Dark
Light

Cultuur en crisis in het Avondland (1918-1938)

6 minuten leestijd
Fragment uit Charlie Chaplins 'Modern Times'
Fragment uit Charlie Chaplins 'Modern Times' (Publiek Domein - wiki)

Het boek Alleen de wolken. Cultuur en crisis in het Westen (De Bezige Bij, 2014), is het vervolg van Philipp Blom op zijn eerdere werk over de voorafgaande periode De duizelingwekkende jaren 1900-1914. In Alleen de wolken behandelt Blom per hoofdstuk, aan de hand van één typerend thema, een jaar uit het interbellum.

Modern Times – Charlie Chaplin

Opnieuw stelt Blom, net als in De duizelingwekkende jaren, dat de Eerste Wereldoorlog een minder ingrijpende breuk was dan door historici is verondersteld. Schijnbare moderniseringen en andere ontwikkelingen die in het interbellum plaatsgrepen, waren al vanaf ongeveer 1900 in gang gezet:

“Hoewel er oppervlakkig beschouwd na de oorlog tal van dingen leken te wijzen op radicale veranderingen, waren die in feite het gevolg van een versnelling van een moderniseringsproces dat al geruime tijd gaande was. De grote maatschappelijke en industriële krachten die tussen de eeuwwisseling en 1914 het leven zo duizelingwekkend hadden gemaakt, bleven invloed uitoefenen, op samenleving en individu, Het Amerika van de New Deal, de Weimarrepubliek, het fascistische Italië en de nog jonge Sovjet-Unie hadden met elkaar gemeen dat ze uitingen waren van, of reacties op de door de industrie aangestuurde en steeds technologischer wordende samenlevingen die al vanaf 1900 in de steden aanwezig waren.” (20)

John Scopes (docent die ter discussie stond tijdens Monkey Trial)
John Scopes (docent die ter discussie stond tijdens Monkey Trial)
De glorietijd van de machine was al voor 1914 aangebroken, maar manifesteerde zich in het interbellum in volle kracht. De mensen zouden, zo leek in de jaren 1920, voortaan slaaf zijn van de machine, om voor anderen rijkdom te creëren. Dit thema keert terug in – onder meer – de film Metropolis (1927) van Fritz Lang, of in Charlie Chaplins comedy Modern Times (1936). Deze relatie tussen mens en machine is een van de rode draden in het boek van Philipp Blom, en ook in het interbellum als tijdvak. Niet voor niets, zo schrijft Blom, riep Adolf Hitler de Duitse jeugd op om ‘even hard te zijn als Krupp-staal’.

Shellshock (1918) en Monkey Trial (1925)

Zoals aangegeven heeft Blom zijn boek verdeeld in hoofdstukken die één jaar behandelen aan de hand van een specifiek thema. Blom heeft ervoor gekozen, dat is origineel en gewaagd, om niet te kiezen voor vanzelfsprekende onderwerpen. Hij kiest juist voor verrassende vertrekpunten:

“1919 is niet gewijd aan de vredesonderhandelingen die tot het Verdrag van Versailles hebben geleid, en 1923 niet aan de hyperinflatie in Duitsland; 1929 gaat niet over het uitbreken van de crisis en 1933 niet over de machtsgreep van Hitler. In plaats daarvan heb ik gekozen voor afwijkende, minder voor de hand liggende thema’s en heb ik die laten vergroeien tot een mozaïek van perspectieven en identiteiten dat in de tijd groeit en evolueert.” (26)

Voor welke thema’s kiest Blom dan precies? Om een aantal te noemen: hoofdstuk 1 staat in het teken van 1918 met als thema shellshock, 1920 gaat in op de drooglegging in de Verenigde Staten, 1925 behandelt het ‘Apenproces’ tegen leraar John Scopes (bekend als Scopes Monkey Trial), het jaar 1931 is opgehangen aan het mislukte plan van Michele Schirru (1899-1931) om Benito Mussolini te vermoorden, en – ten slotte – behandelt het hoofdstuk ‘1936’ de lichaamscultus in de jaren 1930, zoals het Duitse naturisme dat in prachtig Duits Freikörperkultur heet.

In deze bespreking licht ik, ter illustratie van de inhoud van het boek, de thematiek van twee van deze hoofdstukken uit. Om precies te zijn het hoofdstuk over de Harlem Renaissance (1922) en het hoofdstuk getiteld Pogrom van het intellect (1933).

