Geschiedeniswinkel - Duizenden geschiedenisboeken

‘Gedisciplineerd kamperen’ – Kampeerregels uit de jaren ’40

Naar buiten. De geschiedenis van kamperen in Nederland – Hans Buiter
Onlangs verscheen bij de de ANWB het boek Naar buiten. De geschiedenis van kamperen in Nederland. In dit boek neemt Hans Buiter de lezer mee op een reis van ruim honderd jaar, vanaf de vroege twintigste eeuw toen landgenoten het van oorsprong Engelse fenomeen oppikten tot aan de huidige tijd waarin een ongekend aantal het kamperen omarmen. Veel is er veranderd door de jaren heen. Maar ‘de hang naar vrijheid’ is altijd gebleven. Op Historiek een fragment over hoe de ANWB probeerde om het kamperen in de periode na de Tweede Wereldoorlog in goede banen te leiden.


Hernieuwde energie

Na de bevrijding was het enthousiasme om weer te gaan kamperen groot. Nu mocht het weer. In de zomer van 1945 organiseerde de NTKC een feestelijk bevrijdingskamp. Met het materiaal bleef het echter aanvankelijk behelpen. Petroleum was slechts spaarzaam te krijgen en textiel bleef nog een paar jaar op de bon. Vanaf januari 1946 verscheen wel de Kampeerkampioen weer. In de naoorlogse periode zette de ANWB haar lobbywerk bij gemeenten en provincies voort om kampeerterreinen toe te staan en stimuleerde ze particulieren om kampeerterreinen op te zetten. De bond verspreidde model-kampeerverordeningen en streed net als voor de oorlog tegen kampeerverboden.

Het in 1946 door de ANWB uitgegeven handboek Goed Kamp informeerde over zaken als hoe en waar je het beste je tent kon opzetten, hoe je op een primus moest koken en je je kampeeruitrusting kon vervoeren. Uit: Naar Buiten
Nieuwe problemen voor kampeerders ontstonden in Zuid-Nederland waar de katholieke kerk de teugels na de anarchie en chaos van de bezettingstijd weer probeerde aan trekken. Kamperen werd één van de speerpunten van de kerk. Het startte een offensief tegen gemengd kamperen en lobbyde bij gemeenten om gemengd kamperen te verbieden en een strikte scheiding in mannen- en vrouwenvelden af te dwingen. Al snel regende het klachten van leden bij de ANWB over de kampeerterreinen in een populaire vakantieplaats als Valkenburg aan de Geul waar je als gezin niet bij elkaar op hetzelfde veld mocht staan. De ANWB ageerde tegen de kampeerverordeningen in Limburg die het mannen en vrouwen niet alleen verbood om in één tent te slapen, maar ze zelfs naar aparte veldjes verwees. De bond raadde gezinnen aan de dertig Limburgse gemeenten die de nieuwe door de kerk geadviseerde regels hanteerden, te mijden. De bond hield de betrokken gemeenten voor dat ze het kamperen in gezinsverband hiermee onmogelijk maakten. Kamperende gezinnen begonnen daarop Limburg inderdaad te mijden. Toen kamperende gezinnen en stellen wegbleven en alleen jongens nog kwamen kamperen op de terreinen in Valkenburg aan de Geul, klaagde de gemeente Valkenburg bij de ANWB over de onrust die door de eenzijdig samengestelde groep kampeerders op haar terreinen ontstond. De ANWB reageerde meesmuilend. De telkens aangescherpte regels waardoor kamperende gezinnen Valkenburg links lieten liggen, had ze nooit begrepen. Na enkele jaren pasten Valkenburg en de meeste andere gemeenten de regels aan. Ze wilden de kampeerders niet missen.

Ben je een goed kampeerder?

In het voorjaar van 1947 lanceerde de ANWB de campagne ‘Ben je een goed kampeerder?’ om de gewenste gedragsregels tijdens het kamperen onder de aandacht te brengen. Uit: Naar Buiten
Om bezwaren tegen kamperen en kampeerders weg te nemen, startte de ANWB in 1947 de campagne ‘Ben je een goed kampeerder?’. De actie was bedoeld om kampeerders en trekkers aan te sporen hun kampeerstijl te verbeteren en zich gedisciplineerder te gedragen. De ANWB schreef aan terreinbeheerders en omroepfunctionarissen dat ze op de bres stond voor de kampeerders en hierbij steeds meer succes had.

