Slachtoffers of beulen?
Veel oud-CPN’ers of mensen die lange tijd sympathie voor het communisme hebben gekoesterd worden nog altijd kwaad als je wijst op het totalitaire en misdadige karakter van deze ideologie. Dat was iets wat zich elders afspeelde, en bovendien moet je eventuele excessen ‘in hun tijd zien’. Het stalinisme was niet fraai, maar die anticommunisten waren ook geen lieverdjes. Hoeveel slachtoffers hebben het fascisme en ‘het imperialisme’ (waarmee altijd het ‘westerse’ imperialisme wordt bedoeld, nooit dat van Rusland) wel niet gemaakt? En omdat de CPN hier nooit aan de macht is gekomen had een Nederlandse communist helemaal niets te maken met de Goelag of de killing fields in Cambodja, zo voeren ze aan. Sterker nog, de Nederlandse communisten werden vervolgd door een vijandige overheid die hun op schandalige wijze het leven zuur maakte.
Nog altijd wordt er met enorme verontwaardiging geschreven over het feit dat de BVD de leden van de CPN en haar mantelorganisaties heel nauwlettend in de gaten hield en tot op zekere hoogte ook intervenieerde in de partij. Vooral sinds eind 2022 ruim zeventigduizend persoonsdossiers die de BVD bijhield openbaar zijn gemaakt krijgt deze kwestie weer veel aandacht. Allerlei journalisten en historici hebben zich op deze dossiers gestort en publiceren vaak zeer verontwaardigde stukken over hun bevindingen. Ook worden voormalige communisten of hun kinderen dikwijls geconfronteerd met dergelijke dossiers, waarna ze zich vol woede mogen uitspreken over het grote onrecht dat leden van de CPN is aangedaan.

Tjonge, dat hij daartoe bereid was. Daar kijk ik wel van op.

Mijn vader was een communist, maar tegelijkertijd een humanist. Hij geloofde in het parlementaire stelsel […] Ik ben hem nog altijd innig dankbaar dat hij afstand heeft genomen van de communistische partij toen de misdaden van Stalin bekend werden.

Doordat de CPN heel lang, van 1938 tot 1977, werd gedomineerd door Paul de Groot, ontstond bij veel Nederlandse (ex-)communisten de neiging om alles wat er minder fraai was aan de geschiedenis van de CPN op het conto van de ‘Nederlandse Stalin’ te schrijven. Een typisch voorbeeld hiervan is het hagiografische boek dat Ger Harmsen schreef over Daan Goulooze. Deze wordt hierin niet alleen afgeschilderd als een bijzonder efficiënte organisator en een moedige verzetsstrijder, maar ook als een bijzonder oprechte en sympathieke kerel met het hart op de goede plaats. Dus als de absolute tegenpool van de in de ogen van Harmsen achterbakse, naar boven likkende en naar beneden trappende, en eigenlijk laffe Paul de Groot. Nu is het heel goed mogelijk dat Goulooze in de persoonlijke omgang een prettiger mens was dan De Groot, maar ook hij was een volstrekt linientreue stalinist, die zonder morren alle bevelen van Moskou opvolgde en die van mening was dat ‘de partij’ altijd gelijk had. We kunnen uiteraard niet weten wat Goulooze zou hebben gedaan als de communisten hier aan de macht waren gekomen en hij een rol in dat regime had kunnen spelen. Maar hij leek in veel opzichten wel op iemand die voor de oorlog ook tal van geheime opdrachten voor de Komintern uitvoerde, en met wie Goulooze samenwerkte. Ik doel dan op Ernst Wollweber, die na de oorlog in de DDR hoofd van de Stasi werd. CPN’ers maakten niet zelden grappen over wie ze allemaal ‘tegen de muur’ zouden zetten zodra ze aan de macht zouden zijn. Dat waren zeker grappen, maar het was een grimmig soort humor met een ondertoon die soms wel degelijk serieus was.
Dat Nederlandse communisten zich in Nederland niet ontpopten als beulen – het belasteren van politieke vijanden en in ongenade gevallen partijgenoten laat ik hier buiten beschouwing – wil niet zeggen dat ze louter weerloze slachtoffers waren. Communisten en sympathisanten werden inderdaad heel lang in de gaten gehouden door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Die diensten gingen daarbij soms heel ver – verder dan tegenwoordig wettelijk is toegestaan – en een tijdlang werden communisten uitgesloten van bepaalde functies of gehinderd bij hun carrière. Soms waren die maatregelen erg overdreven en voor de betrokkenen moet het dikwijls erg onaangenaam zijn geweest. Naar aanleiding van een hijgerig artikel over het door de BVD in de gaten houden van bestuursleden van het Auschwitz Comité – dat in de jaren vijftig en zestig een communistische mantelorganisatie was – schreef Jolande Withuis:
Zelf ben ik opgegroeid in zo’n door de BVD gevolgd communistisch gezin, en ja, dat was naar. Maar dat het naar was maakt het niet per se onterecht. Dát is het grootste misverstand.

De veiligheidsdiensten hadden en hebben de taak om de democratische rechtsstaat te beschermen. Bewegingen of groepen die zich tot doel stellen die rechtsstaat aan te tasten of zelfs af te schaffen, dienen door de diensten nauwlettend in de gaten te worden gehouden en zo veel mogelijk geneutraliseerd te worden. Vandaar dat de AIVD tegenwoordig met grote belangstelling kijkt naar onder meer jihadisten, linkse en rechtse extremisten, en lieden die hier de belangen van ondemocratische regimes dienen. En omdat de CPN heel lang een ondemocratische beweging met een totalitaire ideologie was, die bovendien herhaaldelijk verklaarde dat ze hoopte dat de Sovjet-Unie ook hier een communistisch bewind zou installeren, was het niet meer dan logisch dat de BVD de Nederlandse communisten observeerde, afluisterde en soms ook manipuleerde. Wanneer de veiligheidsdienst dat niet had gedaan, zou ze geen knip voor haar neus waard zijn geweest.
Waar wel kritiek op geleverd kan worden, is het feit dat de BVD het wel erg lang heeft volgehouden. Ook toen de CPN zich niet meer opstelde als verlengstuk van het Kremlin en de partij zich meer en meer begon aan te passen aan de Nederlandse samenleving. De meest voor de hand liggende verklaring hiervoor – dat men het nu eenmaal gewend was en al die ambtenaren die zich met het communisme hadden beziggehouden toch iets te doen moesten hebben – is uiteraard geen excuus.
Ook zou men zich kunnen afvragen of de BVD zich niet had moeten beperken tot het vergaren van inlichtingen, in plaats van in te grijpen in de interne dynamiek van de CPN. In hoofdstuk acht zijn de zogenoemde ‘kaderbrieven’ aan de orde gekomen, waarmee de dienst eind jaren vijftig het ontstaan van een oppositie binnen de CPN bevorderde. En in de jaren zeventig zette de BVD zelfs een maoïstisch partijtje op, de Marxistisch-Leninistische Partij van Nederland (MLPN), die helemaal gerund werd door haar agenten. Die laatste exercitie leverde weinig op, maar hoe legitiem was het stimuleren van onenigheid in de CPN?
Mag een overheidsapparaat ingrijpen in een legale, democratisch gekozen politieke partij?
