Van Imhoff-drama in Indië werkt door tot huidige dag

Ruim 400 in de steek gelaten geïnterneerden gingen met schip ten onder
/
14 minuten leestijd
Het schip de "Imhoff " ligt op de rede van Donggala.
Het schip de "Imhoff " ligt op de rede van Donggala. (CC BY-SA 3.0 - Tropenmuseum - wiki)

Een Nederlandse oorlogsmisdaad. Zo bestempelde in 1953 jurist/polemoloog Bert Röling (1906-1985) het drama dat zich begin 1942 bij Sumatra afspeelde met het Nederlandse schip Van Imhoff. Door een Japanse bom lekgeslagen kwam het tot zinken. Bemanning en bewaking brachten zichzelf in veiligheid, de 473 Duitse en Oostenrijkse geïnterneerden aan boord aan hun lot overlatend. Van hen vonden er 407 de dood.

Velen zal de scheepsnaam SS Van Imhoff niets meer zeggen. Het drama is in de vergetelheid geraakt al werd er nog jaren na de Tweede Wereldoorlog soms pittig over gedebatteerd. Maar vorig jaar dook de naam van het stoomschip ineens weer op. Op de besluitenlijst van de ministerraad van 13 augustus 2021 staat onder de hamerstukken (dus zonder discussie aangenomen) bij punt d: ‘Historisch onderzoek koopvaardijschip Van Imhoff’.

Drie maanden later meldde de website van het ministerie van Defensie:

“Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) gaat zich vanaf vandaag verdiepen in de toedracht en nasleep van deze scheepsramp. (…) Het historisch onderzoek gebeurt op verzoek van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Defensie. Het richt zich onder meer op de periode van internering (van Duitse burgers in Nederlands-Indië, red.), de scheepsramp zelf en de nasleep voor de nabestaanden. Ook de rol van de Nederlandse staat wordt onderzocht. (…) Naar verwachting worden de conclusies in 2024 gepresenteerd.”

Tot het onderzoek is besloten na druk van advocaat Liesbeth Zegveld namens enkele nabestaanden van de burger-geïnterneerden. Volgens het ministerie van Defensie ‘is het bedoeling de slachtoffers ‘een gezicht’ te geven. Daartoe wil het NIMH samenwerken met nabestaanden’.

Met zijn kwalificatie ‘oorlogsmisdaad’ ging Röling het verst. Dat was in 1953 in een vertrouwelijk advies aan de regering. Rijksgeschiedschrijver Loe de Jong repte in 1984 van een ‘schandaal’ dat de Nederlandse autoriteiten volgens hem lang in de doofpot probeerden te stoppen. Nog in de jaren zestig werd uitzending van een televisie-documentaire van de Vara over deze zwarte bladzijde in de Nederlandse maritieme geschiedenis verboden – niet door de autoriteiten, maar door de Vara-leiding, zij het wel onder Haagse druk.

Europeanen die werden verdacht van Duitse sympathieën, hier geïnterneerd in Ngawi op Java. Later werden geïnterneerden uit diverse kampen samengebracht in een kamp op Noord-Sumatra. (KITLV)
Europeanen die werden verdacht van Duitse sympathieën, hier geïnterneerd in Ngawi op Java. Later werden geïnterneerden uit diverse kampen samengebracht in een kamp op Noord-Sumatra. (KITLV)

Aanloop

De aanloop naar deze geschiedenis begon op 10 mei 1940. Duitse troepen overweldigden Nederland. De autoriteiten in Batavia lieten via de radio het codewoord ‘Berlijn’ uitgaan, het sein dat in Nederlands-Indië Duitsers en andere ‘vijandelijke onderdanen’ moesten worden opgepakt en vastgezet. In de meeste gevallen ging het om onschuldige Duitse (en Oostenrijkse) mannen. Niet weinigen woonden en werkten al lang in Indië, spraken Nederlands. Zelfs Duitse joden en politieke vluchtelingen werden vastgezet.

