Hieronder staan voorbeelden van de misdrijven die Schaap beging en de slachtoffers die hij daarbij maakte. Het is niet mogelijk om een compleet overzicht te maken. Ten eerste is er geen totaaloverzicht, want niet alle slachtoffers zijn bekend. Ten tweede is de lijst van wat wel bekend is zo lang, dat daar een heel boek mee gevuld zou kunnen worden. Onderstaande voorbeelden zijn exemplarisch voor wat Schaap deed.
Schaap als Jodenjager

V-Leute
Een V-Mann of V-Frau – de V staat voor Vertrauen – was een man of vrouw die in het geheim als een soort van agent-provocateur werkte voor de Duitsers, in dit geval de SD. Het is opvallend dat de Duitsers gebruikmaakten van Joodse V-Leute om Joden op te sporen. Deze V-Leute hoefden – zolang ze goed presteerden – niet bang te zijn voor deportatie, hoefden geen gele ster te dragen en kregen bovendien een goede geldelijke beloning. Ze maakten de keuze om voor de bezetter te werken meestal niet vrijwillig maar onder dwang: de keuze voor een V-Mann of V-Frau was werken voor de Duitsers of deportatie naar een concentratiekamp.
Na de oorlog beweerde Schaap dat hij de rechercheur was met de meeste V-Leute en dat hij daarom zo veel Joden kon oppakken. ‘Er waren dagen dat ik 300 gulden extra verdiende door het arresteren van Joden,’ aldus Schaap in een verhoor van 5 september 1945. In datzelfde verhoor zei hij ook:
‘Er zijn wel maanden geweest dat ik 800 tot 900 gulden extra verdiende. Nooit heb ik mij iets toegeëigend van het door mij in beslag genomen geld en waardeartikelen.’
Dat laatste is aantoonbaar onjuist. Bij zijn vlucht (april 1945) voor de geallieerden en de Binnenlandse Strijdkrachten had hij een tas bij zich die vol zat met waardevolle eigendommen van zijn slachtoffers. Wat niet in de tas paste, had hij aan zijn vrouw en stiefdochter in bewaring gegeven. Bovendien waren er tal van getuigen – zowel slachtoffers als voormalige collega’s – die bevestigden dat stelen, afpersen en plunderen tot het normale gedrag van Schaap behoorde.
V-Frauen
Schaap was bedreven in het ronselen van V-Frauen. In eerste instantie gebruikte hij zware bedreigingen, maar als snel wist hij hen zo te manipuleren dat ze hun werk met enthousiasme deden. Wie niet genoeg ‘leverde’, werd opnieuw door Schaap bedreigd met transport naar een kamp. Deze feiten werden Schaap na de oorlog zwaar aangerekend. Zijn bekendste V-Frauen waren Branca Simons, Jeanne Valkenburg en Ans van Dijk.
Ans van Dijk

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Van Dijk de doodstraf. Die werd op 14 januari 1948 daadwerkelijk uitgevoerd. Daarmee is zij in Nederland de enige vrouwelijke handlanger van de Duitsers die door middel van een gerechtelijk vonnis werd geëxecuteerd. Hoewel Ans van Dijk bovenal een dader was die vele malen het zware misdrijf van verraad pleegde, was zij ook het slachtoffer van het misdadige optreden van Pieter Schaap.
Jeanne Valkenburg
Jeanne Valkenburg werkte in Amsterdam als prostituee en hoerenmadam. Als voormalig rechercheur van de Amsterdamse politie met veel contacten in de onderwereld kende Schaap haar goed. Ze was geen Jodin, maar was wel een tijdje getrouwd geweest met een Joodse man, en daarna had ze een relatie met een Joodse marktkoopman. Ze had daarom goede contacten in Joodse kringen. In Amsterdam was haar bijnaam Jeanne de Leugenaarster. Ze stond namelijk bekend om haar leugenachtige gedrag en om haar talent voor bedrog. Ze hielp Joden aan valse persoonsbewijzen en onderduikadressen. Ze werd betrapt door de rechercheurs van het Bureau Joodse Zaken, en daarna werd ze actief als V-Frau. Pieter Schaap maakte veel gebruik van haar en kon via haar vele Joden oppakken. Waarschijnlijk heeft zij ongeveer vijftig Joden verraden. Na de oorlog werd ze ter dood veroordeeld, maar die straf werd door middel van gratie omgezet in levenslang. In 1960 werd ze vrijgelaten.
De familie Sarphati
De Joodse familie Sarphati dook begin 1943 onder op verschillende adressen in Amsterdam. Zij werden daarbij ogenschijnlijk heel goed geholpen door Jeanne Valkenburg. Niemand van de familie Sarphati wist dat deze vrouw voor Pieter Schaap werkte. Zij bracht Joden onder op onderduikadressen, en daarna tipte zij Schaap, die vervolgens binnenviel en de Joden oppakte. Dat overkwam Raphaël en Flora Sarphati ook, bijgenaamd Flik en Flok. Zij werden op 15 mei 1943 gearresteerd. Via dezelfde Jeanne Valkenburg was Schaap uitgebreid geïnformeerd over de adressen waar andere leden van de familie Sarphati waren ondergedoken. Diezelfde avond werden de ouders van Raphaël Sarphati – Mozes Sarphati en Rosetta Sarphati-Roco – door Schaap opgepakt en beroofd van minstens 6000 gulden. Schaap mishandelde Mozes Sarphati, en die was daar niet tegen bestand. Hij gaf de onderduikadressen van zijn familie aan Schaap door. Uiteindelijk werden er minstens acht leden van de familie Sarphati opgepakt. De meesten werden in Sobibor vermoord. Uit de gerechtelijke stukken over deze zaak blijkt dat Schaap ook tienduizenden guldens van deze familie heeft geroofd. Na de oorlog verklaarden verschillende collega’s van Schaap dat hij hen liet meedelen in de geroofde opbrengsten. Het ‘poetje van Schaap’ werd de roofbuit bij Bureau Joodse Zaken genoemd.
Martin Ezechiël Cohen

