Week van de koloniale geschiedenis
Dark
Light

Straf en heropvoeding in Kamp Vught, 1944

De verliezers – Marijke Verduijn
7 minuten leestijd
Gedetineerde N.S.B.-ers in Vught (1945)
Gedetineerde N.S.B.-ers in Vught (1945) (CC0 – Anefo – wiki)
Na een snelle ontruiming door de Duitsers werd Kamp Vught in oktober 1944 een interneringskamp voor mensen die ‘fout’ waren geweest. Er zaten NSB’ers, collaborateurs, kampbewakers en geharde Nederlandse SS’ers, maar in de naoorlogse chaos ook kinderen en onschuldigen. De internering van landverraders was bedoeld om hen te straffen, te beschermen tegen de volkswoede en te ‘bewaren’ tot hun zaak voorkwam. Marijke Verduijn deed jarenlang onderzoek naar het eerste en grootste naoorlogse interneringskamp onder Nederlands gezag. In het boek De verliezers geeft ze een beeld van het dagelijks leven in het interneringskamp en de reactie van de samenleving hierop. Op Historiek een fragment uit het boek, over hoe het kamp in 1944 in allerijl werd omgebouwd en ‘verraders’ makkelijk op te sporen waren dankzij vele beschuldigende vingers.


Bevrijding en internering

27 oktober – 30 november 1944

Terwijl in de straten van Vught de feestvreugde losbarstte, ging de plaatselijke politie gewoon aan het werk. De drie vrouwen die ze van huis haalden en die in het latere proces-verbaal zouden worden omschreven als ‘Duitse meid’, werden eerst op het politiebureau verhoord en daarna naar het kamp gebracht. Hun namen waren vermeld op een handgeschreven briefje dat half oktober bij het politiebureau in de bus was gedaan:

‘Ondergetekende verklaart dat hij zeker is van deze namen dat zij met de moffen geheuld hebben’

Dertien vrouwennamen, keurig onder elkaar. Bij één: ‘Zij is familie van mijn vrouw.’ De tocht naar het kamp ging per politieauto, met twee agenten voorin en twee achterop. In het kamp werden de tassen onderzocht. Kleding en toiletartikelen mochten door, foto’s, lippenstift en andere make-up werden ingenomen met de mededeling: ‘Jullie hoeven je voor niemand mooi te maken.’ Sieraden en geld moesten worden afgegeven, waarbij het bedrag keurig werd genoteerd.

Er werden die eerste dag veel meer mensen opgehaald. Ook Teun van Es werd, na drie dagen op het politiebureau, afgeleverd in hetzelfde kamp van waaruit hij bijna elf maanden eerder was ontsnapt.

Een Vughtenaar noteerde ’s avonds in zijn dagboek:

‘Ondertussen begint de politie de overgebleven NSB’ers en Deutschfreundlichen op te pikken. De buit is nog meer dan groot, veel kerels waar je het niet van zou hebben verwacht. Een prachtcollectie, steeds weer met hoera aan het politiebureau begroet en daarna overgebracht naar het ‘kamp’, dat gelukkig intact is gebleven.’

Dat laatste was ook de conclusie van majoor W.P.C. Molenaar van het Militair Gezag, die het kamp diezelfde dag bezocht. Tijd voor een grondige inspectie had hij niet, maar de inrichting leek hem in een verwonderlijk goede staat. De medewerker van de BBC die met hem mee was gekomen, riep in ieder geval uit:

‘Dit is geen concentratiekamp maar een vakantiekolonie.’

De politie zou nog veel meer briefjes toegespeeld krijgen. Ondertekend en anoniem. Met een uitgebreide toelichting of maar een enkel woord.
‘Getuige geeft op dat gearresteerd dienen te worden de meisjes H. Gingen met Duitsers om.’
‘Getuige wijst erop dat verdachte groothandelaar/leverancier was voor de Duitsers en van straatarm tot schatrijk werd.’
‘Waar blijft de dikke K., landwachter!’

Sommige aangiften waren boven elke twijfel verheven. Soms deden geruchten hun giftige werk of bood een aangifte uitkomst bij een familievete, burenruzie, huwelijksprobleem of zakelijk geschil. De korpschef van Vught had er een uitdrukking voor bedacht: ‘Onder de verdenking van verdacht zijn.’

