Verscholen in het lieflijke landschap van de Antwerpse Zuiderkempen ligt het woondorp Tongerlo, bekend om zijn norbertijnenabdij. Op het eerste gezicht lijkt er weinig bijzonders te zien, ware het niet dat zich hier sinds circa 1130 een kloostergemeenschap vestigde, die in de daaropvolgende eeuwen uitgroeide tot een vermaard religieus en cultureel baken met uitstraling tot ver buiten de regio. Een kennismaking:
De Heilige Norbertus, stichter van de Orde

Geboeid door de armoedebeweging ‘Pauperes Christi’ trok hij daarna als rondtrekkend prediker door onze contreien en tal van landen tot hij onder stimulans van Bartholomeus van Laon en met de steun van de toenmalige paus Calixtus II (ca. 1060-1124) samen met enkele gezellen in het dal van het Franse Prémontré de kans kreeg om een nieuwe kloostergemeenschap te stichten. Norbertus opteerde om zijn geloof samen met zijn medebroeders te beleven volgens de vrij strenge regels en richtlijnen van de Heilige Augustinus (354-430), de vroegere bisschop van Hippo, een stadje in het huidige Algerije dat voorheen decennia lang het uitgesproken centrum was van het vroege Christendom.
De jonge kloosterorde werd enkele jaren later, in 1126, definitief erkend door paus Honorius II (ca. 1060-1130) en kende onmiddellijk een ongekende bloei en uitstraling. Norbertus zelf werd in datzelfde jaar aangesteld als aartsbisschop van Maagdenburg waar hij later, op 6 juni 1134, zou overlijden.
De stichting en turbulente geschiedenis van de abdij

Vrij snel volgden nog tal van andere schenkingen waardoor de abdij steeds verder in aanzien en belangrijkheid toenam. De abdijbezittingen waaronder verscheidene boerderijen, molens, pachthuizen, bossen en tiendenschuren lagen op een bepaald moment zowat verspreid over het ganse toenmalige Hertogdom Brabant. Mede door deze bezittingen en de daarmee gepaard gaande opbrengsten kon de abdij een belangrijke sociale rol vervullen door onder meer de armen te helpen en op grote schaal aan liefdadigheid te doen.
Het nieuwe convent van Norbertinessen en hun mannelijke medebroeders overleefde bij wijze van spreken echter niet de dertiende eeuw. Het dubbelklooster kampte immers binnen de kortste keren met plaatsgebrek en onder impuls van abt Jan Geerts verhuisde de Norbertijnse zustergemeenschap naar het ‘Besloten Hof’ in Herentals.
Medio zestiende eeuw kwam de abdij onder het bestuur te staan van de bisschoppen van ’s Hertogenbosch die de kloostergemeenschap lieten leiden door commanditaire abten. Pas einde 1590 kon de abdij zich vrijkopen van dit vreemde gezag en haar volledige autonomie terugwinnen. Niet zonder echter een hoge prijs te betalen, want omzeggens het merendeel van het grondbezit in Noord-Brabant diende verkocht te worden om de niet geringe afkoopsom te kunnen ophoesten.
Toen paus Clemens XIV (1705-1774) met zijn bul Dominus ac Redemptor noster (vert: ‘Onze Heer en Heiland’) de Jezuïetenorde in 1773 ophief, waren het de abten van Tongerlo die de ‘Acta Sanctorum’, een hagiografische bundel bijeengeschreven door Bollandisten (Instituut vernoemd naar de Nederlandse jezuïet Jean Bolland), van hen overnamen en zo dit levenswerk voortzetten.
Onder abt Godfried Hermans werd in de achttiende eeuw de abdij meegesleurd in de Brabantse Omwenteling. (zie ook artikel: De Boerenkrijg) De kortstondige queeste naar zelfbestuur voor onze contreien liep echter voor de abdij bijna faliekant uit, want toen de Oostenrijkse bestuurders opnieuw de macht overnamen werd het convent samen met alle bezittingen onder sekwester geplaatst, hetgeen nogmaals gepaard ging met aanzienlijk materieel verlies. Kort daarop volgde wederom een opdoffer van formaat toen de Franse revolutionairen de abdij in 1796 gewoonweg lieten sluiten. De abdijgebouwen werden grotendeels hetzij afgebroken, hetzij verkocht, de resterende bezittingen aangeslagen, de kunstschatten verkocht aan de meest biedende of zelfs ijskoud brutaal vernietigd.

De gevluchte kloosterlingen bleven echter niet bij de pakken zitten en amper enkele decennia later, in 1840, werd met de bouw van een nieuw abdijcomplex gestart, maar andermaal sloeg het noodlot toe: op 23 april 1929 viel een groot deel van de abdijgebouwen ten prooi aan een brand, maar net zoals een feniks, herrees de kloostergemeenschap opnieuw uit haar as en is daardoor de abdij van Tongerlo nu nog altijd prominent aanwezig in ons religieus- en erfgoedlandschap.
Het abdijcomplex onder de loep
Een in 1678 aangeplante majestueuze lindendreef leidt de bezoeker nog steeds naar een imposant en fraai toegangsportaal met een veertiende-eeuwse laatromaanse onderbouw en een uit de zestiende eeuw daterende imponerende gotische bovenconstructie. De drie nissen in de voorgevel bevatten respectievelijk beelden van de moeder Gods, tevens de beschermheilige en patrones van de abdij, en van de Heilige Barbara en Catharina. Op de binnengevel van hetzelfde poortgebouw prijkt in een nis dan weer het beeld van de Heilige Dimpna, afgebeeld met haar attributen, namelijk een kroon, boek, zwaard en een geketende duivel.
Eenmaal aangekomen op het enorme binnenplein valt onmiddellijk het prelaats- of abtsgebouw op dat volgens de plannen van de vermaarde architect Willem Ignatius Kerrickx (1682-1745) werd ontworpen en op miraculeuze wijze heelhuids de turbulente geschiedenis van het kloostercomplex heeft kunnen doorstaan. Het pand is alleen al omwille van het bijzonder mooie zeventiende en achttiende-eeuwse meubilair en de talrijke schilderijen een bezoek waard. Opmerkelijk is ongetwijfeld de kleine triptiek met De Pïeta dewelke wordt toegeschreven aan de befaamde kunstschilder Rogier van der Weyden (ca 1400-1464).
Een andere blikvanger is de neogotische abdijkerk gebouwd naar de plannen van de architect Pieter Paul Stoops. Binnenin trekken vooral de ambones versierd met Byzantijns mozaïekwerk en enkele sublieme schilderijen van onder andere de Antwerpse barokschilder Erasmus Quellin (1634-1715) de aandacht.

Naast de vele andere gebouwen die deel uitmaken van het abdijcomplex vallen voornamelijk aan de westzijde van het binnenplein de in witte zandsteen opgetrokken hoevegebouwen op en de zogenaamde ‘Kleine schuur’ of ‘Boerenkrijgschuur’, waar volgens de overlevering de Brigands tijdens de Brabantse Omwenteling in het grootste geheim hun vergaderingen hielden en hun kogels goten.
Een opmerkelijk museum

Het hoeft dan ook geen betoog dat het ontegenzeggelijk bijzonder rijke verleden van deze indrukwekkende abdij samen met het talrijk en vaak uniek kunstpatrimonium op de geïnteresseerde bezoeker of kunstliefhebber een onuitwisbare indruk zal nalaten.
Het Rood Klooster bij Brussel – geschiedenis van een priorij
Padmasambhava (ca. 710-797) – Monnik
Cisterciënzerkloosters in Nederland, 1165-1797
Trappist en abdijbier: geschiedenis en verschillen