Week van de koloniale geschiedenis
Dark
Light

De herontdekte Camino Real van Panama

5 minuten leestijd
Resten van de Camino Real van Panama
Resten van de Camino Real van Panama (CC BY-SA 3.0 - Christian Strassnig - wiki)

Al lang voor de aanleg van het Panamakanaal was er in Panama een belangrijke handelsverbinding tussen beide kusten. Sinds het begin van de koloniale tijd voert er namelijk al een pad van de ene naar de andere kant van deze landengte. De sporen daarvan waren in de jungle verloren gegaan, tot ze recent herontdekt werden door een paar enthousiastelingen. Dankzij hen is de Camino Real tegenwoordig weer begaanbaar en kan men hem bewandelen, al is het meenemen van een machete wel aan te bevelen.

De Camino Real was de weg van de Spaanse kroon in Panama en de eerste door Europeanen aangelegde verbinding tussen de Pacifische- en Atlantische Oceaan. Het smalle pad vormde een cruciale schakel in de expansie van het Spaanse koloniale rijk langs de Zuid-Amerikaanse kust. Hierover vervoerde men de schatten die waren buitgemaakt op het Incavolk in de Andes, waarbij het plaveisel gedurende drie eeuwen werd afgesleten door de hoeven van duizenden muildieren.

Vasco Núñez de Balboa - Hessel Gerritsz, 1622
Vasco Núñez de Balboa – Hessel Gerritsz, 1622
Tot aan het begin van de zestiende eeuw was het bestaan van de Pacifische- of Stille Oceaan bij de Europeanen nog onbekend. In 1513 ontdekte Vasco Núñez de Balboa (1475-1519) deze oceaan bij het oversteken van de landengte en bewees daarmee dat Amerika een nieuw werelddeel was. Zes jaar later stichtten Spaanse kolonisten Panamá la Vieja, de voorloper van het huidige Panama City, en gingen daar schepen bouwen om het Inca-rijk te exploiteren, dat vanaf 1542 bekend stond als het Onderkoninkrijk Peru. Dit hele project was echter afhankelijk van een goede verbinding naar de Caraïbische kust, waar de galjoenen ankerden die tussen de Oude- en Nieuwe Wereld op en neer voeren.

Panamá la Vieja was de eerste stad van de Europeanen aan de Pacifische Oceaan en speelde daardoor een belangrijke rol in het vullen van de Spaanse schatkist met edelmetalen. Op het hoogtepunt kwam niet minder dan zestig procent van de staatsinkomsten via Panama in Spanje terecht. Hierdoor beleefde de stad een ongekende economische bloei en bevolkingsgroei. Nauwelijks zestig jaar na de stichting telde het van oorsprong inheemse vissersdorp al vijfhonderd bewoners, gemiddeld achthonderd bezoekers en zo’n vierduizend slaven.

Een eeuw later bedroeg het inwonertal inmiddels meer dan tienduizend zielen. De uit Afrika afkomstige slaven werden ingezet voor de bouw van de stad en de Pacifische vloot. Daarnaast verbeterden ze ook stap voor stap de Camino Real die in de regentijd maar moeilijk begaanbaar was. Voor de aanleg moest de weelderige tropische vegetatie gekapt worden, waarna het ontstane pad kon worden verhard. De goederen die erover getransporteerd werden waren tropische gewassen, grondstoffen, zilver en goud. Deze werden op een lange colonne van vijftig of meer muildieren geladen en onderweg bewaakt door het leger. Vanuit Panamá la Vieja moesten deze karavanen honderden kilometers afleggen om de Caraïbische kust te bereiken en daarbij talloze dichtbeboste hellingen beklimmen. Na doorgaans vier dagen bereikte men de Cascajal, een rivier waar men kon uitrusten, verfrissen en drinken en die daarna vele kilometers gevolgd werd. Mens en dier waren op dit punt vaak al uitgeput omdat regen, vocht en hitte een ware aanslag op hun gestel betekende, nog afgezien van de grote inspanning die het vergde om een weg te banen door de dichte vegetatie. Bovendien stonden de konvooien bloot aan overvallen door piraten en cimarróns, gevluchte slaven die zich in de jungle schuil hielden.

Portobelo
Portobelo (CC BY-SA 4.0 – Edwin Bermudez – wiki)

De baai van Portobelo

In 1545 ontdekte men in het Boliviaanse Potosi de zilvermijnen van de Inca’s, waardoor het vervoer over de Camino Real sterk intensiveerde. Kolossale hoeveelheden zilver werden vanaf die tijd door weer en wind langs de kust van Peru verscheept en na een moeizame oversteek van de landengte opnieuw aan boord van schepen gebracht. Ook in de Caraïbische Zee nam het aantal scheepsbewegingen sterk toe, hetgeen de roofzucht van piraten en vijandig gezinde staten uitlokte. Nadat de beruchte Engelse kaperkapitein Francis Drake (1540-1596) er in 1595 voor de tweede keer in was geslaagd om de havenstad Nombre de Dios te overvallen, werd het eindpunt van de Camino Real verlegd naar de baai van Portobelo. Deze was door heuvels omringd en daardoor beter verdedigbaar. Om ook vanaf zee minder kwetsbaar te zijn bouwde men een stelsel van vestingwerken rond de baai waarin een viertal forten was opgenomen met vele tientallen kanonnen die op de haven waren gericht: San Lorenzo, San Jerónimo, Santiago de la Gloria en San Fernando. Het strengst bewaakte gebouw van Portobelo was het Real Aduana (koninklijke douane), ook wel Contaduria (rekenkamer) genoemd, omdat daar het goud en zilver opgeslagen en geregistreerd werd alvorens het aan boord van de galjoenen ging. Meer dan tweehonderd soldaten droegen zorg voor de beveiliging.

