Bloedige Tjiomas-affaire (1886) blijft de geesten verdelen

13 minuten leestijd
Onderneming Tjiomas rond 1890 met op de voorgrond het riviertje Tsjisadane en op de achtergrond een helling van vulkaan Salak.
Onderneming Tjiomas rond 1890 met op de voorgrond het riviertje Tsjisadane en op de achtergrond een helling van vulkaan Salak. (KITLV, CC BY 4.0)

Eerst een dode door een moordaanslag, daarna vier met klewangs afgemaakte mensen en tot slot 33 doodgeschoten ‘inlanders’ en 54 gewonden van wie er acht alsnog bezweken. Dat was in 1886 de menselijke tol van de Tjiomas-affaire op West-Java. Het was de geruchtmakendste Indische ‘affaire’ in de negentiende eeuw. Liefst vijf dagen op rij hield de Tweede Kamer zich er in 1887 mee bezig.

De Tjiomas-affaire laat zien hoe het koloniale Binnenlands Bestuur, een koloniale landeigenaar, een inlandse bestuurder en de gewone inlandse bevolking met elkaar omgingen. Wel verschillen historici tot in onze eeuw van mening over de conclusies die daaruit te trekken vallen.

Henk Schulte Nordholt in 2005 (CC BY-SA 4.0 – Fridus Steijlen – wiki)
Glashelder was Henk Schulte Nordholt (1953) in de rede waarmee hij in 2000 aantrad als bijzonder hoogleraar Aziatische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit. Hij stelde dat ‘de koloniale expansie een staat van geweld creëerde, die slechts marginaal in de Nederlandse geschiedschrijving aan de orde is gesteld’. Verder zei hij dat…

‘…door het geweld dat over vrijwel de hele archipel was ervaren, een regiem van angst werd gevestigd en dat dit geweld tot het eind van het koloniale tijdperk in de herinnering van de bevolking bleef resoneren’.

Ook in het post-koloniale Indonesië trok de koloniale ‘staat van geweld’ nog sporen, aldus Schulte Nordholt.

Koloniale mentaliteit

Bij de Tjiomas-affaire was volgens hem zelfs sprake van ‘een koloniale kermis met prijsschieten op levende doelen’. Hij noemde enkele veelzeggende details die gelukkig zijn vastgelegd (en die verderop aan de orde komen) en stelde dat ‘hier in een paar zinnetjes de deur van de (koloniale, red.) sociëteit openwaait en we een indruk krijgen van een koloniale mentaliteit die verscholen ligt achter het bureaucratisch fatsoen van de archieven’.

Zijn Leidse collega Wim van den Doel (1962) ziet dat anders. Al in 1994 noteerde hij in het tijdschrift Over Multatuli:

“Kenmerkend voor de discussies over deze zaken is dat nauwelijks wordt gelet op de structuur waarbinnen het een en ander zich heeft afgespeeld’’.

Hij had het toen vooral over ‘de zaak-Lebak’, waarbij bestuursambtenaar Eduard Douwes Dekker betrokken was en die hem onder de schrijversnaam Multatuli aanzette tot het beroemde boek Max Havelaar (1860). Maar in 1994 noemde Van den Doel ook de Tjiomas-affaire.

In 2001 scherpte hij het nog wat aan. Het door Schulte Nordholt een jaar eerder uitgedragen standpunt, noemde hij in de bundel voor scheidend Leids hoogleraar Cees Fasseur ‘een eenzijdige karikaturale visie op de geschiedenis van het Nederlandse koloniale bestuur in het algemeen en op de Tjiomas-affaire in het bijzonder’. Van den Doel spreekt allerminst tegen dat in de Tjiomas-affaire sprake van was nodeloos geweld en van onderdrukking van de inheemse bevolking. Maar daarnaast stelt hij dat koloniale ambtenaren zich inspanden de onderdrukking te beëindigen en de lokale bevolking te beschermen.

