Dark
Light

Eibert den Herder – Don Quichot van de Zuiderzeewerken

Van Zuiderzee tot Flevoland (slot)
10 minuten leestijd
Eibert den Herder
Eibert den Herder

Ook na de totstandkoming van de Zuiderzeewet in 1918 stonden er weinig echte tegenstanders van de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee op. De invloedrijkste tegenstanders kwamen ook nu uit de financiële wereld, waaronder Anton van Gijn, die als minister van Financiën in 1916 het wetsontwerp van Lely mede had ondertekend. De natuurlijke tegenstanders, de Zuiderzeevissers, waren vooral geïnteresseerd in het in de wacht slepen van een ruime schadeloosstelling. Pas met het optreden van de Eibert den Herder lieten de vissers hun afwachtende houding varen en ondernamen zij een vergeefse poging om het naderende onheil te keren.

IJveren voor schadevergoeding

Brak Water
Brak Water
In 1919 werd het Centraal Comité inzake afsluiting en drooglegging der Zuiderzee, dat reeds in 1902 had gerapporteerd over de gewenste hoogte van de schadeloosstelling, opnieuw tot leven gewekt. Tijdens een druk bezochte vergadering in Hotel Spaander in Volendam wees voorzitter Berend Demmer de aanwezigen erop dat nu in het landsbelang was besloten de Zuiderzee af te sluiten, de vissers zich er maar beter bij konden neerleggen. Het Comité besloot opnieuw onderzoek te doen naar de schade die de drooglegging zou toebrengen aan het visserijbedrijf rond de Zuiderzee. Ook nu werd de waarde van de bedrijfstak (visserij én nevenbedrijven) geschat op bijna 10 miljoen gulden. De door de regering in het vooruitzicht gestelde bedrag van 6 miljoen gulden was ontoereikend. Het Comité verwachtte dat er uiteindelijk een ruimere schadevergoeding zou komen.

Door het lange wachten op de indiening van de Zuiderzeesteunwet bij de Tweede Kamer groeide de onrust in de vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Er bestond vooral onzekerheid over de toekomst. Het vooruitzicht dat de vissers niet meer in staat zouden zijn hun schulden af te betalen, maakte leveranciers van schepen, netten en zeilen huiverig om nieuwe kredieten te verstrekken. Ook het gerucht dat de Zuiderzeesteunwet maar een karige schadeloosstelling in het vooruitzicht stelde, maakte onrust nog groter. Tijdens een vergadering van het Centraal Comité op 29 december 1923 gaven vissers te kennen dat zij niet zonder protest zouden toelaten dat zij en hun gezinnen de dupe zouden worden van een werk, waarom zij allerminst hadden gevraagd. Toen het wetsvoorstel in januari 1925 bij de Tweede Kamer werd ingediend, leidde dit direct tot protesten. Het belangrijkste grief van de vissers was dat de regering geen enkele schadeloosstelling voor de waardevermindering van schepen en netten in het vooruitzicht stelde, terwijl dit voor veel vissers het enige bezit was dat ze hadden. Zowel de vissersorganisaties als verschillende gemeenten rond de Zuiderzee maakten hun ongenoegen kenbaar bij de Tweede Kamer. De Kamerbehandeling liep voor de vissers uit op een teleurstelling. De wet werd met een ruime meerderheid aangenomen. De Zuiderzeesteunwet maakte een einde aan de onverschilligheid van de vissers ten opzichte van de Zuiderzeewerken. Na 1925 vertaalde de onvrede zich in toenemende mate in verzet. Eén van de woordvoerders van dit verzet werd de Harderwijker Eibert den Herder.

Een ramp voor Nederland

Eibert den Herder was in 1876 in Harderwijk geboren als zoon van een “negotieschipper”. Na tot zijn dertigste met zijn vader op de Zuiderzee te hebben gevaren, ging hij in 1906 aan wal. Samen met zijn broer Beert zette hij een vishandel, een garnalenpellerij en een vismeelfabriek op. Omdat zij zich door de naderende afsluiting van de Zuiderzee in hun bestaan bedreigd voelden, begonnen de gebroeders Den Herder in 1921 een kalkzandsteenfabriek. De nieuwe fabriek werd geen succes.