‘Talloze roddelpraatjes doen de ronde en doet men een ieders zin, dan verhuist heel Nederland binnen de kortst mogelijke tijd achter het prikkeldraad. Een eenmaal rond een bepaald persoon opgeworpen verdenking wordt gretig door de massa overgenomen en men vraagt reeds om internering, voordat concrete feiten bekend zijn geworden. Niet zelden blijken hieraan echter persoonlijke antipathiegevoelens ten grondslag te liggen, die vaak spoedig tot volkswil gepromoveerd zijn.’

Gevangenen in Kamp Vught 1945
Gevangenen in Kamp Vught 1945 (CC0 – Sem Presser / Anefo – wiki)
De eerste dagen zaten de vrouwen en mannen in de ijskoude cellen van de ‘bunker’, de strafgevangenis achteraan op het terrein. Daarna verhuisden ze naar een paar inmiddels bewoonbaar gemaakte barakken. In de vrouwenbarakken zaten de vrouwen van NSB’ers, ‘Duitse meiden’ en vrouwen met de Duitse nationaliteit door elkaar. Overdag waren vrijwel alle vrouwen aan het werk. Ze maakten de zwaar vervuilde barakken, kantoren en het ziekenhuis schoon, en in de keuken schilden ze aardappelen en boenden ze de ketels, die zo hoog waren dat ze een trapje nodig hadden om overal bij te kunnen. Na het avondappel moesten ze binnen tien minuten in bed liggen, wat nogal wat gewriemel van lichamen opleverde. Eenmaal in bed begonnen sommige vrouwen moppen te tappen en lagen anderen stilletjes te huilen. Soms viel iemand flauw van de honger. Om uitbraak en ongewenst bezoek te voorkomen, lagen ’s nachts twee marechaussees op matrassen in het dagverblijf.

‘De barakken waren vervuild en verwaarloosd en er waren nog maar een paar honderd bruikbare stapelbedden met strozakken’

Dat in het voormalige concentratiekamp nu collaborateurs zaten opgesloten, was niet onomstreden. Sommige kranten schreven dat zij de historische plek ontwijdden. Natuurlijk moesten landverraders uit de gemeenschap van het Nederlandse volk worden gestoten en hun verdiende loon krijgen. Maar niet in Vught! Die grond was ‘geheiligd door het bloed van de daar vermoorde 10.600 Nederlanders’. Het kamp zou een pelgrimsoord moeten worden.

Hoe schuldig de plek ook was, de ingebruikneming was niet tegen te houden. De Engelsen hadden haar nodig als kazerne, de Canadezen als tankreparatie- en timmerwerkplaats en gevangenis voor hun disciplinair gestrafte soldaten. Het overvolle ziekenhuis van Den Bosch richtte in het kampziekenhuis een dependance in voor lichte gevallen. Evacués en mensen van wie tijdens de bevrijding het huis onbewoonbaar was geworden, hadden onderdak nodig. Een krant in Den Bosch bood het kamp daarvoor aan met een tekst die in een makelaarsbrochure niet had misstaan.

‘In het voormalig concentratiekamp te Vught is een prachtige gelegenheid geschapen voor het onderbrengen van evacués. In de talrijke stenen barakken, verdeeld over een uitgestrekt terrein, voorzien van water, licht en verwarming, kunnen naar schatting een 25.000 personen onder dak worden gebracht.’

Per ‘ruime slaapzaal en afzonderlijke eet- en conversatiezaal’ zouden gemiddeld acht gezinnen worden ondergebracht en eventueel van meubilair voorzien. Veel animo was er niet. Vermoedelijk schrok de plek toch af. Een gezin uit Den Bosch waarvan het huis was verwoest en dat hun barak met maar twee andere gezinnen hoefde te delen, trok na een week toch liever in bij familie.

Gevangenen in strafkamp te Vught op strafexercitie achter prikkeldraad
Gevangenen in strafkamp te Vught op strafexercitie achter prikkeldraad (CC0 – Sem Presser / Anefo – wiki)

Stokers, bakkers, koks

In het kamp was inmiddels razendsnel en met veel improvisatievermogen iets als een organisatie uit de grond gestampt. Wat majoor Molenaar noch de Canadezen bij hun snelle inspectie hadden gezien, was dat eigenlijk alleen de infrastructuur van het kamp nog overeind stond. Voor het overige hadden de Duitsers het bij hun vertrek voor een groot deel leeggeroofd. De technische installaties waren grotendeels vernield, er was geen water, geen verwarming, geen kookgelegenheid, geen meubilair. De barakken waren vervuild en verwaarloosd en er waren nog maar een paar honderd bruikbare stapelbedden met strozakken.

