De kunstschilder Gustav Klimt (1862-1918) is weleens betiteld als de ‘Weense Casanova’. Voor deze kunstenaar, die de vrouw met al haar raadselachtigheid en sluimerende wellust op het doek heeft gezet, is dat een niet onbegrijpelijke bijnaam. Maar dat wil niet zeggen dat Klimt zich in elke sponde met elk type vrouw thuis voelde. Klimt bleef zijn leven lang onderscheid maken tussen de vrouw die hij op welhaast hoofse wijze aanbad en bijna vreesde en de vrouw met wie hij zijn seksuele pleziertjes deelde.

Rond de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw, in een tijd dat er in Wenen, onder invloed van Sigmund Freud, een narcistische dwaaltocht werd ondernomen naar het nieuwe ego, naar een andere levensoriëntatie dan die van de verkalkte bourgeoisie, met de achter hun frak gevangen heertjes en de in hun korsetten gesnoerde, nuffige dametjes, werkte Klimt als decoratieschilder in opdracht van de gemeente Wenen.
Samen met zijn kunstbroeders maakte hij wandschilderingen en doeken voor het Burgtheater en het Kunsthistorisches Museum in deze metropool. Op zijn schilderijen liet hij het theaterpubliek in de zaal zien, de mensen die het voor het zeggen hadden in Wenen, allemaal zeer herkenbaar en levensecht afgebeeld. Het streelde hun ijdelheid en dat leverde Klimt veel werk op.

‘Alle kunst is erotisch.’ Een uitdagend ‘statement’ van Bauhaus-architect Adolf Loos (1870- 1933). In de horizontale lijn zag Loos een liggende vrouw, in de verticale een man die de liefde met haar bedreef. Die Freudiaans gekleurde visie gaat wellicht iets te ver. Maar dat veel belangrijke kunst een erotische lading heeft, is een onwankelbaar gegeven. In dit artikel staat de superieure vrouw van Gustav Klimt centraal – een terugkerend motief in zijn sensuele en symbolisch geladen werk.

Klimt verloor met zijn erotische werk de klandizie van de bourgeoisie maar oogstte de bewondering van vele rijke dames, die zich wel als een goddelijk en onaards wezen wilden laten schilderen door de kunstenaar. Een schilderij van een zwangere vrouw doopte hij verhullend De Hoop. Dat laatste doek wekte veel beroering in conservatieve kringen. Men sprak er schande van. Het werd aangekocht door Fritz Wärnsdorfer, de oprichter van de Wiener Werkstätte, die het bewaarde in een afsluitbare schrijn in zijn huiskamer, waaruit het pas tevoorschijn werd gehaald als er gelijkgestemden op visite waren, als een soort afgodsbeeld van de nieuwe tijd.
In zijn tekeningen bracht Klimt het vrouwelijk lichaam openlijker in beeld. Onder de opgetrokken jurken zette hij het geslacht extra aan. Maar door zijn ranke en arabeskachtige lijnen onttrok hij de voorstelling aan de pornografie. De vrouwen kregen iets archetypisch, bevonden zich ‘jenseits Gut und Böse’. Dat is goed te zien op het schilderij Danaë, waarop de dame in zichzelf gekeerd van haar wellust geniet. De dijen en het achterwerk van de vrouw nemen bijna één derde deel van het schilderij in.

Klimt moet genoten hebben tijdens het maken van dit schilderij. Hij leefde samen met zijn moeder en twee zusters op een etage in Wenen. Keurig. Zijn pakken werden geperst, zijn schoenen glanzend gepoetst. En zo ging hij naar zijn atelier, waar vrouwen de godganselijke dag in hun blote kont rondliepen, in de bevalligste houdingen poseerden en af en toe een goedkeurend klapje op hun billen kregen van de grote meester. Voor Klimt waren er twee soorten vrouwen: de goddelijke, ondoorgrondelijke, vrouw en de aardse. Aan een schilderij als Danaë is te zien dat hij de zachtheid van die laatste soort toch wel erg moet hebben liefgehad.