De vismeelfabriek, die wel goed draaide, was vanwege de naderende afsluiting van de Zuiderzee op termijn ten dode opgeschreven. In Harderwijk speelde Eibert een grote rol in het openbare leven. Als oprichter en bestuurslid van de visserijvereniging “Onze Toekomst” had hij grote invloed op de ontwikkeling van de visserij. Hij had zich ingezet voor de vestiging van een visafslag, die in 1913 van start ging. Ook had hij zich jarenlang ingezet voor de realisering van een vaargeul naar de haven van Harderwijk, een geul die uiteindelijk in 1925 werd gerealiseerd. Behalve voor de ontwikkeling van de visserij heeft Den Herder zich jarenlang sterk gemaakt voor de bevordering van het toerisme. De afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee stond in zijn ogen haaks op de door hem gewenste ontwikkeling van Harderwijk.

Domme golven
Domme golven
In zijn strijd tegen de Zuiderzeewerken publiceerde Den Herder brochures, schreef hij brieven aan ministers, Kamerleden en vooraanstaande personen, stuurde hij ingezonden brieven naar de pers en hield hij voordrachten. In zijn eerste brochure De drooglegging der Zuiderzee, een ramp voor Nederland uit 1925 wilde Den Herder aantonen welke economische waarde de visserij vertegenwoordigde in verhouding tot de opbrengst van de landbouwgronden in de toekomstige IJsselmeerpolders. Daarbij roerde hij enkele technische en economische bezwaren aan. Hij betwijfelde of de Afsluitdijk sterk en hoog genoeg kon worden gemaakt, zodat zij in staat zou zijn om de zwaarste stormvloeden te weerstaan. Dat de ingenieurs geen absoluut vertrouwen stelden in de Afsluitdijk, werd volgens Den Herder duidelijk uit de mededeling van de minister van Waterstaat dat de meerdijken zouden worden verhoogd tot +2,50 m NAP. Volgens Den Herder zouden de dijken ook dan niet in staat zijn om stormvloeden te weerstaan:

‘Ingeval de afsluitdijk doorbreekt, worden alle polders in één zee herschapen. Geen huis, dat boven die watermassa uitsteekt. Geen levende ziel komt uit die polders. In niet één polder in ons heele land is het wonen zoo gevaarlijk.’

Eibert den Herder plaatste ook kanttekeningen bij de rentabiliteit van het Zuiderzeeproject. Hij rekende voor dat een hectare Zuiderzeegrond drieduizend gulden zou gaan kosten. Welke boer zou zo’n bedrag willen betalen, als hij voor hetzelfde geld gelijkwaardige grond in veiliger streken kon krijgen? Zijn bezwaren kwamen aan de orde tijdens een voordracht die hij verzorgde op 6 augustus 1925 in Harderwijk. Hij slaagde er niet in om het publiek op zijn hand te krijgen. Volgens één van de aanwezigen zou Harderwijk zich belachelijk maken als het met Den Herder zou meegaan. Ondanks deze kritiek ging hij onverdroten voort met het waarschuwen van politici voor het naderende onheil. In zijn brochure Domme golven, ingenieurskunst en keileem uit 1929 zette hij zijn bezwaren tegen de Zuiderzeewerken nog eens uiteen. Hij betoogde dat het tijdens de storm van november 1928 maar weinig had gescheeld of er was van de in aanleg zijnde werken geen spaan heel gebleven. Ook deze brochure trok weinig aandacht.

Zuiderzeefilm

Jan van der Ven
Jan van der Ven
Meer aandacht kreeg Eibert den Herder een jaar later toen hij een actie begon tegen de Zuiderzeefilm van de folklorist Dirk-Jan van der Ven. In deze film uit 1929 legde Van der Ven de met de ondergang bedreigde volkscultuur in de Zuiderzeevissersplaatsen vast. Door zijn folkloristische invalshoek, waarbij hij vooral aandacht had voor traditionele werkmethoden, haalde Van der Ven zich de woede van de vissers op de hals. Zij waren vooral kwaad omdat ze in de film werden afgeschilderd als armoedzaaiers.

Eibert den Herder kwam direct in het verweer tegen deze – in zijn ogen misleidende – voorstelling van de Zuiderzeevisserij. Tijdens een druk bezochte vergadering op 22 januari 1930 in Harderwijk ontvouwde hij het plan om door het maken van een nieuwe film het Nederlandse volk wel een juiste kijk te geven op de Zuiderzeevisserij en de aanverwante bedrijfstakken. Het doel was om aan te tonen welk een belangrijk bedrijf er verloren zou gaan. Den Herder slaagde er in korte tijd in om voldoende geld bijeen te zamelen voor zijn filmplannen.