Die internering was al een geschiedenis op zichzelf, waarbij Nederlanders in Indië zich – zacht gezegd – niet altijd van hun beste kant lieten zien. Ook waren de omstandigheden in interneringskampen vaak bedroevend. Die waren er op Java (waaronder ook het eilandje Onrust in de baai van Batavia), Sumatra, Borneo en Celebes. Besloten werd tot de bouw van één centraal kamp: Lawe Sigalagala. Dat lag in de vallei van de rivier de Alas in het zuiden van Atjeh op Sumatra, niet ver van het plaatsje Kota Tjane en zo’n 200 kilometer ten noorden van de stad Medan. Op 6 juli 1940 ging het eerste transport van geïnterneerden naar het centrale kamp, op 22 februari 1941 het laatste.

De geïnterneerden hadden het in Lawe Sigalagala goed. Het waren er ongeveer 2450, onder wie een kleine 900 opvarenden van op 10 mei in Indië in beslag genomen Duitse koopvaardijschepen. Van de geïnterneerden werden er ongeveer honderd beschouwd als ‘gevaarlijke vijanden’ (denk aan fanatieke nazi’s). Zij waren gescheiden van de anderen ondergebracht.

Eind 1941 kwamen de Japanse strijdkrachten steeds dreigender richting Indië. De gedachte vatte post dat de geïnterneerden, eenmaal bevrijd, de Japanners zouden kunnen helpen, al was het maar met de informatie over Indië waarover ze in ruime mate beschikten. Zou het daarom niet beter zijn de geïnterneerden van Sumatra over te brengen naar, bijvoorbeeld, Brits-Indië?

Baai van Sibolga, waar de Duitsers werden ingescheept. Deze opname is overigens uit 1917. (KITLV)
Baai van Sibolga, waar de Duitsers werden ingescheept. Deze opname is overigens uit 1917. (KITLV)

Transporten

De Britten bedachten dat al veel eerder dan de Nederlanders, maar uiteindelijk werden er afspraken over gemaakt. Ongeveer 75 mensen die te zwak, te ziek of te oud werden geacht werd de verre reis bespaard – zij werden elders op Sumatra ondergebracht. De overige geïnterneerden zouden in drie zeetransporten vanuit de haven van Sibolga, op Sumatra’s westkust, via Colombo (Ceylon, nu Sri Lanka) naar Bombay in India worden gebracht. Dat zou gebeuren met door de Indische militaire autoriteiten gevorderde schepen van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM).

De eerste groep van 975 geïnterneerden vertrok op 28 december 1941 vanuit Sibolga met de Ophir, op 2 januari 1942 gevolgd door 938 lotgenoten aan boord van de Plancius. Beide groepen kwamen veilig aan in Bombay. Onder hen waren ook de ongeveer honderd ‘gevaarlijke vijanden’. Daarna was het aan de Van Imhoff om de laatste groep te vervoeren.

KPM-schip SS Plancius bereikte met Duitse geïnterneerden veilig Bombay.
KPM-schip SS Plancius bereikte met Duitse geïnterneerden veilig Bombay. (NIMH)

Na allerlei verwikkelingen en vertragingen stak kapitein Herman J. Hoeksema op 18 januari 1942 tegen de avond met de onbewapende Van Imhoff in Sibolga van wal. Aan boord waren 473 geïnterneerden, groepsgewijs opgesloten in een soort kooien van prikkeldraad. Onder hen waren onder meer Duitse joden, anti-nationaal-socialisten, zendelingen, missionarissen, intellectuelen, kunstenaars (onder wie de bekende schilder Walter Spies die lang op Bali had gewerkt), zeelieden en acht ‘krankzinnigen’. Waarom die laatsten mee moesten, is onbekend. Verder was aan boord een bemanning van 84 koppen en een 62 man tellend bewakingsdetachement.