Aanvankelijk liep de Camino Real van Panamá la Veija naar Nombre de Dios, maar vanaf 1596 was Portobelo het eindpunt
Aanvankelijk liep de Camino Real van Panamá la Veija naar Nombre de Dios, maar vanaf 1596 was Portobelo het eindpunt (CC BY-SA 3.0 – Matjamoe – wiki)
In Portobelo bevond zich destijds ook de grootste markt van Amerika, die wekenlang duurde en waar zowel Europese als inheemse producten, maar ook slaven verhandeld werden. Volgens tijdgenoten zou het zelfs de belangrijkste markt van de wereld geweest zijn. Thomas Gage (1603-1656), een Engelse Dominicaan en missionaris die in 1637 een tijdje in de stad doorbracht, beschreef vol verbazing de taferelen die hij er waarnam:

‘Maar wat me het meest is bijgebleven waren de grote aantallen muildieren die uit Panama aankwamen en allemaal met balen zilver beladen waren. Op één dag telde ik er wel tweehonderd die niets anders transporteerden. Midden op de marktplaats werden ze gelost, zodat daar een hoge berg zilver ontstond’.

Henry Morgan

Dit soort berichten trok uiteraard zeerovers en vrijbuiters aan. Terwijl de meeste van hen de galjoenen liever op open zee aanvielen, gaf alleen de meest stoutmoedige onder hen de voorkeur aan een directe aanval op de landengte. De Engelse kaperkapitein Henry Morgan (1635-1688) was precies op de hoogte van de kracht van de forten en stelde er in 1668 dan ook zijn schepen niet aan bloot. Morgan wierp zijn anker daarom een baai verderop uit, ging met zijn manschappen te voet naar de stad en viel deze ’s nachts aan. Portobelo werd vervolgens grondig geplunderd en Morgan bleef er nog een maand lang tot hij na het ontvangen van een grote som losgeld weer terugvoer naar zijn rovernest op Jamaica. Drie jaar later pakte hij het nog spectaculairder aan door de landengte over te steken en Panamá la Vieja bij verrassing aan te vallen en te plunderen.

Houtsnede van Henry Morgan uit de achttiende eeuw
Houtsnede van Henry Morgan uit de achttiende eeuw
Om niet voortijdig door de Spanjaarden te worden opgemerkt volgde Morgan de loop van de Rio Chagres. Die rivier is sindsdien sterk veranderd omdat ze onderdeel is gaan uitmaken van het Panamakanaal. Doormiddel van twee dammen is er een stuwmeer in gevormd, waarmee het waterniveau in het kanaal op peil wordt gehouden. Daardoor bevindt zich nu ook een deel van de Camino Real onder water. Door de aanleg van een spoorlijn was die route in vergetelheid geraakt en het vroegere traject was überhaupt niet meer bekend. Intensief historisch veldonderzoek leidde echter in 2008 tot haar herontdekking. Her en der was het plaveisel nog enigszins herkenbaar nadat het opnieuw was blootgelegd. Het bestaat uit grote, rechtopstaande stenen aan de randen en kleinere, afgeplatte exemplaren voor het wegdek, met een totale breedte van één meter twintig. Er moest diep in de jungle worden doorgedrongen om de weg overal te kunnen lokaliseren, die af en toe in een rivier bleek te zijn verdwenen. Initiatiefnemer van het project was de Oostenrijker Christian Strassnig. Hij schakelde ook plaatselijke boeren in voor het herstel van de Camino Real, om zo de begaanbaarheid van het pad ook ten goede te laten komen aan de plaatselijke bevolking.

Bij de werkzaamheden trof men regelmatig nog hoefijzers aan van de muildieren. Het is de bedoeling dat dankzij de herontdekking van de Camino Real het toerisme tot ontwikkeling kan komen en de inheemse gemeenschappen daar op hun beurt weer van kunnen profiteren. Want diende de weg vroeger enkel om het continent van haar rijkdommen te beroven, op deze manier zou dat in de nabije toekomst weer enigszins goedgemaakt kunnen worden.

Marc Busio (1970) is chemisch technoloog en amateurhistoricus, gespecialiseerd in industrieel verleden. Naast Historiek publiceert hij regelmatig artikelen op zijn eigen website www.fabriekofiel.com en in het tijdschrift 'Erfgoed van Industrie en Techniek'.