“Tal van gemeentebestuurders en grondeigenaren, die vroeger afwijzend stonden tegenover het kampeeren, hebben thans hun houding ten gunstige van deze vorm van toerisme gewijzigd.”

Maar ze schreef nog steeds te veel kampeerders tegen te komen ‘die elke stijlgevoel missen en het kamperen vereenzelvigen met lawaai maken, baldadig gedrag en lol trappen’. Volgens de bond waren deze kampeerders vaak geen lid geweest van jeugdbewegingen en waren gezin en school in hun taak te kort geschoten om ze discipline bij te brengen. ‘Kampeeren is de vorm van toerisme, die de grootste mate van innerlijke beschaving eischt,’ schreef Van der Weijde. Hij benadrukte dat de kampeerders zich aan de geschreven regels, maar ook aan de ongeschreven regels moesten houden. De grondgedachte moest zijn:

“Als kamperende ben ik de gast van den eigenaar van het terrein en van de omwonenden. Het heiligste gastrecht legt mij de verplichting op overal en te allen tijden tijde rekening te houden met de – dikwijls onuitgesproken – wenschen van mijn gastvrouwen en gastheeren. Hou je hier rekening mee, dan ben je een goed kampeerder.”

De bond regelde dat ze een toespraak van Van der Weijde kon uitzenden op de zaterdag voor Pinksteren over de nationale radio onder de titel ‘Een vraag op den man af’. Pinksteren was hét startpunt van het kampeerseizoen en daarmee een goed moment om de boodschap over te brengen. Er waren naar schatting in dat weekend zo’n tienduizend kampeerders op Nederlandse kampeerterreinen aanwezig. Met affiches en pamfletten riep de ANWB kampeerders op om in kantines en beheerderswoningen naar de radiorede te luisteren. Van der Weijde hield ze voor in zijn rede:

“Men legge derhalve geen houtvuur aan zonder toestemming van den eigenaar of boschwachter! Houdt het terrein gedurende Uw verblijf steeds netjes en ruimt voor uw vertrek alle afval op! Reeds menige aanvraag tot kamperen werd om deze reden niet meer ingewilligd.”

Voorkant van een door de ANWB uitgegeven
beknopte kampeerhandleiding, eind jaren veertig. Uit: Naar Buiten
De boodschap van de noodzaak van beheerst kamperen ventileerde de ANWB in vele toonaarden. In 1947, 1948 en 1949 waren dergelijke geluiden in de Kampeerkampioen herhaaldelijk te horen. Vaste ‘gast’ in het blad was ‘Koos Bierkaai’, een kampeerder die zich van geen enkele regel wat aantrok, veel rotzooi maakte, er als een landloper uitzag en vanzelfsprekend ieder jaar zijn kampeerkaart veel te laat aanvroeg zodat hij bijdroeg aan de grote seizoendrukte op de Kampeerkaarten Centrale.

Ook het boekje Met tent en rugzak! Het avontuurlijke verhaal van een troepje jongens, dat uit kamperen gaat dat de ANWB in deze periode uitgaf, was bedoeld om het gedisciplineerd kamperen voor het voetlicht te brengen. De bond gaf het uit in samenwerking met de Coöperatieve Groothandelsvereniging De Handelskamer HAKA. Klanten kregen bij de boodschappen in de winkels van de coöperatie plaatjes die ze in een album met verhaal konden plakken. Het boek presenteerde het verhaal van Rob uit Amsterdam die met een aantal andere jongens een reisclubje oprichtte. Ze maakten zwerftochten langs meren, door polders, over de Zuiderzeedijk en langs het Noordzeekanaal. De 19-jarige Piet van Rees begeleidde de jongens om hun ouders gerust te stellen. Van Rees was een ervaren kampeerder. De jeugdige lezers leerden hoe je trektochten per fiets kon maken, de natuur kon verkennen en hoe je een tent moest opzetten en op een primus diende te koken. Het boekje was bijzonder populair. Er werden tienduizenden exemplaren van verspreid.

