Dark
Light

Voorwerpen Vertellen Verhalen

Een geschiedenis van België in 100 voorwerpen
11 minuten leestijd
Bedsprei van Albrecht en Isabella, ca.1621
Bedsprei van Albrecht en Isabella, ca.1621 (CC BY-KMKG / ImageStudio Koninklijke Musea voor Kunst & Geschiedenis, Brussel, inv. D.2543.00)

Een ding is niet zomaar een ding. Een voorwerp getuigt van een tijd, van economische, politieke, sociale, ergonomische, mentale veranderingen. Een object draagt een hele context met zich mee. Die verrassende verhalen worden verteld door een keur van wetenschappers in het lijvige boek Een geschiedenis van België in 100 voorwerpen. Van de prehistorie tot nu.

Belgische Biercultuur, nee, die mocht toch niet ontbreken in een geschiedenisboek over alledaagse voorwerpen. Maar het laatste hoofdstuk gewijd aan drinkgewoontes behandelt niet de pinten en/of glazen specifiek ontworpen voor een bepaalde biersoort, of de stenen schenkkruik, of de tonnen, flesjes en hun openers. De Belgische biercultuur wordt hier ‘getypeerd’ door een publiciteitsbeeld, een elektronisch ontwerp, in aanloop naar de Unesco-erkenning als immaterieel patrimonium in 2016. De marketingstunt bestond uit een ‘vervormde’ Belgische vlag waarbij het gele middengedeelte onderaan taps vernauwde en bovenaan een witte, ietwat golvende strook die de schuimkraag van een pint opriep. Het verhaal eromheen behandelt historicus Marc Jacobs dan ook vanuit het standpunt van het reilen en zeilen voor zo’n erkenning door Unesco.

Een geschiedenis van België in 100 voorwerpen
 
Zo nemen meerdere voorwerpverhalen in dit didactisch geschreven boek een verrassende wending. Het gaat immers niet enkel over de materiaal- en vormkeuze van een voorwerp, over technisch vakmanschap, productievoorwaarden en omstandigheden. Voorwerpen bieden een andere insteek voor de kennis van het verleden.

De status van het object is radicaal veranderd. Tegenwoordig miskennen historici het niet langer, maar beschouwen ze een voorwerp als evenwaardig aan teksten, foto’s, geluid, gebouwen, kaarten, landschappen of elk ander spoor uit het verleden. Ze moeten dezelfde kritische behandeling krijgen. Historicus Peter Scholliers namens de redactie

Kruimels van de geschiedenis lijken de banale gebruiksvoorwerpen maar ze geven soms meer inzicht in een verleden dan geschreven, vaak selectieve documenten.

In die jaren 1960 […] werd het concept materiële cultuur populair onder invloed van maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen, zoals de geschiedenis van onderaf, het feminisme, de culturele draai in de techniekgeschiedenis en de postmoderne invulling van etnologie en archeologie. Kenmerkend was de belangstelling voor alledaagse handelingen als wonen, werken, koken, voedsel, ontspannen en winkelen. Dit onderzoek kende een belangrijke plaats toe aan objecten en schonk evenveel aandacht aan het materiële als aan het moeilijk grijpbare immateriële. Het ‘sociale leven van dingen’ – een benaming bedacht door Arjun Appadurai – vat mooi de benadering samen, waarin een voorwerp inhoud krijgt door de blik van opeenvolgende generaties. Peter Scholliers

De selectie van elk – chronologisch voorgesteld – object bevat de naam van het voorwerp, de datering, de techniek, het formaat, eventueel de maker, de herkomst en – belangrijk – de bewaarplaats.

De dissel uit het Gallo-Romeins Museum in Tongeren
De dissel uit het Gallo-Romeins Museum in Tongeren (CC0 – wiki)

Ongelijkheid

Het op één na oudste voorwerp dateert uit de periode 5.300 à 4.800 voor onze tijdrekening. Het is een dissel, die bewaard wordt in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren. De ovalen gepolijste steen – bijzonder hedendaags mooi in zijn vormgeving – was een voorloper van de latere (vuur)stenen bijlen en was een uitstekend werktuig om bomen te vellen. Dat fraaie maar schijnbaar onbenullig instrument getuigt evenwel van een hele kentering in de maatschappij.