Aan reddingsmiddelen beschikte de Van Imhoff over een motorsloep, vijf gewone sloepen, een kleine werkboot, zo’n 650 reddingvesten en een beperkt aantal bamboevlotten. Kapitein Hoeksema had er voor vertrek op gewezen dat dat te weinig was voor de in totaal 619 opvarenden, maar van de staf van admiraal Helfrich – commandant zeemacht (CZM) in Indië – kreeg hij slechts te horen dat hij de geïnterneerden toch aan boord moest nemen en uitvaren. Verder verdient het aantekening dat toenmalige zwemvesten wel enige tijd bescherming boden, maar niet heel erg lang. Ten minste één getuige verklaarde later bovendien dat nogal wat zwemvesten ‘verrot en daarom niet te gebruiken’ waren.

Japanse aanval

Op 19 januari voer de Van Imhoff op zo’n honderd kilometer ten zuiden van het eiland Nias voor de Sumatraanse kust toen het werd opgemerkt door een Japans vliegtuig. Het toestel wierp vier of vijf bommen af, waarvan er één zo dit bij het voorschip ontplofte dat het lek sloeg.

Vrezend voor de gevolgen gaf de kapitein bevel de sloepen te water te laten en de bamboevlotten in het water te gooien. Van de gewone sloepen bleek er een muurvast te zitten in de davits (takel voor reddingsboten), zodat voor de ontscheping de motorsloep en vier gewone sloepen overbleven. De bemanning en het bewakingsdetachement namen daarin plaats.

Getuigenverklaringen spreken elkaar tegen, maar stemmen wel overeen in de constatering dat in elk geval bij kapitein Hoeksema (en mogelijk enkele andere officieren) sprake was van grote nervositeit en spanning. Oud-bestuursambtenaar C. van Heekeren, die aan de interneringsperiode een boek wijdde, rept over ‘een soort verbijstering, om het woord paniek niet te gebruiken’. De indruk was dat de kapitein maar één doel had: zichzelf, zijn bemanning en het militaire detachement zo snel mogelijk in veiligheid brengen. Getuigen meldden dat de kapitein mensen opzij duwde en als een van de eersten in de motorsloep stapte. Inderhaast had hij zelfs het zo belangrijke scheepsjournaal achtergelaten. Later bleek dat Duitse overlevenden het wel hadden meegenomen.

De geïnterneerden werden op het schip achtergelaten. In een latere verklaring beweerde de kapitein dat er voor hen voldoende reddingsmiddelen waren. Geschiedschrijver Karel Bezemer (over wiens studie later meer) tekent aan:

“Men kan zijn ogen haast niet geloven wanneer men dit alles leest, want Hoeksema moet destijds geweten hebben (…) dat dat niet in overeenstemming was met de waarheid.”

Vóór vertrek uit Sibolga had nota bene Hoeksema zelf het tegendeel gesteld: te weinig reddingsmiddelen.

Drenkelingen

Wel hadden enkele bewakers nog hier en daar gaten in het prikkeldraad geknipt en de sleutel van een deur aan de Duitsers gegeven. Al snel wisten de geïnterneerden zich dan ook te bevrijden. Een deel van hen sprong in zee en zwom naar de sloepen. Hoewel daarin nog zeker 80 plaatsen vrij waren, werd geen van hen uit het water gehaald. Er werd de Duitsers toegeroepen dat zou worden geschoten op ieder die zou proberen een reddingboot te bereiken.

De Duitse matroos Stephan Walkowiak waagde het er toch op. Langs een touw liet hij zich vanaf de Van Imhoff zakken. Er viel een schot en Walkowiak viel in zee. Toen hij een van de sloepen bereikte, werd vanaf de motorsloep gecommandeerd hem niet te helpen, maar enkele militairen hesen hem toch uit het water. Vervolgens zette de motorsloep, met als sleep de vier gewone sloepen, koers naar Nias.

Van de geïnterneerden wisten er ongeveer honderd zich in het water aan bamboevlotten of ander drijvend materiaal vast te klampen. Een ooggetuige verklaarde later:

“Ik zie thans nog voor me hoe de voormalige Oostenrijkse consul-generaal, Ritter von Zach, een fijne oude heer met een lange witte baard, in een grote stoel in het water dreef.’’

