Dark
Light

De Zuiderzeevissers en de drooglegging van de Zuiderzee

Van Zuiderzee tot Flevoland (5)
9 minuten leestijd
Vlootschouw 1900
Vlootschouw 1900
Op vrijdag 3 augustus 1900 vond nabij Pampus een bijzonder schouwspel plaats. Op initiatief van de burgemeesters van Edam en Wieringen, Hendrik Jan Calkoen en Louis Charles Kolff vond daar onder aanwezigheid van de jonge koningin Wilhelmina en koningin-moeder Emma een vlootrevue van vissersschepen plaats. Van heinde en verre waren mensen toegestroomd om het schouwspel van ruim 1600 botters te aanschouwen, die in de vorm van een grote rechthoek op het Muiderzand voor anker lagen. Alle schepen waren versierd en hadden de vlag in top. Beide vorstinnen voeren met de oorlogsbodem ‘Buyskes’ langzaam om de vissersvloot heen en bezochten enkele botters. Het doel van de manifestatie was om een voorstelling te geven van de omvang van het vissersbedrijf langs de kusten van de Zuiderzee. Het was geen demonstratie tegen de voorgenomen drooglegging van de Zuiderzee, zoals sommige tegenstanders beweerden, maar een poging om te verhinderen dat de Zuiderzee zou worden afgesloten zonder dat rekening gehouden werd met de belangen van de Zuiderzeevissers.

De Zuiderzeevissers

In de vorige bijdrage van de artikelenreeks zagen we al dat de plannen tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee ook op steun kon rekenen in vissersplaatsen rond de Zuiderzee. De vissers hielden zich stil om twee redenen. Op de eerste plaats waren de Zuiderzeeplannen lange tijd nog te weinig concreet om zich zorgen te maken over het dreigend verlies om van de eigen broodwinning. Enkel de Volendammers kwamen in 1874 in actie, nadat een jaar eerder een staatscommissie zich uitsprak ten gunste van de drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee. Ruim 300 vissers verzochten koning Willem III om vooral niet toe te staan dat de Zuiderzee zou worden drooggelegd. Hoeveel visserszonen zouden er niet brodeloos worden als het in hun ogen onverantwoordelijke plan tot droogmaking zou worden uitgevoerd, zo stelden zij.

De plannenmakers van vóór 1886 hadden in de regel weinig oog voor de economische waarde van de Zuiderzeevisserij. Jakob Kloppenburg en Pieter Faddegon wezen in 1848 op de weinig benijdenswaardige positie waarin de bedrijfstak verkeerde.

“Hoe dikwijls werd niet de liefdadigheid voor de bewoners van Schokland en Urk ingeroepen.”

Volgens hen zou het grootste deel van de eilandbewoners zich gelukkig wanen als ze hun vistuig voor een spade zouden kunnen inwisselen, “waarmede de visscher voor zijn huisgezin, onder minder afwisseling van voor- en tegenspoed, een aanzienlijker stuk brood zal kunnen verdienen.” Voorstander Hendrik Linse onderkende wel dat de drooglegging het einde van het visserijbedrijf zou inluiden. Hij meende daarom dat er voldoende overgangstijd moest zijn. Terwijl de ouderen nog hun brood in de visserij konden blijven verdienen, zouden de jongeren reeds kunnen uitkijken naar een ander beroep.

Koningin Wilhelmina stapt aan boord van een botter tijdens de vlootschouw van 3 augustus 1900
Koningin Wilhelmina stapt aan boord van een botter tijdens de vlootschouw van 3 augustus 1900

Schadeloosstelling of protest

Een tweede reden waarom er in de visserijwereld pas zo laat aandacht kwam voor de plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, moet wellicht worden gezocht in de wisselende economische resultaten in de Zuiderzeevisserij. In het laatste decennium van de negentiende eeuw waren er goede jaren geweest met bijzonder rijke ansjovisvangsten. Mede als reactie op de malaise in andere bedrijfstakken, zoals de landbouw, probeerden gelegenheidsvissers daarvan een graantje mee te pikken. Daarnaast trokken vissers uit Volendam, Huizen en Enkhuizen zich als gevolg van toenemende concurrentie van de trawlervisserij en afgeschrikt door enkele rampen zich terug uit de Noordzeevisserij. Door de toenemende concurrentie en het teruglopen van de visvangst trad na 1902 een periode van langdurige malaise in, waarin veel vissersgezinnen in de winter moesten leven van de bedeling. Onder deze omstandigheden was het voor de vissers aantrekkelijker om zich in te spannen voor een royale schadevergoeding dan om te ijveren voor het behoud van de Zuiderzeevisserij.

Detail van het tegeltableau van de vlootschouw
Detail van het tegeltableau van de vlootschouw

De vlootschouw van 1900 maakte duidelijk welk belang er was gelegen in een goede schaderegeling voor de Zuiderzeevissers. Fervente voorstanders van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, zoals Gerard Vissering, noemden de door de Staatscommissie van 1892 voorgestelde regeling royaal. Met deze vergoeding zouden de arme Zuiderzeevissers in het bezit kunnen komen van nieuw materieel waarmee ze zich konden gaan toeleggen op de Noordzeevisserij. Deskundigen op visserijgebied zoals Hendrik Jan Calkoen bestreden deze zienswijze. Volgens Calkoen bood de kustvisserij op de Noordzee onvoldoende bestaansmogelijkheden. In zijn ogen was de Zuiderzeevisserij de kurk waarop de gehele kleine visserij dreef. De vissers geloofden volgens hem dan ook niet in de zegeningen die Vissering hen voorspiegelde.

