Dark
Light

Ulster is anders

Auteur:
8 minuten leestijd
Parke´s Castle is een voorbeeld van een versterking uit de tijd van de ´Ulster Plantations´. Oorspronkelijk gebouwd als landhuis van de Ierse familie O´Rourke, kwam het in 1628 in handen van de Engelse ´planter´ Robert Parke die er een vestingmuur met torens omheen liet bouwen. v
Parke´s Castle is een voorbeeld van een versterking uit de tijd van de ´Ulster Plantations´. Oorspronkelijk gebouwd als landhuis van de Ierse familie O´Rourke, kwam het in 1628 in handen van de Engelse ´planter´ Robert Parke die er een vestingmuur met torens omheen liet bouwen.

In 1842 bracht Johann Georg Kohl (1808-1878), een Duitse handelsreiziger, een bezoek aan Ierland. Toen hij daar noordwaarts trok kreeg hij in Ulster het gevoel ‘in een andere wereld te zijn beland waar alles als bij toverslag was veranderd’. En Kohl was niet de enige die deze indruk kreeg, want Ulster wás inderdaad anders. Het was protestants en geïndustrialiseerd, terwijl de rest van Ierland katholiek en agrarisch was.

Tijdgenoten van Kohl gingen op zoek naar verklaringen en vonden deze in de geschiedenis van Ulster. Ze stelden vast dat er in de vroege zeventiende eeuw een volksplanting had plaatsgevonden waarbij presbyteriaanse protestanten uit Schotland zich in Ulster vestigden en daar vervolgens een zwaar stempel drukten op de regionale identiteit.

Volksplantingen die in de zestiende- en zeventiende eeuw in Ierland plaats vonden.
Volksplantingen die in de zestiende- en zeventiende eeuw in Ierland plaats vonden. (CC BY 3.0 – Clan Tully Association – wiki)
Toch blijkt dat niet het hele verhaal te zijn. In de eerste plaats werden tijdens de Ulster Opstand van 1641, die onderdeel vormde van een algehele Ierse Rebellie (1641-1642), een groot deel van deze nederzettingen verwoest en liet hun wederopbouw vaak nog tientallen jaren op zich wachten. Ten tweede hadden in de zestiende eeuw in de zuidelijke provincie Munster en in de centraal gelegen graafschappen Longford en Leitrim vergelijkbare volksplantingen plaatsgevonden, zonder dat het karakter van deze gebieden hierdoor zó sterk veranderd was. Wat maakte de situatie in Ulster dan zo anders?

De aanleiding voor de volksplanting in Ulster was de vlucht van een aantal Ierse edellieden naar het Europese vasteland in 1607. Hun redenen daarvoor liepen uiteen. Zo was er Hugh O’Neill (1550-1616), Earl of Tyrone, die vond dat zijn macht te sterk werd ingeperkt door recente maatregelen van de Engelse regering in Dublin. Rory O’Donnel (1575-1608), Earl of Tyreconnell, was al ontevreden sinds het einde van de Negenjarige Oorlog, die tussen 1594 en 1603 was uitgevochten tussen de lokale Ierse leiders en de Engelse regering in Ierland en door laatstgenoemde gewonnen was. Hij was gaan samenzweren met Spaanse geheim agenten om onrust te stoken, maar vreesde later voor arrestatie omdat hij dacht dat het complot was ontdekt. Cahir O’Doherty (1587-1608), tenslotte, was in conflict gekomen met de gouverneur van Derry, wat uitmondde in een lokale opstand. Deze werd weliswaar snel onderdrukt, maar bood de Engelse regering de gelegenheid om nog meer eigendommen in Ulster te confisqueren. Uiteindelijk kwamen zo zes van de negen graafschappen van Ulster in handen van de Engelse kroon: Armagh, Cavan, Coleraine (later Londonderry), Donegal, Fermanagh en Tyrone.