De film ging op 24 juni 1930 in Harderwijk in première. Visser Willem Foppen verklaarde vooraf dat de film was bedoeld als een poging om de Zuiderzee voor de visserij te behouden. Het werd de vissers steeds duidelijker dat zij door de drooglegging gedupeerd werden. De film moest duidelijk maken dat er een belangrijke bron van volksvoedsel dreigde verloren te gaan. Volgens Foppen was het “een bovenmenschelijk wonder” dat, nu men met de drooglegging was begonnen, de zee zo rijk was aan vis. In het licht van deze rijkdom waren de vissers vastbesloten om bij de regering aan te dringen op het stopzetten van de drooglegging. Het was nog niet te laat.

“Onwaarheden en fantastische voorstellingen”

De film leverde Den Herder veel goodwill op. In toenemende mate werden zijn brochures met instemming in de pers besproken. Door deze aandacht konden de voorstanders van de Zuiderzeewerken hem niet langer negeren. De eerste die reageerde was de propagandist van de Zuiderzeewerken Anton Beekman. In Het Vaderland van 29 maart 1930 schreef hij: ‘Hoe kan men iemand gaan weerleggen, die het a. b. c. niet kent van de zaak, waarover hij durft meespreken? Waarlijk, onze ingenieurs hebben wel wat anders te doen dan tegen zulk geschrijf op te komen. En ook ik durf mijn tijd beter te kunnen gebruiken.’ Het Vaderland nam met dit neerbuigende commentaar geen genoegen. Volgens de krant was het de “leek” Den Herder die ‘toch maar van den aanvang af den vinger heeft gelegd’ op onvoorziene omstandigheden. Daartoe aangespoord ging Beekman in Het Vaderland van 16 april 1930 dieper op de zaak in. Hij bleef echter bij zijn stelling dat Eibert den Herder niets anders deed dan het volk op te zetten

‘tegen het groote en grootsche werk met onwaarheden en fantastische voorstellingen.’

Ook de Zuiderzeevereeniging zag zich genoodzaakt om in het verweer te komen. De vereniging deed daarvoor een beroep op de secretaris van de Zuiderzeeraad, Kornelis Jansma en de ingenieur van de Zuiderzeewerken Jo Thijsse. In hun Weerlegging van bezwaren van den heer E. den Herder, industrieel te Harderwijk uit 1930 kwamen beiden tot de slotsom dat de beweringen van Den Herder ‘de toets van rustige en ernstige kritiek’ niet konden weerstaan.

Havengezicht Harderwijk
Havengezicht Harderwijk

De Afsluitdijk open houden

Ondanks deze kritiek ging Den Herder onverdroten verder met het bekritiseren van de Zuiderzeewerken. In De steenen spreken wees hij op enkele oude gedenkstenen in de stadsmuur van Harderwijk, om zijn theorieën over de stormvloeden te onderbouwen. Eind 1930 publiceerde hij in enkele kranten een artikel waarin hij het instorten van een dijk op Texel tijdens de storm van 23 november 1930 toeschreef aan de bouw van de Afsluitdijk. Hij zag hierin de bevestiging van zijn vrees dat door de bouw van de Afsluitdijk het water enorm zou opstropen. Na voltooiing van de dijk zou dit alleen maar erger worden, zo voorspelde hij.

Door zijn actie voor een nieuwe Zuiderzeefilm slaagde Den Herder erin om medestanders om zich heen te verzamelen. Het Plaatselijk Comité tot Behoud van de Zuiderzee, dat hij in 1930 in het leven had geroepen om de film te realiseren werd een Landelijk Comité, waarin hij samenwerkte met de journalist Fred Thomas en de aannemer Salomon ten Bokkel Huinink. Tijdens een druk bezochte eerste bijeenkomst van het Comité op 5 februari 1931 in Amsterdam verklaarde voorzitter F.W. Drijver jr. dat het doel was te voorkomen dat de Zuiderzee zou worden afgesloten. Deze bijeenkomst was de eerste in een reeks van druk bezochte vergaderingen in vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Steevast werden deze avonden afgesloten met het sturen van een telegram naar de minister van Waterstaat met daarin het verzoek de Afsluitdijk niet te voltooien of het instellen van een onderzoek naar de gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee. De avonden werden afgesloten met de vertoning van de Zuiderzeefilm van Eibert den Herder.