Hendrik Jan Calkoen
Hendrik Jan Calkoen
Toen eind 1900 de indiening van een wetsontwerp tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee nabij was, spitste de discussie zich in visserskringen toe op de vraag of men moest protesteren tegen dit wetsontwerp of dat men zich moest gaan inzetten voor een ruime schadevergoeding. Deze vraag stond centraal tijdens een op 15 december 1900 te Amsterdam gehouden druk bezochte vergadering van de Vereeniging tot Bevordering van de Nederlandsche Visscherij. De aanwezigen vissers en niet-vissers, voor- én tegenstanders van drooglegging van de Zuiderzee waren in meerderheid van oordeel dat de in het vooruitzicht gestelde schadevergoeding van 4,5 miljoen gulden ontoereikend was. Een echte keuze tussen protest en ijveren voor een schadeloosstelling werd niet gemaakt. Wel werd besloten een fonds te vormen voor het voeren van propaganda tegen het wetsontwerp en ter verkrijging van een hogere schadevergoeding indien het plan tot afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee zou worden gerealiseerd.

Tot actie kwam het pas na de indiening van het wetsontwerp op 7 mei 1901. Op 4 juni vond in Enkhuizen een bijeenkomst plaats met afgevaardigden uit alle Zuiderzeevissersplaatsen, waar de door de regering in het vooruitzicht gestelde schadevergoeding werd besproken. De aanwezigen waren unaniem van oordeel dat deze schaderegeling veruit onvoldoende was en dat de regering moest worden voorgelicht over de gevolgen, die de uitvoering van het wetsontwerp voor de visserij en de aanverwante bedrijven zou hebben. Er werd een Centraal Comité opgericht met als doel leiding te geven aan een door plaatselijke comités te verrichten onderzoek naar de gevolgen van de afsluiting en drooglegging voor de Zuiderzeevisserij en de nevenbedrijven. Tijdens deze bijeenkomst vroeg J. Zwier Visser, voorman van de Nederlandsche Visscherijvereeniging, zich af waarom men zich niet tegen de drooglegging keerde. De voorzitter van de bijeenkomst, de onderwijzer Berend Demmer uit Volendam, deed een klemmend beroep op de aanwezigen om dit niet te doen. Wilde de vergadering enig resultaat opleveren, dan diende men zich te beperken tot datgene waarover men oordelen kon. Bovendien was in zijn ogen het wijzen op de grote belangen die op het spel stonden en op het onvoldoende zijn van de schaderegeling op zich reeds een protest tegen het wetsontwerp.

Centraal Comité inzake afsluiting en drooglegging der Zuiderzee publiceerde in de nazomer van 1902 een rapport waarin het op basis van de vastgestelde omvang van de vissersvloot en het aantal beroepsvissers vaststelde dat de regering geen 4,5 maar 9,7 miljoen gulden zou moeten uittrekken als schadeloosstelling. Volgens het Centraal Comité waren de vissers pas zo laat in actie gekomen omdat zij zo met het gevaar vertrouwd waren geraakt, dat zij het als zodanig nauwelijks meer herkenden. Lange tijd had men er op vertrouwd dat financiële bezwaren de uitvoering van droogmakingsplannen zouden verhinderen. Pas toen duidelijk werd dat de ministerraad een wetsvoorstel had goedgekeurd en naar de Raad van State had gezonden, ontstond er onrust in visserskringen.

Nieuw onderzoek

Johannes Christiaan de Marez Oyens
Johannes Christiaan de Marez Oyens
Deze onrust ebde tijdelijk weg toen Cornelis Lely in 1901 na de liberale verkiezingsnederlaag als minister van Waterstaat plaats moest maken voor Johannes Christiaan de Marez Oyens. Deze liet zich in zijn beleid vooral leiden door de twijfels die binnen zijn ministerie leefden. Hij trok Lely’s wetsvoorstel in en vroeg om verschillende nieuwe adviezen. Aan het College voor de Zeevisscherijen werd een oordeel gevraagd over de gevolgen van afsluiting en gedeeltelijke droogmaking voor de visserij op de Zuiderzee en de eventueel uit te keren schadevergoeding. Het college kwam in 1903 tot de slotsom dat hoewel er geen sprake kon zijn van enig recht op schadevergoeding, het billijk was als duizenden personen die ten gevolge van de aanleg van een werk van algemeen nut hun broodwinning zouden verliezen, een vergoeding zouden ontvangen. Over de vraag wie hiervoor in aanmerking dienden te komen was het college verdeeld. Sommige leden wilden dit beperken tot de vissers, maar een meerderheid van het college wilde ook personen wier bedrijf rechtstreeks van de visserij afhing en wier bestaan met de vernietiging daarvan zou komen te vervallen, in de schaderegeling betrekken. Zolang de regering niet had bepaald wie er in aanmerking konden komen voor een schadevergoeding, kon er van een raming van het benodigde bedrag geen sprake zijn.