Overzicht van een ANWB-oefenkamp aan de Overijsselse Vecht in Ommen. De foto laat zien dat ook ouderen aan het kamp meededen.  Uit: Naar buiten
Overzicht van een ANWB-oefenkamp aan de Overijsselse Vecht in Ommen. De foto laat zien dat ook ouderen aan het kamp meededen. Uit: Naar buiten

De ANWB-oefenkampen

Na de oorlog pakte de ANWB ook haar kampeercursussen weer op. Aanvankelijk deed ze dat op de Veluwe, vanaf 1948 huurde de bond hiervoor een terrein in Ommen aan de Overijsselse Vecht. Het terrein lag idyllisch aan de snel stromende rivier. De cursussen waren bedoeld voor beginnende kampeerders. ANWB-mentoren leidden de kampen. ‘Om deze kampen zo effectief mogelijk te maken en alles wat op een school of een cursus lijkt eruit te weren, wordt de theorie van het kamperen in het kamp tot het uiterste beperkt’, verzekerde de bond. De kampen waren bedoeld als vakantie, maar het was wel een vakantie die elke dag om half zeven begon. Tot 1951 werd het kamp dagelijks gestart met het slaan op een gong ten teken dat iedereen kon opstaan. Het ritueel werd gestopt na klachten van een nabij gelegen pension wiens gasten er ook wakker van werden. De kampen waren bedoeld om de aspirantkampeerders wegwijs te maken in de technische kant van het kamperen, maar vooral ook om hen te stimuleren een goede kampeerhouding te ontwikkelen. Help je medekampeerders, zo werd ze geleerd, wees beleefd tegen de plaatselijke bevolking en ga correct gekleed het terrein af. Deelnemers hoefden voor het kamp geen kampeerspullen te kopen, die kregen ze in het magazijn. Aan de hand van hun ervaringen konden ze bepalen welke uitrusting ze zouden willen kopen. De kampen duurden twee weken. De eerste week kampeerden de deelnemers op het terrein, de tweede week gingen ze op hike – een trektocht met rugzak en tent. De hike was bedoeld als oefening in zelfstandigheid. De ANWB oefenkampen werden zowel door gezinnen als door jongeren bezocht. Ze leerden over het belang van het dagelijks omslaan van het grondzeil om het gras goed te houden, hoe je een primus schoon hield en hoe je op houtvuur moest koken. Een hoogtepunt van het kamp was het afsluitende kampvuur, opgeluisterd met voordrachten. Na afloop van het kamp kregen de deelnemers een diploma uitgereikt.

Het kampeerpaspoort

Naar Buiten Een geschiedenis van Nederlanders en kamperen
Naar Buiten. Een geschiedenis van Nederlanders en kamperen – Hans Buiter
Een ander initiatief was de introductie van het kampeerpaspoort door de Kampeerkaarten Centrale waar de ANWB in 1946 mee kwam. Het paspoort was bedoeld voor geoefende kampeerders die getoond hadden ook buiten de gebaande paden goed te kunnen kamperen. Je kon als kampeerder op twee manieren aan een dergelijk paspoort komen: op aanbeveling van jeugdbewegingen als de padvinderij, de VCJC en de AJC of door het afleggen van Inspectie van een tent tijdens een ANWB-mentorkamp in Velzen, 1950. Wie voor het laatste koos, kampeerde drie weekenden onder toezicht. Houders van kampeerpoorten waren gerechtigd overal te kamperen waar de eigenaar van de grond dit toestond in gemeenten die de kampeerpaspoorten erkenden. Geleidelijk ontstond in het land een heel netwerk van dergelijke gemeenten. Voor de kampeerpaspoorthouders was de oude situatie van voor de kampeerverboden uit de jaren dertig hiermee hersteld. Opvallend was dat aan de Hollandse kust met uitzondering van de Zuid-Hollandse eilanden geen enkele gemeente aan deze regeling mee deed. Staatsbosbeheer ondersteunde de regeling wel.

Hoe primitief sommige van deze terreinen waren, blijkt wel uit het voorzieningenniveau van één van de eerste van deze paspoortterreinen, de ‘Lange Paal’ op Vlieland. Vanaf 1946 was de enige voorziening een pomp. Pas in 1965 zou het terrein met een toilethuisje worden uitgerust. Tot die tijd moesten kampeerders zich behelpen met kampschop. Op de paspoortterreinen bleef het oorspronkelijke ideaal van primitief kamperen in de vrije natuur springlevend.

~ Hans Buiter

Boek: Naar Buiten – Han Buiter
Ook interessant: Buiten! Waar de vogels fluiten

Bestel dit boek bij:


Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister


Uit het archief:

Meer tips ➱