Dark
Light

Zoeken naar de Graal als levensopgave

4 minuten leestijd
Perceval komt bij de Graalburcht aan, wordt door de graalkoning begroet, rechts de graalprocessie
Perceval komt bij de Graalburcht aan, wordt door de graalkoning begroet, rechts de graalprocessie, illustratie uit Perceval ou Le Conte du Graal, Chrétien de Troyes, BnF Français 12577, fol. 18v.

De belangrijkste vraag die de mens heeft beziggehouden, luidt: Waar ligt de zin van mijn leven? De Oudfranse dichter Chrétien de Troyes (tweede helft twaalfde eeuw) vond een treffend voorwerp om de speurtocht van de mens naar de zin van het bestaan te symboliseren: De Graal.

Ridders gingen op zoek naar de mysterieuze Graal die alleen door de uitverkorene zou worden gevonden. Maar wat was die Graal nu precies? En hoe vond je hem? De zoektocht naar de Graal, de zogeheten Graalqueeste, is in zijn oudste vorm onlosmakelijk verbonden met de naam Perceval. De jongeman groeit op in een afgelegen bos, hij woont bij zijn moeder. De familiegeschiedenis is triest. De adellijke vrouw is weduwe geworden en heeft twee volwassen zoons verloren die allebei in een riddergevecht gedood werden. De jonge Perceval is haar enige troost.

Diens grote passie is de jacht. Gewapend met drie werpsperen struint hij door de bossen, op zoek naar buit. Per toeval ontmoet hij een groepje ridders te paard, in schitterende wapenrusting. Hij meent, zeer onder de indruk van het verheven gezelschap, dat hij met God en zijn engelen te maken heeft. De aanvoerder helpt hem uit de droom. Trots laat hij de boerse jongeman weten:

’Ik ben een ridder’.

Voor Perceval is het duidelijk: Hij wil óók ridder worden. Hij verlaat zijn moeder om aan het Arthurhof tot ridder te worden geslagen. De arme vrouw sterft van verdriet.

Perceval begeeft zich op weg naar het roemruchte Arthurhof. Daar verovert hij met wreed geweld ridderlijke uitrusting en een zwaard. Dat zijn carrière letterlijk “over lijken” gaat, schijnt hem niet te deren. Wel moeten zijn manieren nog wat worden bijgeschaafd. Zijn leermeester Gornemant die hem onderdak verleent, vertelt hem hoe een ridder van de Tafelronde zich dient te gedragen. Vooral deze les is belangrijk: een hoofse ridder moet weten te zwijgen. Hij moet niet, te pas en te onpas, allerlei vragen stellen. Deze goedbedoelde raad pakt echter wel heel slecht uit als de jongeman, zonder dit te beseffen, later in de mysterieuze Graalburcht belandt. Het leven is onvoorspelbaar.

De burchtheer, de doodzieke koning Amfortas, ontvangt Perceval. Er gebeuren in de Graalburcht vervolgens wonderlijke dingen. Een jongeling verschijnt met een lans waaruit een druppel bloed drupt. Daarna ziet de jonge held een wonderschone, in het wit geklede jongedame. Zij draagt voorzichtig de Graal binnen die een helder licht verspreidt. Perceval ziet alles en… lijkt met stomheid geslagen. Hij vraagt niet wat dit alles te betekenen heeft. En toch, zo blijkt later, zou zo’n simpele vraag, zo’n eenvoudig blijk van belangstelling, de lijdende koningv verlossing hebben kunnen bieden.

Sculptuur Wolfram von Eschenbach in Abenberg
Sculptuur Wolfram von Eschenbach in Abenberg (CC BY-SA 2.0 – Simon Koopmann – wiki)
Bij de dichter en minnezanger Wolfram von Eschenbach (rond 1200), de Duitse bewerker van de stof, gaat het nadrukkelijk om de vraag vol menselijk mededogen, de verlossende vraag, waaruit de liefdevolle medemenselijke betrokkenheid blijkt: “Oom, wat scheelt eraan”. Ieder lijdend mens is een familielid! Het is het moment waarop spreken, ondanks het bekende spreekwoord, “goud” zou zijn geweest. Maar Parzival, zo luidt de naam van de held in de Duitse versie, zwijgt… Een gelegenheid, waarbij Parzival zijn fout kan herstellen, doet zich niet voor. De volgende morgen lijkt het kasteel uitgestorven. Niemand te zien. Na zijn vertrek wordt de valbrug met veel bombarie opgehaald. Bonjour, Parzival, opgebonjourd!

Onze held heeft de boodschap niet begrepen. Hij begeeft zich na allerlei omzwervingen naar het Arthurhof, waar hij vol vreugde wordt ontvangen. Hij wiegt zich in zijn roem. Maar een koude douche wacht Perceval. Een lelijk vrouwmens duikt aan het Hof op die hem in krachtige bewoordingen zijn falen op de Graalburcht verwijt. Zij vervloekt hem, omdat hij tijdens de Graalprocesie niet de verlossende vraag heeft gesteld. Daardoor liet hij de Graalkoning in een verschrikkelijke toestand achter.

Perceval, geschokt en beschaamd, gaat op weg om achter het geheim van de Graal te komen. Zelfs de dichter laat hem aan zijn lot over. Diens belangstelling richt zich nu op Gauvain (Walewein), die allerlei (soms amoureuze) avonturen beleeft. Pas na vijf jaar duikt Perceval, die met God en zijn gebod heeft gebroken, weer op. Het is op een Goede Vrijdag. Boetelingen wijzen de zwaarbewapende Perceval op zijn verkeerde gedrag. Op de sterfdag van Christus draag een ridder geen wapens. Zij wijzen hem de weg naar een eenzame kluizenaar die hem inlicht over zijn verleden. De man is nauwkeurig op de hoogte. Geen wonder, want de geestelijke blijkt de broer van Percevals moeder te zijn. De wereld is klein, de medemens een bloedverwant!

Nu krijgt Perceval inzicht in zijn falen. Wat was de oorzaak van zijn afstandelijke gedrag op de Graalburcht? De oorzaak blijkt dieper te liggen dan persoonlijke halsstarrigheid. Als oorzaak wordt zijn liefdeloos gedrag tegenover zijn moeder genoemd. Een bewaard gebeven Middelnederlands fragmentje – het grootse deel is verloren gegaan -, zegt het zo: “Allene zonde sloot dij den mond.”

Hoe het verhaal nu precies afloopt, komen we van Chrétien de Troyes niet te weten. Het werk bleef onvoltooid.

Maar de Graal, wat is dat nu precies? Het blijkt een gewone diepe schotel te zijn, waarin spijzen worden geserveerd. Maar Chrétien maakt er een heilig voorwerp van. De hostie wordt erin opgediend. De Graal bezat volgens sommigen bovennatuurlijke eigenschappen. Hij kon, als een soort “tafeltje-dekje”, de heerlijkste spijzen op de borden van de aanwezige ridders toveren. Van groter belang is de symbolische betekenis van de Graal. De zoektocht naar dit voorwerp moet worden gezien als de tocht van de mens naar de Goddelijke genade. Zo de visie van Chrétien.

Johan H. Winkelman (1940) was sinds 1970 als germanist-mediëvist aan de Universiteit van Amsterdam verbonden, sinds april 1999 als bijzonder hoogleraar Letterkunde van de Middeleeuwen, in het bijzonder de Duitse. Hij publiceerde en publiceert (sinds 2005 als emeritus) over de Middelhoogduitse en Middelnederlandse literatuur.