De afwachtende houding van De Marez Oyens gaf aan tegenstanders uit visserijkringen de ruimte om hun bezwaren tegen de Zuiderzeeplannen naar voren te brengen. Vanuit die kringen werd de indruk gewekt dat de Zuiderzeevisserij nog steeds een bloeiende bedrijfstak zou zijn. Ook minister De Marez Oyens leek die opvatting te zijn toegedaan, getuige zijn mededeling in de Tweede Kamer dat door de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee tal van vissers hun broodwinning zouden verliezen. Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging, die betwijfelde of de Zuiderzeevisserij wel zo bloeiend was, besloot daarop een eigen onderzoek in te stellen. Een commissie onder leiding van J.F. Neeb, notaris te Harderwijk, stuurde vragenlijsten rond en bezocht de vissersplaatsen rond de Zuiderzee. De conclusie was dat de Zuiderzeevisserij een ongunstige indruk maakte: “Het doet ons leed te moeten verklaren, dat wij getroffen zijn door den gestadigen achteruitgang van dit zoo nuttig en sympathiek bedrijf.” De vissersbevolking leidde een moeizaam bestaan, welvaart werd nergens aangetroffen en vaartuigen verkeerden in een “verwaarloosden, niet zelden in een deerniswekkenden toestand”, concludeerde de commissie in haar in het najaar van 1905 gepubliceerde rapport.

Toen De Marez Oyens na de verkiezingen van 1905 op zijn beurt het veld moest ruimen, kreeg het plan-Lely een nieuwe kans. De nieuwe minister Jacob Kraus diende in 1907 een nieuw wetsontwerp in en bood daarmee uitzicht op een althans gedeeltelijke realisering van de Zuiderzeeplannen.

Geen tegenwicht

Terwijl de voorstanders met de Zuiderzeevereeniging beschikten over een actieve belangenorganisatie, stonden de tegenstanders met lege handen. Pogingen om hierin verandering te brengen waren vooral afkomstig van de Groningse nettenhandelaar B.J. Gelder. In 1905 nam hij samen met vertegenwoordigers van lokale vissersverenigingen het initiatief tot de oprichting van de Vereeniging tot Bevordering van de Belangen der Zuiderzee-Visscherij (VBBZ). Tijdens de jaarvergaderingen van deze vereniging werd bij herhaling besloten om zich tegen de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee te verzetten.

De Visscherij-Courant (Nieuw Land)
De Visscherij-Courant (Nieuw Land)
Gelders belangrijkste middel waarmee hij heeft geageerd was De Visscherij-Courant. In het eerste nummer van zijn krant, die op 5 mei 1906 verscheen, verklaarde Gelder de belangen van de vissers te willen verdedigen tegenover hen die ijverden voor drooglegging. Zijn doel was om een organisatie tot stand te brengen die het kon opnemen tegen de Zuiderzeevereeniging. Het initiatief voor deze beweging moest uitgaan van de VBBZ:

“De Zuiderzeevereeniging is machtig. Zij heeft geld, en geld regeert de wereld. Laten de visschers dit bedenken als straks het bestuur der Vereeniging tot bevordering van de belangen van de Zuiderzee-visscherij bij hen aanklopt.”

Na zijn vertrek uit het bestuur van de VBBZ in december 1908 heeft Gelder zich vooral ingezet voor het bijeenbrengen van tegenstanders van diverse pluimage. In maart 1909 was hij betrokken bij de oprichting van de Vereeniging tot Onderzoeking van het Zuiderzeevraagstuk. Het doel van deze vereniging, die zowel voor- als tegenstanders van afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee wilde organiseren, was te onderzoeken of droogmaking volgens het plan-Lely wenselijk was. Tot de initiatiefnemers behoorden naast Gelder tegenstanders als Derk Roelfs Mansholt – grootvader van de latere landbouwminister en Eurocommissaris Sicco Mansholt en W. van Veen. De nieuwe vereniging organiseerde enkele lezingen waarin Van Veen, chef-ingenieur van de Staatsspoorwegen te Utrecht, benadrukte waarom men geen vertrouwen diende te stellen in het plan-Lely. Hij twijfelde met name aan de betrouwbaarheid van de geprojecteerde dijken. Na enkele lezingen van Gelder en Van Veen werd het stil rond de vereniging. Omdat de meeste tegenstanders de plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee niet serieus namen of er vast van overtuigd waren dat van realisering binnen afzienbare tijd toch niets zou komen, lukte het hen niet om een tegenbeweging van de grond te tillen. “De regeering, zoo dacht men, zal wel zooveel gezond verstand overgehouden hebben om de vurige voorstanders telkens met een kluitje in ’t riet te sturen,” aldus Mansholt. Alleen op momenten dat de realisering van het plan-Lely of onderdelen daarvan dichterbij dreigde te komen, kwamen tegenstanders in actie.

Boek: Pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee

×