In reactie daar weer op schreef Elsbeth Locher-Scholten (1944), destijds hoofddocent koloniale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht:

,,Dat ontkracht de these van het geweld in de koloniale samenleving echter niet. (…) Uiteindelijk woog de handhaving van rust er orde altijd het zwaarst.’’

Verderop komt aan de orde hoe dat zat in de Tjiomas-affaire. Terzijde nu even dit: in het Indonesisch wordt Tjiomas tegenwoordig geschreven als Ciomas, maar we hanteren hier de schrijfwijze uit de tijd waarin de zaak speelde. Veel West-Javaanse geografische namen beginnen met Ci (Tji). Dat duidt er altijd op dat er water in de buurt is: een beekje, een watervalletje, een meertje. Bij Tjiomas is dat ook zo, die naam betekent ongeveer Goudrivier.

Landgoed Tjiomas

Op maandag 1 maart 1886 schreef het Soerabaiasch Handelsblad dat de redactie de Tjiomas-zaak de zaterdag daarvoor van ‘weinig beteekenis’ had gevonden. “Een onaanzienlijk inlandsch hoofd vermoord door een inlander is, om zoo te zeggen, eene dagelijksche gebeurtenis (…).’’ Maar omdat de beroering op het landgoed Tjiomas bij nader inzien toch niet zo’n ‘dagelijksche gebeurtenis’ was, besteedde de krant er die maandag de halve voorpagina aan. En toen moest het ergste nog komen.

Tjiomas was een particulier landgoed op West-Java. Het lag aan de voet van de vulkaan Salak, ten zuiden van Buitenzorg (tegenwoordig Bogor), de residentie van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Bijzonder groot was Tjiomas niet: 9.000 bouw ofwel ruim 7.200 hectare. Enkele andere landgoederen in de regio maten destijds 20.000 tot wel 40.000 hectare, aldus de Indonesische historicus Mohammad Iskandar in de halfjaarlijkse publicatie Historia (Bandung, december 2009).

Soerabaiasch Handelsblad: halve voorpagina gewijd aan Tjiomas-affaire. En toen moest het ergste nog komen, 1 maart 1886 (Delpher)

In de jaren zestig van de negentiende eeuw stond Tjiomas te koop voor de vorstelijke vraagprijs van 1,5 miljoen gulden. Slecht één gegadigde bood een bedrag dat in de buurt kwam: 1,4 miljoen. In 1867 werd de koop gesloten, zo vermeldt Van den Doel in zijn bijdrage aan Fasseurs afscheidsbundel Macht en Majesteit (Leiden 2001). Veel (maar lang niet alles) van wat hieronder volgt, is ontleend aan Van den Doels uitvoerige beschrijving.

Een Zwitserse eigenaar

De nieuwe eigenaar van Tjiomas was de destijds 39-jarige Johann Wilhelm Edouard de Sturler, van Zwitserse afstamming maar geboren en getogen in Indië. Na te hebben gewerkt voor het Binnenlands Bestuur werd De Sturler eerst administrateur (directeur) van suikerfabriek Besito in de residentie Jepara (Midden-Java), daarna mede-eigenaar. Voor de aankoop van Tjiomas had hij een hoge hypotheek moeten nemen, maar die kon hij betalen met zijn winstaandeel uit de suikerfabriek en met de opbrengst van Tjiomas, had hij berekend.

In Buitenzorg en omgeving was hij als landgoedeigenaar een aanzienlijk man. Met de gouverneurs-generaal onderhield hij goed betrekkingen en in 1884 werd hij zelfs in de Nederlandse adelstand verheven: voortaan mocht hij zich jonkheer noemen. Tjiomas beheerde De Sturler met zoons J.W.E. en A.L. de Sturler (die laatste bijgenaamd Pol) en met schoonzoon en voormalig KNIL-officier E.P.C. Sol, bijgenaamd Paddy.