De titel van het hoofdstuk luidt dan ook ‘Het begin van de sociale ongelijkheid’. De migranten uit Centraal-Europa die zich – zowat 7.300 jaar geleden – in onze contreien vestigden, brachten ook hun werktuigen mee, met name een ‘dissel’. Die nieuwelingen waren immers landbouwers die bewerkbare grond behoefden en het bosgebied van de jagers begonnen te ontginnen.

Algemeen wordt aangenomen dat de gemeenschappen van de jagers-verzamelaars egalitair waren. Dat wil zeggen dat iedereen gelijke toegang had tot levensnoodzakelijke goederen en dat elk lid van de gemeenschap een deel kreeg van de opbrengst van de exploitatie van natuurlijke voedselbronnen, zonder onderscheid, op basis van geslacht, of leeftijd. Sociale ongelijkheid lijkt haar intrede te doen met de komst van de eerste landbouwers. Binnen hun gemeenschappen duiken de eerste tekenen op van sociale competitie. Exotische dissels vinden we binnen een dorpsgemeenschap veel frequenter terug in en rondom de grootste woningen, die voorzien zijn van drie interne delen, en minder bij middelgrote tot kleine woningen. Misschien boden de grootste woningen, waarvan een deel ook dienst deed als graanschuur, onderdak aan de dorpsleider en zijn familie, al blijft dat voorlopig speculatief. Philippe Crombé – Het Begin van Sociale ongelijkheid
Zout
Zout (CC0 – Pixabay – kmarius)

Zout op de patatten

Onze streken hebben heel wat ‘vreemd volk’ over de vloer gekregen. En telkens veranderde de samenleving, de gebruiken en gewoontes, de cultuur. De Romeinen zijn – bij ons – niet enkel verantwoordelijk voor de heirbanen, de Latijnse taal, (deels) jurisdictie, de wijn… maar ook voor zoutwinning.

Als bewaarmiddel en smaakversterker was zout niet weg te denken uit de Romeinse voedselcultuur, maar waar kwam het zout in onze streken dan precies vandaan? Je hoeft het antwoord niet ver te zoeken, want het kwam uit de Noordzee. Zout kun je eenvoudig uit zeewater winnen door het water op natuurlijke wijze te laten verdampen in ondiepe bekkens of zoutpannen, salinae in het Latijn. Soortgelijke zoutpannen vind je tot op heden terug in gebieden met warme, droge zomers met voldoende zonne-uren en weinig neerslag, zoals het Middellandse zeegebied. Maar in Noordwest-Europa verhinderen de klimatologische omstandigheden het gebruik van zoutpannen en de natuurlijke pannen via zonne-energie. De lokale bevolking moest dus op zoek naar een alternatieve productiemethode. Ze kozen ervoor om het zeewater uit te koken en het uitgekristalliseerde zout te recupereren. Doordat het zoutgehalte van zeewater vrij laag is, verhoogden de producenten dat zoutgehalte eerst met behulp van verschillende technieken. Die geconcentreerde zoutoplossing of pekel verhitten ze vervolgens boven een vuur in diverse aardewerk vormen. In die containers verdampte de pekel geleidelijk aan en vulde het reservoir zich met de zoutkristallen. Die aardewerken zoutcontainers waren karakteristiek voor de zoutproductie langsheen de Noordzeekust in de IJzertijd en de Romeinse periode. Michiel Deconinck – De zoutproductie aan de Menapische kust

Dat soort wetenschappelijke weetjes die achtergronden van de geschiedenis reveleren, maken dit boek bijzonder boeiend. Er zijn de ‘traditionele’ voorwerpen: munten, kledingstukken, een spade voor een eerste steenlegging, kunstobjecten, een verlostang, feministische pamfletten, vinylplaten, weegschalen, muziekinstrumenten, kannen en teljoren, ringen, een zwaard, een fuik voor visvangst in de Brusselse Zenne in de vijftiende en zestiende eeuw, relieken, kaarten…

