhield was dat hij het gezag behield over de welvarende Noord-Afrikaanse provincies met hun grote keizerlijke landerijen. Zo ook Zenobia, die pas na Gallienus’ dood Egypte overnam, waarvan het graan voor een groot deel in Romes behoeften bleef voorzien.

Financiële problemen
In de bronnen over de derde eeuw duiken steeds weer financiële problemen op. De keizers hadden het toezicht op het slaan van gouden en zilveren munten en waren voortdurend in de verleiding hun middelen te vergroten door het edelmetaalgehalte van de munten te verlagen. De verandering is het opvallendst bij de zilveren munten. In de tijd van Trajanus bevatte een denarius iets meer dan 90% zilver. Onder Marcus Aurelius kwam het percentage zilver in vergelijking met onedele metalen onder de 75% in de tijd dat het rijk door oorlog en ziektes werd geteisterd. Septimius Severus verhoogde de soldij en liet het percentage zilver van zijn munten tot 50% dalen. Caracalla voerde een nieuwe zilveren munt in, de antoninianus, die waarschijnlijk twee denarii waard was, maar slechts het gewicht van anderhalve denarius had. Deze munt verdween onder Elagabalus, maar verscheen weer onder het gezamenlijke bewind van Balbinus, Pupienus en Gordianus III. In die tijd was het percentage zilver gedaald tot ongeveer 40%. Rond het midden van de eeuw zette de daling zich in snel tempo door, zodat op het moment dat Aurelianus aan de macht kwam een munt nog 3,5 tot 4% zilver bevatte.
De gevolgen van deze enorme ontwaarding zijn heel moeilijk te beoordelen, omdat we wat betreft de Romeinse economie zoals gewoonlijk niet over harde cijfers beschikken. Het is duidelijk dat de prijzen aan het eind van de derde eeuw vele malen hoger waren dan aan het eind van de tweede eeuw – in sommige gevallen een paar honderd procent. Rome had nog nooit een dergelijke inflatie gekend. Maar het meeste materiaal over een stijging van de dagelijkse kosten komt uit Egypte, dat als enige zijn eigen muntsysteem had, tot het tijdens het bewind van Aurelianus op de rest van het rijk werd afgestemd.

Boek: De ondergang van Rome – Adrian Goldsworthy