Koffie op Java, rond 1900.
Koffie op Java, rond 1900. (KITLV, CC BY 4.0)
In dorpjes op het landgoed woonden ongeveer 15.000 Soendanezen (de hoofd-bevolkingsgroep op West-Java, ook nu nog). Die dorpjes werd bestuurd door elf dorpshoofden en vier districtshoofden, terwijl de politietaken waren toevertrouwd aan een door De Sturler benoemde en betaalde ‘tjamat’. Die laatste stond bestuurlijk wel onder toezicht van de assistent-resident van Buitenzorg.

Nieuwe regels, meer winst

Om te zorgen dat Tjiomas meer geld ging opbrengen vernieuwde De Sturler in 1869 het contract met de plaatselijke bevolking. Zo werd vastgelegd dat 20 procent van de rijst die de boeren oogstten, toekwam aan de landheer. Elke boer moest op zijn erf 250 koffiestruiken planten en onderhouden. De oogst daarvan moest tegen een vastgestelde prijs aan de landheer worden geleverd. Verder moesten de boeren elke vijf weken vijf achtereenvolgende dagen in de bergen werken in de koffietuinen van De Sturler. En in de oogsttijd moesten ook vrouwen en kinderen daar aan de slag.

Wie het nieuwe contract niet naleefde, werd gedwongen tot zware zogenoemde herendiensten (allerlei soorten werk zonder loon) en moest een hoge ‘tuinhuur’ voldoen: heffingen op alle door de boer voortgebrachte landbouwproducten. De Sturler stelde de hoogte van die heffingen vast. Namens de landeigenaar hield de tjamat bij de boeren de wind eronder. Van wie zich niet aan het contract hield, konden de bezittingen worden verkocht.

Dat alles legde op de boeren een zeer zware druk, te meer omdat De Sturler zich opstelde als ‘een onverbiddelijke autocraat’, zo citeert Van den Doel een tijdgenoot van de grootgrondbezitter. Een deel van de boeren weigerde het nieuwe contract, wat leidde tot het vertrek van enkele duizenden ‘opgezetenen’ van Tjiomas naar elders. De rest berustte, althans voorlopig, in de nieuwe situatie.

Die verhoudingen waren voor de grootgrondbezitter heel profijtelijk, maar toch kreeg De Sturler te maken met forse tegenslag. De toenemende concurrentie van bietsuiker zorgde op Java (waar rietsuiker werd geproduceerd) in 1883/1884 voor een suikercrisis die veel kleine suikerondernemingen, vaak familiebedrijven, de kop kostte. De geldstroom uit de Besito-suikerfabriek waarvan hij mede-eigenaar was, droogde op, terwijl de hoge hypotheeklasten die hij was aangegaan om Tjiomas te kopen gewoon moesten worden betaald. Het bracht De Sturler tot de conclusie dat hij uit Tjiomas meer opbrengst moest zien te persen. Dus hield hij niet alleen strak de hand aan wat de boeren aan hem moesten afdragen, maar liet hij ze ook vaker en langer voor hem werken. Bij het afdwingen van die nieuwe koers ging de tjamat, raden hadji Abdoelrachim, niet zachtzinnig te werk.

Hervormingen in de kolonie

Gouverneur-generaal Otto van Rees.
Gouverneur-generaal Otto van Rees. (KITLV, CC BY 4.0)
Tegelijk met de suikercrisis veranderde er in Buitenzorg ook iets op bestuurlijk gebied. Op 11 april 1884 trad Otto van Rees daar aan als nieuwe gouverneur-generaal. Eerder had hij in Indië andere hoge functies bekleed, daarna was hij in Den Haag Kamerlid geweest, enige maanden minister van Koloniën en vanaf 1880 voorzitter van de Tweede Kamer. Als 61-jarige keerde hij terug in Indië, op de hoogste post. Hij was niet afkerig van eventuele hervormingen in de kolonie ten faveure van de inheemse bevolking, maar één ding stond voor hem buiten kijf: er moest altijd een ‘batig slot’ zijn, dat wil zeggen dat Indië voor Nederland hoe dat ook geld moest opbrengen.