Een groep anderen slaagde er na twee uur ploeteren in de laatste sloep toch uit de davits los te krijgen. In de sloep was plek voor 43 mensen, maar het lukte 53 Duitsers zich erin te wringen. Ook de werkboot werd te water gelaten. Achttien geïnterneerden vonden daarin een plekje.

Voor de overige Duitsers zag het er heel somber uit. Een aantal had aan boord sterke drank gevonden en was al snel zwaar beschonken. Enkelen verhingen zich of sneden hun polsen door. Een arts slikte een overdosis veronal (slaaptabletten) en stierf. Vroeg in de avond, ruim vijf uur nadat de bemanning en het bewakingsdetachement een goed heenkomen hadden gezocht, verdween de Van Imhoff in de diepte van de oceaan.

Geheimhouding

De volgende dag zetten bemanning en bewakingsdetachement voet aan wal op Pulau Simoek, een eilandje ten zuiden van Nias. Een week later, op 27 januari, werden ze opgehaald en naar de haven van Padang (West-Sumatra) gebracht. Daar kregen ze opdracht geheim te houden wat zich op de Van Imhoff had afgespeeld.

Vlak voordat hij zijn schip verliet, had kapitein Hoeksema een noodsignaal laten uitgaan. Op 20 januari steeg vanuit Padang de Catalina-vliegboot Y 63 op om drenkelingen te zoeken. Het toestel kon de bemanning van de MS Boelongan (zie hieronder) wel aanwijzingen geven (de piloot had de sloep met 53 Duitsers gevonden) maar kon door de hoge deining niet landen om zelf mensen aan boord te nemen.

Een Consolidated PBY-S Catalina, in Indië in gebruik vanaf september 1941.
Een Consolidated PBY-S Catalina, in Indië in gebruik vanaf september 1941. (NIMH)

Twee bevelen

Een dag eerder al, op de rampdag 19 januari, voer sleepboot Pief uit. De marine had die gevorderd van de Nederlandsch-Indische Steenkolen Handel Maatschappij. Kapitein C. Ammeraal kreeg opdracht…

‘…allereerst Nederlandse en Nederlands-Indische onderdanen te redden en, indien mogelijk zonder extra gevaar, daarna pas de buitenlandse passagiers’.

De sleepboot Pief in de jaren dertig. (KITLV)
De sleepboot Pief in de jaren dertig. (KITLV)
Passagiers! De zoektocht van de Pief bleef echter vruchteloos en de sleper keerde op 21 januari terug in Padang.

Het KPM-motorschip Boelongan stak in de loop van 19 januari in Sibolga van wal. Van de staf van CZM Helfrich kreeg kapitein Marius L. Berveling de volgende opdracht:

“Eerst de bemanning van het stoomschip Van Imhoff oppikken, d.i. Europese en Inlandse scheepsbemanning, benevens de militairen die voor bewaking aan boord waren – daarna op aanwijzing van de militaire commandant betrouwbare elementen onder de Duitse geïnterneerden aan boord nemen – overige Duitsers beletten te landen.’’

Over dit bevel (en trouwens ook over dat aan de Pief) zou later nog het nodige debat volgen. In elk geval een deel van de Duitsers moest het op zee dus maar uitzoeken. Bovendien: hoe zou de commandant van het bewakingsdetachement kunnen uitmaken welke Duitsers (van wie hij de namen niet eens kende) ‘betrouwbaar’ waren en welke niet?

Op aanwijzing van Catalina-vliegboot Y 63 kwam de Boelongan vroeg in de ochtend van 20 januari bij de sloep met 53 Duitsers. Geen van hen werd aan boord genomen. Water en voedsel, waarom de Duitsers vroegen, werden niet verstrekt. De Boelongan voer weg en bereikte vervolgens de werkboot met 18 Duitsers die inmiddels twee vlotten met ongeveer 20 drenkelingen op sleeptouw had. De kapitein van de Boelongan weigerde opnieuw mensen aan boord te nemen. Derde stuurman Cornelis Tjebbes moest de touwladder die hij al had neergelaten weer binnenboord halen. Toen daarover onder zijn eigen bemanning beroering ontstond, liet kapitein Berveling aan de oudste officier het geheime bevel van de CZM-staf lezen. De Boelongan voer terug naar Padang.