Recht op ongehoorzaamheid

Maar ook de ‘eerste democratische grondwet’ in het Hertogdom Brabant van 27 september 1312. Dat ‘Charter van Kortenberg’ werd verleend door Hertog Jan II, de Vreedzame, omdat hij centen nodig had. De voortdurende conflicten hadden zijn schatkist uitgeput. In ruil voor pecuniaire fondsen verleende hij – in een mooi stuk perkament met een serie van zegels – zijn geldschieters voorrechten. Bij die negen privileges hoorde de toekenning van een gedegen rechtspraak door de geëigende instellingen, het behoud van de vrijheden van de steden, de oprichting van de ‘Raad van Kortenberg’ die vooral het financiële en juridische hertogelijke beleid moest controleren maar ook zou toezien op de ‘arme en rijke’ Brabanders. Het document eindigde met het ‘recht op ongehoorzaamheid’ in geval van niet naleving van de overeenkomst.

Charter van Kortenberg
Charter van Kortenberg, 1312

Balorige Belgen en hun gezagdragers, het wrong heel vaak. Mede omdat ze vaak als ‘vreemd’ – buitenlands – werden ervaren. Zo ook Filips II ‘van Spanje’, zoon van ‘onze’ Karel, de Habsburger die in Gent geboren werd en voornamelijk in Brussel resideerde. De relatie van Filips II met de Zuidelijke (en ook Noordelijke) Nederlanden was er eentje van politieke, economische, religieuze conflicten. Na de Tachtigjarige oorlog stelde de soeverein in Madrid een ‘Akte van Afstand’ (1598) op. Daarbij werden de (Zuidelijke) Nederlanden als een soort bruidsschat geschonken aan zijn dochter Isabella en haar echtgenoot en achterneef Albrecht. Wel op voorwaarde dat die nieuwe landvoogden in de pas van het Spaans beleid liepen en dat Isabella het katholicisme eeuwig trouw zou blijven.

De beleidsperiode van die aartshertogen (eind zestiende / begin zeventiende eeuw) was een voorspoedige tijd en het (kinderloze) koppel genoot een zeker aanzien bij de bevolking. Daarvan getuigt een kanten bedsprei uit 1621. Het bewaarde textielstuk uit kloskant vertelt 120 taferelen en is een icoon van vrouwelijk vakmanschap:

Bekende schilders uit die tijd schilderden Albrecht en Isabella vaak ten voeten uit in een prachtige kledij. Op die schilderijen zie je dat beide vorsten altijd kantwerk droegen aan de mouwen, Rondom de hals of elders op hun kleding. Kantwerk was een luxeproduct, gemaakt van het fijnste linnen. Dat was gesponnen van het beste vlas. Kantwerkers waren hoofdzakelijk vrouwen. Zij behoorden niet tot een gilde, waardoor zo goed als geen archiefmateriaal terug te vinden is. Ze signeerden of dateerden hun kantwerk ook niet, en dat maakt de herkomst ervan niet altijd duidelijk. De zeldzame archieven die wel zijn overgebleven, zijn dan ook van cruciaal belang om meer te weten te komen over de kantoorwerkers en kanthandelaars uit de 16e en 17e eeuw. Een belangrijke bron zijn de koopmansboeken die de gezusters Plantin bijhielden in de tweede helft van de 16e eeuw. Daarin vermeldden ze de namen van vrouwen die afgewerkt kantwerk en linnen leverden voor hun winkel. Een van die vrouwen was waarschijnlijk een begijn, ‘Lisken Ackers, La Soeur de la Maison painte’. Begijnen waren onafhankelijke en spirituele vrouwen die in hun eigen onderhoud voorzagen. Naastenliefde, in eenvoud leven en manuele arbeid verrichten, vormden hun levensdoelen. Een belangrijke taak van de begijnen was ‘kanten ende spellenwerck’ maken. Aangezien de bedsprei van Albrecht en Isabella een enorm werk was dat zeker samenwerking heeft vereist, is het best mogelijk dat meerdere begijnen die dicht in elkaars buurt vertoefden, dit kunstwerk hebben gemaakt. Ria Cooreman – Een kantwerk als historische kroniek
De bedsprei uit 1621
Detail van de bedsprei uit 1621 (CC BY-KMKG / ImageStudio Koninklijke Musea voor Kunst & Geschiedenis, Brussel, inv. D.2543.00)

Per Taxi

Zo’n ‘internationaal’ territorium besturen vereist logistiek. Bovendien moet informatie beschikbaar zijn. De adellijke – zelfs keizerlijke – familie Habsburg heerste over Oostenrijk en omringende gebieden, later ook over de Bourgondische Nederlanden, Spanje en de buiten-Europese kolonies. Dat vergde een hele communicatie-infrastructuur. De Lombardische familie De Tassis had al in de veertiende eeuw een netwerk van postverbindingen tussen Italiaanse steden ontwikkeld. Op hun kunnen deden de Oostenrijkse keizers een beroep om brieven te laten circuleren.