En dan was er nóg een benoeming, namelijk die van Oscar Arend Burnaby Lautier tot assistent-resident in Buitenzorg. Burnaby Lautier had al eerder voor het Binnenlands Bestuur gewerkt en toen had hij zich een ware Multatuliaan getoond. Knevelarij van de inheemse bevolking bestreed hij te vuur en te zwaard, wat hem niet bij iedereen geliefd maakte. Op zeker moment werd hij zelfs uit het Binnenlands Bestuur gezet, maar later toch weer in genade aangenomen. En op 8 januari 1884 werd hij dus benoemd in Buitenzorg.

Ziedaar dan het speelveld in die residentie. Ten eerste een grootgrondbezitter die steeds meer opbrengst uit Tjiomas probeert te peuren. Ten tweede een assistent-resident die gebeten is op inlandse hoofden en Europese ‘particulieren’ die de plaatselijke bevolking onheus behandelen. En ten derde een weliswaar koloniaal ingestelde, maar binnen dat kader liberale gouverneur-generaal. Daar moesten haast wel moeilijkheden uit voortkomen. Dat gebeurde dan ook.

Met steek: Burnaby Lautier later in zijn carrière, in 1893 als resident, met aan zijn arm Pakubuwono X, vorst van Solo.
Met steek: Burnaby Lautier later in zijn carrière, in 1893 als resident, met aan zijn arm Pakubuwono X, vorst van Solo. (KITLV, CC BY 4.0)

Stijd voor het goede

Burnaby Lautier kreeg in de gaten dat er op Tjiomas dingen niet in de haak waren. Hij vergaarde er steeds meer informatie over. Op zeker moment schreef hij dat er sprake was van ‘een geheel stelsel van willekeur en onderdrukking van de bevolking van Tjiomas’. En:

“Waar ik voor strijd dat is voor het goede, 17 jaar lang (sinds De Sturlers komst in 1867, red.) vertrapte recht (…), tegen misbruiken die loodzwaar drukken op eene verarmde bevolking!’’

Als een van de eerste stappen liet hij tjamat Abdoelrachim achter de tralies zetten omdat hij deze beschouwde als een ‘hoeksteen’ van de ‘willekeur en onderdrukking’. Juridisch deugde dat niet, dus werd de tjamat weer vrijgelaten.

De krachtmeting ging echter onverminderd door. Gouverneur-generaal Van Rees – die best wist dat er van alles mis was op Tjiomas – koos er uiteindelijk ervoor Burnaby Lautier te benoemen tot resident van Bali en Lombok. Dat was een promotie en voor de overgeplaatste functionaris een financieel zeer voordelige bovendien. Zijn inkomen ging omhoog van 600 naar 1.000 gulden per maand. In zijn plaats werd M.C.H.G Coenen in Buitenzorg assistent-resident. Grootgrondbezitter De Sturler greep het vertrek van Burnaby Lautier aan om wraak te nemen op de boeren. Zo nam hij buffels af om die vervolgens aan de beroofde boeren te verhuren. Overigens bleek na enige tijd dat ook Coenen ingrijpen op Tjiomas nodig vond.

Een moord

Hoewel het eind 1885 op Tjiomas rustig was geweest, ging het op 23 februari 1886 lelijk mis. Tjamat Abdoelrachim werd vermoord. Hij werd neergestoken door Apan Ba Sa’amah. Dat was die ‘dagelijksche gebeurtenis’ waarover het Soerabaias Handelblad repte. De dag na de moord werd Apan door de politie niet gearresteerd, maar met twaalf kogels gedood.

Uit onderzoek door het Binnenlands Bestuur bleek dat Apan eerder had geweigerd het nieuwe, voor boeren slechte contract met de landeigenaar te aanvaarden. Kennelijk was hij toen vertrokken, maar op 19 februari teruggekeerd in de overtuiging een ‘door Allah gezonden onsterfelijken Imam Mahdi’ te zijn.