KPM-schip MS Boelongan, waarvan de kapitein weigerde drenkelingen aan boord te nemen. (Nationaal Museum van Wereldculturen)
KPM-schip MS Boelongan, waarvan de kapitein weigerde drenkelingen aan boord te nemen. (Nationaal Museum van Wereldculturen)

Kort na het vertrek van de Boelongan kwamen de werkboot en de twee vlotten in een zware regenbui terecht. Toen het weer opklaarde, bleek een van de vlotten verdwenen. Aan boord van de werkboot heerste boosheid op de mannen op het overgebleven vlot. Die vertikten het om mee te peddelen, waardoor de werkboot maar heel langzaam vooruit kwam. Ook in de werkboot zaten vier dwarsliggers. Zij deden niet mee met hozen van water uit de boot. Deze vier werden op het overgebleven vlot gezet, waarna de sleeplijn werd gekapt. Dat verschilde in niets van de houding van de Nederlanders ten opzichte van de Duitsers. Ook de drenkelingen van dit laatste vlot verdronken.

Duitse overlevenden stapten in twee groepen uiteindelijk aan land op Nias. Op 22 januari eerst 52 mannen die met de sloep waren gekomen (één van de oorspronkelijk 53 had het niet gehaald). Een van hen, de 74-jarige gepensioneerde militair van de Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) H.C.W. Rohde, verhing zichzelf kort na de landing op Nias. Vervolgens bereikten op 23 januari de resterende 14 opvarenden van de werkboot Nias.

Het aantal Duitsers dat na de scheepsramp voet aan wal zette, bedroeg daarmee 66 en inclusief de in een Nederlandse sloep gehesen Walkowiak 67. Rekenen we ook Rohde bij de slachtoffers, dan bedroeg het aantal overlevenden 66. In Sibolga waren 473 geïnterneerden aan boord gegaan. Van hen hebben dus 407 het niet overleefd. Op de gedenksteen die in 1963 werd geplaatst op het kerkhof van Hamburg-Ohlsdorf is overigens sprake van 411 slachtoffers.

Op Nias werden de overlevenden opnieuw geïnterneerd. Voor de bewaking zorgden zo’n veertig Batakse manschappen van de Veldpolitie. Eind maart – Indië had inmiddels gecapituleerd voor Japan – gaven deze politiemensen hun wapens aan de Duitsers. Hun machtsovername op het eiland werd een nogal operette-achtige vertoning. Ze wezen uit hun midden maar liefst een minister-president en een minister van Buitenlandse Zaken aan. Half april landden Japanners op Nias en stelden orde op zaken: de Japanse bezetter was de baas en niemand anders, ook al waren Japan en Duitsland bondgenoten.

Een verklaring

Geheimhouding van het Van Imhoff-drama was kansloos. Daarom besloot gouverneur-generaal Van Starkenborgh Stachouwer na de scheepsramp een summiere verklaring uit te geven. Op 2 februari telegrafeerde hij daarover aan minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens in Londen:

“Over behoud bemanning en bewaking is opzettelijk niets gezegd teneinde verkeerde indruk buitenland te vermijden.’’

Via Duitse overlevenden kwamen natuurlijk toch details in Europa terecht. In Duitsland werd erover geschreven en in Nederland op 14 februari 1942 ook door de Deutsche Zeitung in den Niederlanden. Dat laatste artikel werd op 18 februari overgenomen door regionaal dagblad De Gooi- en Eemlander.