In 1500 installeerde de firma De Tassis zich in Brussel nabij het Paleis op de Coudenberg en ze wordt dé referentie van toenmalige, internationale communicatie. Tot 1806 bestieren de Prinsen Von Thurn und Tassis de Kaiserliche Reichspost. Een postbedrijf was toen ook al geen sinecure, vooral niet voor het personeel. Dat is duidelijk te merken aan de achttiende-eeuwse rijlaarzen van een postiljon, bewaard in het STAM (Stadsmuseum Gent).

Door tijdsdruk, ongure weersomstandigheden en veelsoortige gevaren op de weg hadden de koetsiers het vaak hard te verduren, zeker bij nacht. Om hun onderbenen te beschermen tegen takken en struikgewas, opspringende stenen of een stoot van het paard, beschikten de postiljons of postrijders in de 18e eeuw over zware, lederen laarzen. Het was eigenlijk onmogelijk om daar op een normale manier mee te stappen. Maar de laarzen waren zo stevig dat een koetsier die met zijn been onder zijn paard terecht kwam, zich moeiteloos kon bevrijden door uit de laarzen te glijden. René Vermeir – Postbedrijf van Turn en Taxis in Brussel
Rijlaarzen van een postiljon
Rijlaarzen van een postiljon (STAM – Stadsmuseum Gent, www.artinflanders.be, foto: Dominique Provost – public domain)

Zoveel sierlijker is dan een ander schoeisel, een schaats uit de strenge winter van 1564-1565.

Hoewel schaatsen pas veel later een sportdiscipline werd waarin vooral de bewoners van het huidige Nederland uitblonken en die de sport zelfs tot op Olympisch niveau tilden, konden de mensen In de Zuidelijke Nederlanden tijdens de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd ook al heel aardig met ijsrijden overweg. Daarvan getuigt een miniatuur in een manuscript uit Gent, dat dateert van 1325. Het is een van de oudste afbeeldingen van een schaatser. Technisch gezien kon men op ijs glijden met behulp van schaatsen van bot, maar dit vereiste het gebruik van stokken om vooruit te komen. De methode verbeterde aan het einde van de middeleeuwen, toen metalen bladen werden bevestigd op een houten zool, wat moeiteloos schaatsen mogelijk maakte. Er werden verschillende modellen geproduceerd, maar vanaf de 16e eeuw overheersten schaatsen met een puntig blad, en iets later werd die gebogen. Het omhoog gebogen blad maakt het gemakkelijker om op oneffen oppervlakken te schaatsen. De zool had over het algemeen de vorm van een viool en was dwars doorboord om de leren riemen te laten passeren, waarmee de schaatsen aan de schoenen van de schaatsers werden bevestigd. Michèle Galand – Wanneer water ijs wordt: plezier in de winter… en de zomer.
Belgische schaats uit de zestiende eeuw
Belgische schaats uit de zestiende eeuw (Collectie Stad Antwerpen, MAS, inv. AV.2009.103.128.1–2, foto: Tom van Ghent)

Spelenderwijs

Technisch vernuft, inventiviteit en zich aanpassen aan de omstandigheden, daarvan getuigen speelgoed en de hele economische achtergrond.

In de middeleeuwen maakten kinderen eenvoudig speelgoed, vaak zelf, zoals een houten zwaardje of een popje. Maar daarnaast vervaardigden ook vakmannen een groot deel van het speelgoed, hoewel er geen gilden bekend zijn die zich daar specifiek op toelegden. De meeste ambachtslui maakten het merendeel van dat speelgoed als een bijproduct. Zo draaide de houtbewerker ook tollen en stak de pottenbakker poppengoed, zoals aardewerken, potjes en pannetjes, mee in de oven, tussen het gewone vaatwerk.