Het paleis van de gouverneur-generaal in Buitenzorg, rond 1875.
Het paleis van de gouverneur-generaal in Buitenzorg, rond 1875. (KITLV, CC BY 4.0)

Mogelijk heeft dat laatste ertoe bijgedragen dat wel is beweerd dat het geweld op Tjiomas – na de moord zou er meer volgen – voortsproot uit religieus (islamitisch) fanatisme. De al genoemde historicus Mohammad Iskandar concludeerde echter in 2009 dat dat niet het geval was. Het geweld, noteerde hij, ‘werd veroorzaakt door onrecht ofwel schending van mensenrechten’. Wel acht hij het mogelijk dat de boeren hun strijd tevens hebben beschouw als jihad fisabilillah’ (heilige oorlog). Mohammad Iskandar wees erop dat in de residentie Buitenzorg destijds geen pesantren (islamitische kostscholen) bestonden, maar dat nog wel islamitische tradities voortleefden die stamden van het vijftiende- en zestiende-eeuwse Soendanese (West-Javaanse) koninkrijk Pajajaran.

Overigens bleek ook al uit het na de moord ingestelde onderzoek van het Binnenlands Bestuur dat het niet draaide om islamitisch fanatisme. De twee onderzoekers noemden als ‘eenige oorzaak’ van de moord op de tjamat de ‘meer dan onhoudbare toestand’ op Tjiomas.

Nieuw geweld

Die toestand leidde ertoe dat het op 19 mei 1886 tot nieuw geweld kwam, nu op grotere schaal. Landeigenaar De Sturler had voor de lokale bevolking een feest georganiseerd. Dat werd overvallen door ongeveer veertig mannen met witte doeken om hun hoofd die ‘heilige oorlog’ riepen. Hun leider was ene Mohammad Idris. Van de feestgangers werden er vier met klewangs (traditionele Indonesische zwaarden) gedood, waarna de aanvallers zich verschansten. Assistent-resident Coenen ging er met enkele politiemensen heen. Maar ze moesten vluchten toen de overvallers van het feest een uitval deden.

O.M. de Munnick, de resident van Batavia, achtte het tijd voor krachtdadig ingrijpen. Op 20 mei, de dag na de overval op het feest, ging hij met een peloton per trein vanuit Batavia aangevoerde KNIL-militairen en met Buitenzorgse politiemensen naar Tjiomas. Ook assistent-resident Coenen, grootgrondbezitter De Sturler, diens zoon ‘Pol’ en schoonzoon ‘Paddy’ gingen mee.

Kaartje van het gebied rond Tjiomas, zoals weergegeven in het boek 'De Zaak Tjiomas door den landeigenaar toegelicht door Jhr. J.W.E. de Sturler', 1886
Kaartje van het gebied rond Tjiomas, zoals weergegeven in het boek ‘De Zaak Tjiomas door den landeigenaar toegelicht door Jhr. J.W.E. de Sturler’, 1886 (Google Books)

In eerste instantie kwam het tot geweersalvo’s die de meeste opstandelingen op de vlucht joegen. Maar een aantal wilde van geen wijken weten. In zijn uitvoerige relaas vertelt Van den Doel niets over het terrein waar dat gebeurde. In zijn inaugurele rede in 2000 deed Schult Nordholt dat wel. Hij zei dat zich aan de ene kant KNIL-militairen en politie bevonden, aan de andere kant ‘vervaarlijk met krissen en hakmessen’ zwaaiende opstandelingen. Maar hij zei nog iets: tussen beide groepen lag ‘een diep ravijn’.

Dat maakte de opstandelingen voor de ordetroepen volstrekt ongevaarlijk. De boeren hadden immers geen vuurwapens. Van den Doel vermeldt echter waarom het volgens resident De Munnick toch noodzakelijk was de opstandelingen uit te schakelen: aangezien zij anders later ‘heiligen en onkwetsbaren’ genoemd zouden worden.