Kapitein Herman Hoeksema, van wie dit portret te zien was in de BNNVARA-documentaire. De foto is van het beeldscherm gemaakt.
Kapitein Herman Hoeksema, van wie dit portret te zien was in de BNNVARA-documentaire. De foto is van het beeldscherm gemaakt.
Van de Duitse bezetter kreeg de KPM in Nederland een boete van vier miljoen gulden. Dat geld was bedoeld voor nabestaanden van de slachtoffers, maar heeft hen nooit bereikt. Ook werden 29 personeelsleden van het Amsterdamse KPM-kantoor vastgezet bij de krijgsgevangenen in het Brabantse Sint Michelgestel. Die boete en gevangenneming waren op zichzelf vreemd maar wel het enige dat de Duitsers op dat moment konden uitrichten. De KPM was voor het gebeurde niet verantwoordelijk. Het drama betrof weliswaar een KPM-schip, maar dat was gevorderd en voer onder verantwoordelijkheid van de Indische marinecommandant Helfrich.

Na de oorlog kreeg de affaire nog een flinke staart. Een van de overlevende Duitsers vroeg in 1953 om vervolging van Van Imhoff-kapitein Hoeksema wegens moord. De Amsterdamse procureur-generaal kreeg in 1956 opdracht de zaak te onderzoeken. Zijn conclusie: geen aanleiding tot vervolging. Inmiddels staat overigens vast dat de procureur-generaal over enkele belangrijke documenten niet beschikte, al is maar de vraag of zijn oordeel anders was geweest als hij die wel had gekend.

Publicaties

Herman Wigbold in 1970
Herman Wigbold in 1970. (Nationaal Archief/Anefo, CC0)
Zowel in Duitsland als Nederland bleven af en toe publicaties over de zaak verschijnen. In 1964 legde eindredacteur Herman Wigbold van Vara’s actualiteitenrubriek Achter het Nieuws een Duits knipsel op het bureau van freelance-medewerker Dick Verkijk. Deze ging ermee aan de slag. Van het verzamelde materiaal maakte Verkijk een tv-documentaire van zo’n 25 minuten.

Uitzending werd echter op 19 januari 1965 verboden: niet door de overheid, maar door de Vara-leiding in de persoon van televisie-secretaris Jan Willem Rengelink. Hij zette die stap na een telefoontje van Vara-voorzitter (en PvdA-Kamerlid) Jaap Burger, die door ‘een ministerie’ was getipt dat Achter het Nieuws aan het wroeten was.

Aan Wigbold schreef Rengelink ter verklaring onder meer:

“Bij mij bestaat geen enkele behoefte aan ethisch masochisme dat de grote allesoverheersende schuld der Duitsers in de ogen van het publiek kan verzachten. Zeker niet in een tijd, waarin de vraag van de beëindiging van de berechting der Duitse oorlogsmisdadigers een actuele zaak is.”

Het aanpakken van Duitse bezetters uit de oorlog vond Rengelink dus belangrijker dan persvrijheid, concludeerde mediahistoricus Chris Vos in 1999.

Na een jaar waagde Wigbold een nieuwe poging. De documentaire van Verkijk (die niet meer voor de Vara werkte) had Wigbold ingekort van 25 naar 11 minuten. Maar opnieuw stuitte hij op een uitzendverbod. Nu niet van Rengelink, die naar NOS-voorloper NTS was vertrokken, maar van Vara-voorzitter Burger.

Op 16 april 1965 publiceerde Het Parool Dick Verkijks bevindingen die de Vara-leiding niet wilde uitzenden. (Delpher)
Op 16 april 1965 publiceerde Het Parool Dick Verkijks bevindingen die de Vara-leiding niet wilde uitzenden. (Delpher)

Zijn bevindingen had Verkijk (na overleg met Wigbold) al eerder toch gepubliceerd, op 16 april 1965 namelijk in dagblad Het Parool. Voor het Duitse weekblad Der Spiegel was dat aanleiding er eind 1965 en begin 1966 twee stevige artikelen aan te wijden. Het gevolg daarvan was weer dat fractievoorzitter Henk Lankhorst van de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP) in de Tweede Kamer tot tweemaal toe vragen stelde over het Van Imhoff-drama. Bevredigend waren de antwoorden niet, al was het maar doordat ze verre van volledig waren. Behalve de PSP begonnen ook de Partij van de Arbeid en de Anti-Revolutionaire Partij erover in de Eerste Kamer. Minister van Defensie Piet de Jong (KVP) verklaarde dat de beschikbare documenten zouden worden samengebracht bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod, tegenwoordig het Niod) en door onderzoekers konden worden geraadpleegd.