Het vertrek van Hugh O’Neill, Rory O’Donnel en negentig van hun volgelingen naar het vasteland van Europa in 1607 kwam bekend te staan als de ‘Flight of the Earls’. Dit monument in Ulster herinnert hier aan.
Het vertrek van Hugh O’Neill, Rory O’Donnel en negentig van hun volgelingen naar het vasteland van Europa in 1607 kwam bekend te staan als de ‘Flight of the Earls’. Dit monument in Ulster herinnert hier aan. (CC BY-SA 2.0 – Willie Duffin – wiki)

Aanvankelijk hadden de regeringen in Dublin en Londen geen idee hoe ze Ulster moesten gaan besturen, aangezien ze verrast waren door het vertrek van de Ierse edellieden. Maar binnen enkele jaren kwamen beiden tot de conclusie dat een volksplanting de beste oplossing zou zijn omdat, zo was de gedachte, daar drie groeperingen van zouden profiteren. In de eerste plaats waren dat Engelse en Schotse ondernemers, die nederzettingen moesten gaan stichten en daarvoor pachters in hun land moesten werven. Daarnaast afgedankte militairen en beambten, die er Ierse pachters in dienst konden gaan nemen. En tenslotte zouden de honderden zelfstandige ambachtslieden in Ulster profiteren van de volksplanting, aangezien hun klantenkring op deze manier flink kon groeien.

Ulster werd opgedeeld in districten die men toewees aan groepen van Engelse en Schotse ondernemers, waaruit voor ieder district een leider werd gekozen. Veertig procent van het totale landoppervlak werd op die manier gelijkmatig verdeeld over Engelsen en Schotten en opgesplitst in drie categorieën met oppervlakten van tweeduizend-, vijftienhonderd- en duizend hectare.

Koning Jacobus VI van Schotland en Jacobus I van Engeland stimuleerde de vestiging van onderdanen uit deze twee landen in Ulster
Koning Jacobus VI van Schotland en Jacobus I van Engeland stimuleerde de vestiging van onderdanen uit deze twee landen in Ulster
Vanaf 1613 werd van deze ondernemers geëist dat ze een versterking bouwden en de lokale Ieren zouden verdrijven om plaats te maken voor kolonisten. Laatstgenoemden moesten gaan samenleven in nederzettingen die de plannenmakers als ‘Brits’ betitelden. Met dat laatste wilden ze benadrukken dat deze volksplanting het initiatief was van de koning van Groot-Brittannië – een nieuwe titel die met de troonsbestijging van Jacobus VI van Schotland (1566-1625) als Jacobus I van Engeland in 1603 was ontstaan, de zogenaamde ‘Union of the Crowns’ – en niet die van de Engelse regering. Bovendien werden er bij de totstandkoming van de nieuwe nederzettingen nogal wat katholieken als ‘zetbazen’ aangesteld, vooropgesteld dat ze loyaal aan de koning waren.

Naast de eerdergenoemde drie groeperingen kwamen ook de kerk en het onderwijs in aanmerking voor land. De reformatie had tot dan toe nauwelijks voet aan de grond gekregen in Ierland en om predikanten bereid te vinden zich in Ulster te vestigen achtte men het noodzakelijk om hen land aan te bieden teneinde er een comfortabel bestaan op te kunnen bouwen. Dat bleek al snel te werken, want in Ulster stichtten aanmerkelijk meer predikanten een geloofsgemeenschap dan elders in Ierland.

Ook het onderwijs maakte integraal onderdeel uit van kolonisatieprogramma en kreeg daarom land toebedeeld. Aan deze koninklijke scholen moesten de zonen van de kolonisten dusdanig hoog opgeleid worden dat ze konden worden toegelaten tot het pas opgerichte ‘Trinity College’ in Dublin om daar voor predikant te studeren. Ierse jongens werden overigens niet per definitie uitgesloten van deze scholen, omdat deze hen niet alleen vertrouwd maakten met het protestantisme, maar ook met het Engelse burgerlijke bestaan. Als instellingen om de samenleving te hervormen waren kerk en onderwijs belangrijke ingrediënten van het kolonisatieproces.