Naarmate de voltooiing van de Afsluitdijk naderde werd het echter steeds moeilijker om de vissers de mobiliseren. Bovendien slaagde het Landelijk Comité er slechts in beperkte mate in weerklank te vinden bij Haagse politici. De sluiting van de Afsluitdijk op 28 mei 1932 markeerde ook het einde van de acties voor het behoud van de Zuiderzee. De meeste tegenstanders hielden het voor gezien. Alleen Eibert den Herder weigerde te capituleren. Kort voor de afsluiting van het laatste sluitgat gaf hij de vissers het advies om hun netten niet te laten verrotten:

‘Wie weet, hoe spoedig ge ze weer noodig zult hebben.’

Overtuigd als hij was dat de Afsluitdijk bij de eerste de beste storm zou bezwijken, bleef hij zich verzetten tegen de Zuiderzeewerken. In 1933 deed hij met de Zuiderzeepartij mee met de Tweede Kamerverkiezingen. De partij behaalde slechts 338 stemmen in de twee kieskringen waarin een kieslijst was ingediend. In Harderwijk hadden zijn “partijgenoten” verzuimd op tijd de kandidatenlijst in te leveren. Tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Harderwijk verklaarde Den Herder dat de oprichting van de partij een wanhoopsdaad was. De ARP en de CHU, partijen waarvoor hij jarenlang in de Harderwijkse gemeenteraad had gezeten, hadden zich in zijn ogen niets aangetrokken van de Zuiderzee ellende.

Achterhoedegevecht

Eibert den Herder
Eibert den Herder
Ook na dit verkiezingsdebacle bleef Eibert den Herder doorgaan met zijn strijd tegen de uitvoering van de Zuiderzeewerken. Hij publiceerde nog enkele brochures waarin hij waarschuwde voor de gevaren, die Nederland zouden bedreigen als de droogleggingsplannen zouden worden doorgezet. Alleen door het afsluiten van alle zeegaten door hoge duinen zou het land gevrijwaard blijven van een nationale ramp, zo schreef hij in 1941 in zijn achtste brochure De Zuiderzee. Toen in 1950 de directeur van Zuiderzeewerken Marten Klasema naar Harderwijk kwam om het verzet tegen de aanleg van Oostelijk Flevoland de wind uit de zeilen te nemen, nam Eibert den Herder ongevraagd het woord om zijn afschuw tegen de inpolderingsplannen uit te spreken. Kort daarna publiceerde hij zijn laatste brochure Waar gaat gij heen? Het nawoord van dit geschrift laat zich lezen als de profetie van een man die op jet punt stond de strijd op te geven. Als in een visioen zag hij de Afsluitdijk bezwijken en de zee weer bezit nemen van het land, en daarbij aan toevoegend: ‘En als de bladen dan met vette letters melden dat zoveel duizend mensen verdronken zijn, zal een enkele zich misschien herinneren de man uit Harderwijk, die dat alles heeft voorzien en er dertig jaar lang voor gewaarschuwd heeft.’ Kort na het verschijnen van de brochure, op 3 september 1950 overleed Eibert den Herder.

De betekenis van Eibert den Herder

Eibert den Herder heeft meer gedaan dan een verbeten strijd te voeren tegen de Zuiderzeewerken. Hij nam talloze initiatieven om Harderwijk toeristisch op de kaart te zetten. Zo begon hij in 1925 met de Holland-Veluwelijn, een bootverbinding met Amsterdam en wist hij te bereiken dat er een vaargeul kwam door de voor Harderwijk gelegen zandbank Het Harde. Ook heeft hij zich (vergeefs) ingezet om het Zuiderzeemuseum naar Harderwijk te halen en maakte hij in 1944 een reeks schilderijen van vissersboten. Zijn inspanningen om het toerisme in zijn stad te bevorderen werd na de oorlog overgenomen door zijn zoons Frits en Coen. De verzameling zeezoogdieren van zoon Frits werd de basis van het Dolfinarium, dat in 1965 zijn deuren opende. In 2005 werd voor het stadhuis van Harderwijk een monument onthuld ter ere van deze markante stadgenoot.

Boek: Pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee

×