Een wetenschappelijk hoofdambtenaar van de Universiteit Utrecht, zo liet De Jong verder weten, zou in het kader van een studie over de Nederlandse koopvaardij in de oorlog ook aandacht besteden aan de Van Imhoff-zaak. De minister had daarom speciaal gevraagd. Die wetenschappelijk hoofdambtenaar was Karel W.L. Bezemer en hij heeft inderdaad het tot nu toe compleetste overzicht van de gebeurtenissen op schrift gesteld, inclusief vragen en twijfels die bij onderdelen van deze geschiedenis nog bestaan. De spannende vraag is dus of de NIMH-onderzoekers die nu met de zaak bezig zijn aanvullende gegevens op tafel kunnen krijgen – en vooral: wat dan. In 2024 zullen we het weten.

Dick Verkijk in 2011.
Dick Verkijk in 2011. (Beeld en Geluid wiki, CC BY-SA 3.0 nl)
Overigens heeft de Vara (intussen gefuseerd tot BNNVARA) zichzelf in 2017 ruimschoots gerehabiliteerd. Eind dat jaar zond de omroep in drie delen een prachtige documentaire uit over het Van Imhoff-drama. Journalist Verkijk en voormalig Achter het Nieuws-redacteur Koos Postema komen erin aan het woord. De hoofdpersonen zijn echter Oostenrijker Thomas Heindl, achterkleinzoon van een van de overlevenden, en Anouk Hoeksema, kleindochter van de kapitein van de Van Imhoff. Samen gaan zij op zoek naar de feiten. Wat onder meer aan het licht komt, is dat ‘een’ ministerie dat in 1965 contact opnam met Vara-voorzitter Burger, het departement van Defensie was. Meer in het bijzonder was het toenmalige staatssecretaris voor marinezaken Adri van Es (ARP) die Verkijk actief tegenwerkte, net als onder meer de KPM-top en het Riod (inclusief toenmalig directeur Loe de Jong). De drie afleveringen van de documentaire zijn hier, hier en hier te zien. In april 2018 kreeg de documentaire de journalistieke prijs de Tegel in de categorie achtergrond.

~ Ronald Frisart

Bronnen

-K.W.L. Bezemer: Geschiedenis van de Nederlandse koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog. (Amsterdam/Brussel 1987).
-Handelingen der Tweede Kamer, Zitting 1965-1966, Aanhangsel, pp. 473-474 en 687-688.
-C. van Heekeren: Batavia seint: Berlijn. (Den Haag 1967).
-Dr. L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11a, tweede helft. (’s-Gravenhage 1984).
-Ministerraad: Besluitenlijst van de vergadering gehouden op 13 augustus 2021 (Den Haag 2021).
-NRC Handelsblad: Kabinet geeft opdracht tot historisch onderzoek naar ramp met stoomschip Van Imhoff. En: Haar opa was een van de slachtoffers. (10 september 2021).
-Kees Schaap, Foeke de Koe: De ondergang van de Van Imhoff. BNN/VARA (10, 17 en 24 december 2017).
-Der Spiegel: Das Totenschiff. (21 december 1965).
-Der Spiegel: Das Totenschiff (II). (6 februari 1966).
-Chris Vos: De Vara, de oorlog en de doofpot. In: Tijdschrift voor mediageschiedenis, 1999 Vol. 2 No. 1.
Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

Veel oorlogsgeschiedenis op de algemene begraafplaats Crooswijk

Hierna verschenen

Over de opheffing van het KNIL in 1950

0
Reageren op dit bericht?x