Eén van de opstandelingen bleek echter een probleem, die konden ze maar niet raken. “Ik loof ƒ10,- uit aan wien hem neerlegt’’, probeerde assistent-resident Coenen. Toen ook dat tot niets leidde, werd aan de luitenant onder de KNIL-militairen ‘een fijn dineetje als ge hem neerlegt’ beloofd. Of dat uiteindelijk is gelukt lezen we bij geen van de geschiedschrijvers. Wel het eindresultaat van het hele treffen: 33 doden en 54 gewonden van wie er acht later alsnog overleden. Al met al 41 doden.

Debat in de Tweede Kamer

Opnieuw volgde een onderzoek en weer werd vastgesteld dat religieus fanatisme aan de kant van de boeren geen rol speelde. Geconcludeerd werd dat het allemaal draaide om de misstanden op Tjiomas, waar De Sturler, diens zoon ‘Pol’ en schoonzoon ‘Paddy’ zich gedroegen als, volgens procureur-generaal R. van Goens:

‘Perzische satrapen en Oostersche despoten (…) wier enig streven bestaat in het zich (…) verrijken ten koste van hunne ondergeschikten’.

Uiteindelijk werden zoon A.L. (‘Pol’) Sturler en schoonzoon E.P.C. (‘Paddy’) Sol gedwongen de residentie Buitenzorg te verlaten. Grootgrondbezitter J.W.E. de Sturler kwam er met een ernstige waarschuwing vanaf.

Daarmee was de zaak echter nog niet afgedaan. In Indië én in Nederland was er veel kabaal over. De Tweede Kamer hield zich er in 1887 zelfs vijf (!) dagen mee bezig: van maandag 20 tot en met vrijdag 24 juni. In de handelingen (notulen) van de Kamer beslaat het debat liefst 68 pagina’s. Plus nog vier pagina’s inzake de ‘regeling der werkzaamheden’ van de Kamer (15 juni 1887).

Bij die Kamerdebatten werd gouverneur-generaal Van Rees niet gespaard. Van den Doel vermeldt dat ook minister van Koloniën Sprenger van Eyck steeds meer afstand nam van het besluit ‘Pol’ de Sturler en ‘Paddy’ Sol uit Buitenzorg te verbannen. Direct daarna schrijft hij dat gouverneur-generaal Van Rees op 11 januari 1888 zijn ontslag indiende. Oorzaak en gevolg lijken hier glashelder. Wel roept het de vraag op waarom Van Rees een half jaar wachtte met die ontslagaanvraag.

Minister van Koloniën Keuchenius
Minister van Koloniën Keuchenius. (Wiki/Het Leven, publiek domein)
Het antwoord lijkt te vinden in een beschouwing die historica Janny de Jong, tegenwoordig hoogleraar in Groningen, schreef in 1998. Zij noteerde namelijk dat het anders in elkaar zat. Volgens haar vroeg Van Rees in januari 1888 onmiddellijk telegrafisch ontslag toen hij had vernomen dat Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius (Anti-Revolutionaire Partij) minister van Koloniën zou worden.

Tijdens de Kamerdebatten in 1887 had de anti-revolutionair Van Rees aangevallen in verband met de Tjiomas-affaire. Deze voorzag dat Keuchenius het als minister zou opnemen voor de verbannen ‘Pol’ en ‘Paddy’ en wilde dat niet meemaken. Overigens voorkwam zijn ontslagaanvraag niet dat hij van de nieuwe minister toch nog de opdracht kreeg de uitwijzingsbesluiten in te trekken. Het kon echter nog curieuzer: op 25 augustus 1888 meldde de Oprechte Haarlemsche Courant dat ‘Paddy’ Sol per koninklijk besluit van 23 augustus nota bene was benoemd tot lid van de Algemeene Rekenkamer van Nederlands-Indië. Wat de boeren op Tjiomas daarvan dachten – gesteld dat ze het zouden hebben vernomen – vermeldt de geschiedenis niet. Maar het laat zich raden.

~ Ronald Frisart