Vier mannen namen de leiding van het kamp op zich, van wie H. Hammecher de functie van commandant kreeg. Via een plaatselijke krant werden vrijwilligers geworven: melden bij de hoofdingang. En ze kwamen. Een werkloze PTT’er zette de administratie op. Een plaatselijke arts nam met drie verpleegsters de medische verzorging op zich en een predikant uit Den Bosch de geestelijke. Een werknemer van grootgruttersbedrijf De Gruyter vroeg zijn baas toestemming om in het kamp te mogen helpen, maar wachtte het antwoord niet af. Er meldden zich typistes, stokers, bakkers, koks, technici. Er werd een afdeling Intendance opgezet voor de verzorging van personeel en gedetineerden. Het werk werd onderling geregeld, en in die eerste weken ging alles pro deo.

‘Het was hier een chaos en we hebben hard moeten werken om er een beetje orde in te brengen,’ zou een vrijwilliger, die de voeding van de geïnterneerden op zich had genomen, later zeggen.

Gevangen in Vught
Gevangen in Vught. (CC0 – Sem Presser / Anefo – wiki)

Op 1 november liet kampcommandant Hammecher weten dat het kamp een nieuwe naam had. Dat was niet de suggestie van dagblad De Gelderlander: ’t Kan verkeren. En evenmin de officiële naam die het Militair Gezag zou blijven aanhouden: Bewaringsen Verblijfskamp Vught – waarbij het bewaringskamp bestemd was voor de zwaardere gevallen en het verblijfskamp voor lichte gevallen en mensen die voor hun eigen veiligheid beter even konden worden vastgezet. De naam die Hammecher voortaan op alle correspondentie in de linkerbovenhoek wilde zien staan, was Interneringskamp Vught. Een paar dagen later mocht de kampcommandant onverwacht prins Bernhard ontvangen. Later die maand werd het kamp ook bezocht door Justitieminister Gerrit-Jan van Heuven Goedhart, die met enkele collega-ministers als kwartiermaker uit Londen naar Nederland was gekomen.

Kampkleding en polkakapsel

De dagindeling in de toekomstige interneringskampen was door de Nederlandse regering in Londen vastgelegd in de Instructie voor de Commandanten van Bewarings- en Verblijfskampen. In de zomer moesten de gedetineerden om halfzeven opstaan, in de wintermaanden een uur later. Daarna hadden ze een halfuur om zich te wassen, de dekens volgens voorschrift op te vouwen en te ontbijten. Na het ochtendappel moesten ze aan het werk. De geplande appels waren daarop afgestemd: voorafgaand aan het werk, bij terugkomst om 12.00 uur, na het middageten en na het werk, om 18.00 uur. Na het avondeten hadden de gedetineerden vrij tot ze om 20.00 uur naar bed moesten, het licht uitging en de barakdeur werd gesloten. Elke dag was er minimaal een halfuur beweging in de openlucht. Op zaterdagmiddag en zondag werd er niet gewerkt. ’s Zondags was het ochtendappel een uur later en was er de mogelijkheid tot kerkgang.

De verliezers - Marijke Verduijn
De verliezers – Marijke Verduijn
Ook gedrag en uiterlijk waren voorgeschreven. Mannen moesten kortgeknipt en baardloos zijn, vrouwen een kort ‘polkakapsel’ dragen. Gedetineerden zouden kampkleding dragen. Hun eigen kleding moest worden gemerkt en bewaard voor een bezoek van een advocaat of aan een rechtbank. Alle bevelen van de commandant moesten onverwijld worden opgevolgd. Het kamppersoneel en de vlag moesten op militaire wijze worden gegroet. Gedetineerden mochten het personeel niet ongevraagd aanspreken, niet luidkeels lachen, zingen of fluiten en niet roken tijdens het werk. De Instructie bleek nuttig, maar niet in alle opzichten haalbaar. Er was niet genoeg kampkleding. Lange tijd was er te weinig werk. Rechtbanken zouden pas driekwart jaar later van start gaan en advocaten werden nog langer niet toegelaten in het kamp.

Boek: De verliezers – Marijke Verduijn

Gratis nieuwsbrief

Meld u aan voor onze wekelijkse nieuwsbrief (48.314 actieve abonnees)

"Donateurs ondersteunen ons project en dragen direct bij aan de uitbreiding van ons archief."

Meer informatie