Dark
Light

De Kersentijd, een iconisch lied

Le Temps des Cerises
3 minuten leestijd
Kersen
Kersen (CC0 - Pixabay _Alicja_)

Meimaand, kersenmaand. Le temps des cerises is een overbekend Frans chanson. De Kersentijd wordt als het strijdlied van de Parijse Commune (1871) gezien. Maar het lied werd een paar jaar voordien gecreëerd en is nog altijd een meezinger.

“Mais il est bien court le temps des cerises,
Où l’on s’en va deux cueillir en rêvant
Des pendants d’oreilles,
Cerises d’amour aux robes pareilles
Tombant sous la feuille en gouttes de sang.”

(Maar hij is erg kort, de kersentijd. Dan gingen we al dromend ‘oorbellen’ plukken. Liefdeskersen die neerdwarrelen als bloeddruppels)

Jean-Baptiste Clément - Foto van Nadar.
Jean-Baptiste Clément – Foto van Nadar.
Deze metaforische zinnen uit het gedicht van Jean Baptiste Clément (1836-1903) zinderen nog na. De auteur schreef het gedicht al in 1866 en zijn tekst werd in 1868 op muziek gezet door Antoine Renard.

Clement vond zijn inspiratie voor bloemsens en kersen, op de vlucht naar België. Onderweg hield hij halt bij een estaminet omringd door kerselaren. Le temps des cerises was voor ’t eerst te horen in le Casino in Brussel. Pas in 1882 droeg hij het lied op aan Louise, een ambulancierster die de gewonden tijdens de Semaine Sanglante (de Bloederige (eind)week 21 -28 mei 1871) van de Parijse volksopstand bijstond.

In haar Mémoires La Commune, Histoire et souvenirs (1898), herinnert de anarchistische onderwijzeres en communarde Louise Michel aan dit verzet en geeft meteen mee dat zij niet de geëerde verzetsstrijdster was:

Op het ogenblik van de laatste schoten kwam een jong meisje van een andere barricade ter hulp gesneld. Ze wilden haar verwijderen van dat doodsoord maar ze bleef ondanks hun smeekbeden. Enkele seconden later trof een enorme ontploffing die barricade. Een explosie die iedereen doodde. Aan die ambulancierster van die laatste barricade en van het laatste uur, droeg J-B. Clément lang nadien zijn Kersenlied op. Niemand zag het meisje nog. […] De Commune was dood en met haar werden duizenden onbekende helden begraven.

Musique de la Commune de Paris: Le temps des cerises

De ‘zachte dromer’, zoals vrienden Clément noemden, had zelf – als lid van de Raad van de Commune – heldhaftig de laatste barricades van de Bloedige week mee gemaakt. Op 28 mei, de laatste dag, stond hij nog op een barricade in het 11e arrondissement. Hij schreef daarover het lied La semaine sanglante, een aanklacht tegen de gewelddadige repressie. Voor zijn betrokkenheid bij de Parijse Volksopstand werd Clément ter dood veroordeeld maar hij wist te ontkomen en vond een vluchtheuvel bij zijn vrienden in Brussel en vandaar trok hij naar Londen. In het geheim – met een doodsvonnis op zijn hoofd – keerde hij terug naar Parijs om er in alle anonimiteit te leven. Tot de amnestie werd afgekondigd.

In Brussel had Clement ‘democratische’ vrienden. In 1866 had hij overigens het gedicht Fleurs d’été (Zomerbloemen) in Le Grelot gepubliceerd. Die Brusselse spotkrant, waarvan fotograaf-zwanzer Louis Ghémar eigenaar zou zijn geweest, was een heftige stokebrand tegen de zelfverklaarde keizer Napoleon III. De karikaturen zijn sprekend. Die Napoléon le petit die eveneens de kritiek van Clément niet verteerde en hem – voordien al – bedankte met gevangenisstraf.

Jean Baptiste Clément bleef tot het einde militant van de Parti ouvrier socialiste révolutionnaire (POSR), de socialistische revolutionaire arbeiderspartij. Le Temps des Cerises wordt wereldwijd nog altijd gezongen omdat – zoals Juliette Gréco zei – het een revolutionair lied én een liefdeslied is.

~ Eliane van den ende
Historicus en cultuurjournalist

Enkele uitvoeringen van Le Temps des CerisesLe Temps des Cerises:

Yves Montand (1974)

Juliette Gréco (1986)

Dave en Nana Mouskouri

Bronnen

-Francis Sartorius, Les communards en exil en Belgique, Regard sur les dix années de présence, éd Du Lériot, 2022.
-Serge Dillaz, « La Commune », dans La chanson française de contestation : Des barricades de la Commune à celles de mai 1968, Paris, Seghers, 1973,