Londonderry

In de volksplantingsplannen was een uitzondering gemaakt voor het graafschap Coleraine, omdat het hier een project van de stad Londen betrof, die hiervoor een nieuw bestuurlijk lichaam in het leven had geroepen, namelijk de Irish Society. De opzet hiervan was vergelijkbaar met de Virginia Company in Noord-Amerika, namelijk een maatschappij die aandelen uitgaf om daarmee kapitaal van vooral kooplieden aan te trekken voor het financieren van volksplantingen. Het graafschap kwam bekend te staan als ‘Londonderry’ en werd opgedeeld in domeinen van drieduizend hectare die in handen kwamen van twaalf groepen van Londense handwerksliedengildes. De in- en uitvoer via havens en grensposten stond onder directe controle van de Irish Society, waardoor alleen handel met Londen mogelijk was. Londonderry groeide al snel uit tot de meest succesvolle volksplanting, met een bevolking van ruim duizend zielen in 1630 die met uiteenlopende vormen van nijverheid en handel een welvarend bestaan wisten op te bouwen.

Was het deze planmatige opzet die Ulster zo anders heeft gemaakt? Zonder twijfel heeft het daar in aanzienlijke mate toe bijgedragen. Het bracht een netwerk van landgoederen tot stand, meestal kleiner dan in andere delen van Ierland, en leidde tot de vestiging van veel Engelse en Schotse kolonisten in gesloten gemeenschappen. Maar misschien nog wel belangrijker is dat daardoor een sociale structuur ontstond die sterk afweek van andere kolonisatieprojecten, zoals die in Amerika, waar mensen met een vrijheidsideaal heen trokken.

In Ulster werden veel kolonisten juist pachter, waardoor dezelfde sociale verhoudingen ontstonden als in Engeland en Schotland. Bovendien bepaalde dit ook de bestuursvorm in de districten. De domeinen waarin deze aanvankelijk waren opgedeeld, ontwikkelden zich tot landgoederen met landgerechten waarin conflicten tussen grootgrondbezitters en pachters werden beslecht. Met andere woorden, het land was niet alleen herverdeeld, maar er waren ook nieuwe rechten aan de gronden toegekend om ze maximaal te laten renderen.

De volksplantingen in Longford en Leitrim kenden niet zo’n planmatige opzet, waardoor ze veel meer van hun oorspronkelijke sociale structuur behielden. Er trokken bovendien lang niet zoveel kolonisten heen, waardoor ook de Ieren zelf er in aanmerking kwamen voor landbezit.

De volksplanting in Derry was een project van de stad Londen en ging daarom vanaf 1613 ‘Londonderry’ heten.
De volksplanting in Derry was een project van de stad Londen en ging daarom vanaf 1613 ‘Londonderry’ heten.

De landgerechten vervulden een belangrijke rol en het bewaard gebleven archief van de domeinen van het aartsbisdom van Armagh uit de jaren 1625-’27 laat zien dat zowel Ieren als kolonisten hun weg naar dit rechtscollege wisten te vinden. Het taalgebruik en de formaliteiten die er golden stimuleerden de vorming van lokale identiteiten die bestaande verschillen overstegen, zoals die tussen de oorspronkelijke bewoners en nieuwkomers. Deze opzet was in zekere zin baanbrekend, omdat ze zowel op maatschappelijke vernieuwing als herverdeling van het land was gericht. Daarmee had het er aanvankelijk de schijn van dat de voorspelling van Sir John Davies (1569-1626), procureur generaal van Ierland, uitkwam. Hij beweerde dat de volksplanting in Ulster in feite…

‘…een vermenging van Britten en Ieren was, die hen tot één natie samen zou laten groeien en dat het, met Gods zegen. de vrede in Ierland zou garanderen, de verbondenheid met de kroon van Engeland voor altijd zou verzekeren en er uiteindelijk een machtig en welvarend koninkrijk van zou komen’.

