In een eerdere aflevering kon je lezen hoe de tweeëntwintigjarige Johannes Ermers uit Sint Hubert in 1812 werd opgetrommeld voor het leger van Napoleon en hoe hij in Amiens terechtkwam. Inmiddels is het enkele maanden later en doet hij aan de pastoor verslag van zijn belevenissen op zijn tocht van Frankrijk naar Duitsland, die hem heeft gevoerd naar ‘heijlige plaatsen’ maar ook naar een waar ‘dal der traanen…’
Gewapend naar de kerk!

Na een lange voettocht is soldaat Ermers aangekomen in ‘Mens’ en wonder boven wonder vindt hij daar een biechtvader. Bovendien mag hij met Pinksteren een processie meemaken, waar hij ‘gewaapent’ en stokstijf in de kerk moest staan, met zijn ‘hoet over de oogen’ en het geweer in de hand. Dit heeft hem jammer genoeg wel belet om de mis goed te kunnen horen!
In de ‘schoone Biskopskerk’ heeft hij zelfs het ‘hooft van Johannes Babtist’ kunnen aanschouwen, ‘jaa zijn eijgen hooft!’ roept Ermers uit. Verder bewondert hij de vele heiligenbeelden die op elke hoek van de straat te vinden zijn.

‘Dal der traanen’
Toch heeft Johannes het ook zwaar. Hij heeft 85 uur moeten marcheren voor hij ‘Vrankrijk’ uiteindelijk achter zich kon laten en nog eens 40 uur voor hij de Duitse stad Mens bereikte. Tot zijn grote schrik heeft hij hoogstwaarschijnlijk nóg eens 200 uur stevig doorwandelen voor de boeg. Men zegt namelijk dat ze naar ‘Barlin’ gestuurd zullen worden!
Ermers komt niets te kort schrijft hij, maar hij wil toch uit het ‘dal der traanen ontslaagen worden’. Ze krijgen niets van de ‘luij van dit lant’ en moeten dus voor hun eigen eten zorgen. Ze exerceren maar liefst zes uur per dag en de lange tocht naar Rusland moet ook niet aanlokkelijk geweest zijn. Toch zat er niets anders op…

Makkers voor het leven!
Er zullen vele tranen zijn weggepinkt, vast ook door Johannes Ermers en zijn strijdmakkers. Slechts 20.000 van de bijna 700.000 soldaten die in 1812 met Napoleon naar Rusland trokken, overleefden de barre tocht. In de eerste brief beschreef hij het eerste sterfgeval uit Sint Hubert al, namelijk Hendrikus Eijbers: ‘Nu zal Drik niet meer schrijven, voor dat hij stil ligt.’

Gelukkig heeft Johannes in zijn tweede brief nog één lotgenoot bij zich, die met hem ‘uijt den bos’ (Den Bosch) was gegaan, namelijk Derk Ruskens. ‘Wij zijn als gebroeders bij malkaar’, zo schrijft Ermers en in Mainz zijn zij alletwee ingekwartierd als ‘voltisuurs’, ook wel voltigeurs genoemd. Dit waren lichte infanteristen, vaak wat klein van gestalte, die werden ingezet als schutters. Johannes en zijn makker Derk zouden snel moeten vertrekken, richting Berlijn, op naar Polen en uiteindelijk Rusland.
Er is nog één brief over van Johannes. Ben je benieuwd naar zijn ontberingen in Polen, vlak vóór de Russische veldtocht? Lees dan volgende week weer met ons mee.
Op oorlogspad naar Rusland!
Naar het ‘velt’, naar den Rus!
De hel van 1812: Nederlanders in Napoleons leger
Alexander I van Rusland (1777-1825) – Romanov tsaar
Napoleons veldtocht naar Rusland (1812)