Frits Stibbe en Mozes Velleman
Frits Stibbe was een Joodse man die zijn geld verdiende als vertegenwoordiger. In 1942 dook hij onder. Hij werd verraden, en op 2 mei 1943 werd hij op zijn onderduikadres in Amsterdam gearresteerd door Schaap. Zijn vriend en collega Mozes Velleman was bij hem op bezoek, en ook hij werd meegenomen. Stibbe overleed op 14 mei 1943 in Sobibor. Eén week later werd zijn vriend Mozes Velleman in hetzelfde vernietigingskamp vermoord.
Seksuele relaties
Schaap ging bij het opsporen en oppakken van Joden niet zachtzinnig te werk, en als er wat te stelen viel van opgepakte Joden, dan stond hij vooraan in de rij. Hoewel hij getrouwd was, nam hij het principe van de huwelijkse trouw niet serieus. Hij had verhoudingen met zijn tipgevers en infiltranten, maar ook met vele andere vrouwen. Hij had er geen problemen mee om seksuele relaties te onderhouden met Joodse vrouwen. Volgens de Duitse wet was dat rassenschennis, en daar stond een zware gevangenisstraf of zelfs de doodstraf op. Het was overigens een veelvoorkomende praktijk waar zowel Nederlandse als Duitse SD’ers van het Bureau Joodse Zaken zich schuldig aan maakten. Schaap was dus niet alleen strafbaar volgens de Nederlandse wet, maar ook de toepassing van de Duitse wetten zouden hem al tijdens de bezetting minstens een veroordeling tot een zware gevangenisstraf opgeleverd hebben.
Schaap in het Scholtenhuis
In Groningen was Schaap direct betrokken bij diverse moorden en martelingen die beschreven staan in het hoofdstuk over Zacharias Sleijfer. Het gaat onder meer om de leden van de plaatselijke verzetsgroep De Groot: Anda Kerkhoven, Gerrit Boekhoven, Louis Swaagman, Harm Blauw en Roelof Hamminga. Schaap deed volop mee aan hun mishandelingen en martelingen. Bij degenen die geëxecuteerd werden, haalde hij waarschijnlijk niet zelf de trekker over, maar hij was er wel bij aanwezig, en in sommige gevallen gaf hij het signaal om te schieten. Ook bij de mishandelingen en martelingen van Jan Drent, Johannes Tepper en Pieter Boer was Schaap actief betrokken.

Schaap en zijn leidinggevende Kaper speelden bij verhoren vaak het toneelstukje van de good guy en de bad guy. Kaper begon de ondervraging tamelijk vriendelijk, terwijl Schaap op de achtergrond stond te wachten met een zweep in zijn handen. Als de vriendelijke benadering niet genoeg opleverde, verliet Kaper de kamer en begon Schaap met de afranselingen.
Louis de Jong
In Groningen zette Schaap zijn ervaring als Jodenjager onverkort en met resultaat in. Hij pakte weliswaar beduidend minder Joden op dan in Amsterdam, maar dat had weinig tot niets te maken met zijn inzet of zijn prioriteiten. De meeste Joden in Groningen waren medio 1944 namelijk al opgepakt en gedeporteerd.
Het verhaal van Leopold David de Jong is illustratief voor het optreden van Schaap. Leopold David de Jong – roepnaam Louis – was vertegenwoordiger van kasregisters. Hij woonde in Heemstede. Hij was getrouwd met een Duitse, niet-Joodse vrouw. Hij was een Jood, maar de status van een gemengd huwelijk bood hem een zekere bescherming tegen deportatie. Bij een controle door Schaap gaf hij zich uit voor een ‘half Jood’. Schaap kwam er vrij snel achter dat dat niet klopte. Hij zette De Jong vervolgens onder zware druk om zijn tipgever te worden. De Jong bezweek onder de druk en ging voor Schaap werken. Hij verraadde ongeveer vijftig Joden, onder wie zijn eigen broer.

Boek: In dienst van de nazi’s – Paul van de Water