Het effect van de volksplantingen in Ulster was echter geringer dan de bedenkers hadden voorzien. Dat kwam hoofdzakelijk omdat de regering de uitvoering overliet aan de grondbezitters, die in de praktijk alleen geïnteresseerd waren in het verwerven van landerijen, meestal voor het verhogen van hun status. Het ontbrak hen vaak aan het geld om de landgoederen ook daadwerkelijk tot ontwikkeling te brengen. Arthur, eerste Baron van Chichester (1567-1625) en stadhouder van Ierland vatte het kernachtig samen:

‘Die van Engeland zijn voor het grootste deel eenvoudige heren van het platteland en als ze al enig geld hebben, dan houden ze dat op zak, want tot op heden hebben ze nauwelijks iets geïnvesteerd. De Schotten komen in grotere aantallen en hebben weliswaar een betere mentaliteit, maar helaas minder geld in hun buidel.’

De financiële moeilijkheden betekenden dat veel ondernemers niet aan de voorwaarden konden voldoen die aan de volksplanting verbonden waren. Bij een eerste inspectie in 1619 bleek dat van de honderdvijfenzestig landgoederen er achtendertig niet van een versterking waren voorzien en dat waren juist de grootste. De migratiestroom naar Ulster was veel kleiner dan beoogd, zo bleek in 1630 toen er slechts zestienduizend Schotse kolonisten werden geteld.

Voor wat betreft Noord-Amerika ontbreken op dat moment nog de exacte cijfers, maar als die er twintig jaar later wél zijn, komen ze al boven de tweehonderdduizend uit. Tegen die tijd vertrokken er vanuit Schotland meer mensen naar Polen en Scandinavië dan naar Ulster. En diegenen die toen naar Ulster gingen, bleven liever in de nabijheid van de havens wonen, waardoor de landeigenaren voor de verleiding bezweken om hun grond toch maar aan Ieren te verpachten.

Londonderry was in 1613 één van de laatste steden in Europa die nog van een stadsmuur werd voorzien.
Londonderry was in 1613 één van de laatste steden in Europa die nog van een stadsmuur werd voorzien. (Unsplash – K. Mitch Hodge)

De presbyteriaanse predikant Andrew Stewart (1620-1671) beschimpte de nieuwkomers die in het kader van de volksplanting kwamen als volgt:

‘Uit Schotland kwamen er velen en uit Engeland slechts weinigen, maar allemaal behoorden ze over het algemeen tot het schuim der natie, waren op de vlucht voor justitie of schuldeisers en in het beste geval slechts op zoek naar onderdak.’

Zo erg was het in werkelijkheid dan ook weer niet, maar gesteld kan worden dat de meeste kolonisten slechts geïnteresseerd waren in snelle winst en niet in de opbouw van een nieuwe samenleving. Pogingen om de nederzettingen van de gewenste sociale samenhang te voorzien vielen meestal ten prooi aan de hebzucht van de ondernemers die zoveel mogelijk profijt wilden trekken uit hun bezittingen.

Wat het Ulster-project zo onderscheidend maakte was dat het voortkwam uit het streven van de koning en zijn raadgevers om het niet te beperken tot een her-bevolking van Ulster maar gebruik te maken van de gelegenheid om een hoge sociale standaard te zetten die als voorbeeld zou kunnen dienen voor de rest van het eiland. Het moest niet enkel om de herverdeling van land gaan, hoewel er uiteindelijk wel veel energie gestoken werd in de plannen die daarvoor nodig waren. Doel was om met behulp van wetgeving, handel, onderwijs en kerk een nieuwe samenleving te scheppen en hoewel de uitvoering van dit ‘social engineering project’ problematisch was, heeft het er wel toe bijgedragen dat Ulster nog altijd anders is.

Bronnen

BBC History Magazine, januari 2007

Gerelateerd:

Marc Busio (1970) is chemisch technoloog en amateurhistoricus, gespecialiseerd in industrieel verleden. Naast Historiek publiceert hij regelmatig artikelen op zijn eigen website www.fabriekofiel.com en in het tijdschrift 'Erfgoed van Industrie en Techniek'.

×