In onze contreien bestond er van bepaalde speelgoedvoorwerpen duidelijk een productie op grote schaal. Dat gold zeker voor de ruitertjes en ander speelgoed in een legering van tin en lood. De tingieters goten die in mallen die uit twee helften bestonden, zodat ze het voorwerp er eenvoudig uit konden halen. De mal zelf konden ze wel honderden keren opnieuw gebruiken. Bovendien waren de grondstoffen voor dit speelgoed – lood en tin – vrij goedkoop. Tingieters gebruikten in hun werk zelfs vaak oude objecten als grondstof, door bijvoorbeeld lepels om te smelten. Voor goedkope producten als speelgoed hebben ze dat trucje ook zeker toegepast. Vanwege de grote hoeveelheid aan gegoten kleine voorwerpen en miniaturen, kun je zelfs van een massaproductie spreken. Jan Huyghe – Kleine Ridders van de Ronde Tafel

Merkteken dat werd achtergelaten bij een vondeling
Merkteken dat werd achtergelaten bij een vondeling (OCMW-archief, Brussel, foto: Philip Vanoutrive)

Gevonden

De kindertijd was voor velen echter niet zo rooskleurig. Al zeker niet voor de vondelingen die (letterlijk) weinig levenskansen hadden. Door ongewenste zwangerschappen, door grote armoe, door omstandigheden werden baby’s te vondeling gelegd. Op de drempel van een kerk, een huis, een molen of in de vondelingenschuif (ze bestaat nog in Antwerpen). In de hoop op betere tijden stak de moeder – soms – een merkteken bij het kleine busseltje.

Een analfabete moeder knipte – bijvoorbeeld – een speelkaart in twee, stak één stuk bij haar kind en behield een tweede, zodat ze later kon ‘bewijzen’ dat het haar kind was. In Brussel werden rond 1850 jaarlijks meer dan… zeshonderd kinderen op openbare plekken te vondeling gelegd. Een van die merktekens wordt bewaard in het archief van het OCMW (Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn) in Brussel.

Het merkteken is een eenvoudig briefje met alleen een naam en een datum, maar vergezeld van een stuk sleutel van een klok aan een touwtje. Het vermelden van een naam weerhield de vondelingenmeester die het rapport opstelde, er niet van om het kind een nieuwe naam te geven: ‘Gertrudis De Rutte’. Hij schatte haar leeftijd op een jaar en twee maanden. Het meisje was om 19 uur 30 gevonden in de Voldersstraat, tegen de deur van het Huis van de heer Bevers. Ze droeg kleding, die als ‘uytersten slecht ende vuyl’ werd beschreven. Hoewel het briefje 16 maart aangeeft, is de vondst gedateerd op 15 maart. Omdat men niet wist of het meisje gedoopt was, werd ze voor alle zekerheid opnieuw gedoopt in de parochie die hoorde bij de vindplaats, dus in Sint-Goriks. Ze werd vervolgens geplaatst in het gezin van Joost van Espen in Sint- Pieters-Woluwe. Een jaar later meldde de moeder zich om haar kind op te halen. En het werd haar op 4 april 1761 teruggegeven. Dit merkteken illustreert dus de derde mogelijke uitkomst, naast emancipatie of overlijden, namelijk de teruggave aan de familie. Dat was veeleer uitzonderlijk, maar dergelijke gevallen werden toch geregeld gedocumenteerd. David Guilardin – Vondelingen tussen ellende en hoop

En nog?

En zo kunnen nog honderden andere voorwerpen onder de loep genomen worden. Geschiedschrijving is immers nooit af. Musea zijn onvolledige bewaarplaatsen. Wie weet wat er nog opduikt? Elk nieuw, ongekend voorwerp kan de huidige kijk op het verleden herschikken:

Dit boek heeft ambities. Het wil bijdragen tot een grondigere kennis van het verleden, via voorwerpen in een context. Het boek pleit voor het belang van voorwerpen als historische bron en hoopt aan te tonen dat voorwerpen niet alleen de kennis kunnen verdiepen, maar ook vernieuwen. Peter Scholliers namens de redactie

Boek: Een geschiedenis van België in 100 voorwerpen

×