Harlem Renaissance: ‘Een ongelofelijke dosis optimisme’ (1922)

Marcus Garvey
Marcus Garvey
De Harlem Renaissance – aanvankelijk bekend als de New Negro Movement – vormde een vloedgolf van een nieuw soort cultuur, waarbij de Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten voor het eerst een gedeelde identiteit toonden en over de volle breedte van zich lieten horen. De Harlem Renaissance was deels cultureel en politiek, maar had ook artistieke componenten en was zeker een maatschappelijk fenomeen, omdat ze de bittere én hoopvolle ervaringen van een grote bevolkingsgroep articuleerde.

Een jaar voor de beweging echt aan de oppervlakte kwam, was de NAACP – de National Association for the Advancement of Colored People (1921) – opgericht, dat een periodiek met de titel The Crisis uitgaf. Dit tijdschrift propageerde zichzelf als ‘het ethische en politieke geweten van het land op het gebied van institutioneel racisme’. Het blad, dat nog steeds bestaat, stond onder reactie van W.E.B. du Bois (1868-1963). Du Bois was een van de meest vooraanstaande zwarte intellectuelen van zijn tijd.

De zwarte culturele revival van de Harlem Renaissance had verscheidene facetten. Zo organiseerde Du Bois diverse Pan African Congresses waarop pleidooien klonken om Afrika volledig te dekoloniseren en streefde de Jamaicaanse politicus-spreker Marcus Garvey jr. (1887-1940) ernaar om alle Afro-Amerikanen terug te halen naar Afrika. Garvey’s beweging wordt daarom ook wel toepasselijk het Zwart Zionisme genoemd. En verder had je alles daartussenin. Zo deed de beweging zich ook gelden in de jazz en zelfs in veranderende kledingstijlen onder zwarten.

Wat kenmerkte de sfeer van de Harlem Renaissance? Blom schrijft dat er twee kanten van de medaille waren, waarbij het zwaartepunt uiteindelijk bij het optimisme lag:

“Het klimaat werd gekenmerkt door verbittering, door vastbeslotenheid om de raciale grenzen die door blank Amerika waren ingesteld te slechten, maar ook, en dat was nog wel het belangrijkste, een ongelofelijke dosis optimisme dat er misschien een nieuw begin mogelijk was.” (137)

Wider den undeutschen Geist (1933)

Vlugschrift "Wider den undeutschen Geist"
Vlugschrift “Wider den undeutschen Geist”
Dit hoofdstuk gaat over de boekverbrandingen en het antisemitisme in nazi-Duitsland, waarbij Blom zich vooral concentreert op de massale boekverbrandingen in april en mei 1933. Op 10 mei 1933 bijvoorbeeld, werden op pleinen in ongeveer zeventig Duitse steden massaal boeken verbrand die getuigden van een ‘on-Duitse geest’.

Twee vragen die Blom beantwoordt zijn hoe het zover gekomen was en wie er achter deze actie zaten. Nationalisme en antisemitisme waren in 1933 al diepgeworteld in de Duitse cultuur, maar de machtsovername van Adolf Hitler vormde voor een groep nazistudenten het laatste zetje om tot actie over te gaan. Hoewel minister van Propaganda Joseph Goebbels eerder een toespraak had gehouden ter gelegenheid van een boekverbranding, zat hij niet achter de massaverbrandingen van 10 mei 1933. Wel had Goebbels het idee – dat vrijwel compleet uitgewerkt was – op zijn bureautafel gekregen, meteen na de machtsovername van Hitler op 33 januari 1933.

Het plan was afkomstig van nazistudenten en gedoopt tot de actie ‘Wider den undeutschen Geist’. De leider van deze club was de rechtenstudent Hans Karl Leistritz (1909-1994), lid van de Nationalsozialistischer Deutscher Studentenbund, die met zijn kompanen een campagne voorbereidde die een maand zou duren en gericht zou zijn tegen schrijvers, wetenschappers en andere intellectuelen die in de ogen van Leistritz niet voldoende Duits waren om bij te dragen aan de glorierijke toekomst van het Derde Rijk:

“In een brief aan plaatselijke organisaties schreef Leistritz: ‘De joodse mentaliteit, die zich manifesteert in een wereldwijde haatcampagne en al effect heeft gehad op de Duitse literatuur, dient te worden geëlimineerd.’ Om meer publiciteit te genereren deden de studenten alsof ze waren geïnspireerd door het voorbeeld van Maarten Luther, stelden twaalf ‘stellingen tegen de on-Duitse geest’ op, lieten die in bloedrode gotische letters drukken en plakten die op 12 april 1933 op duizenden plekken in steden en universiteiten aan.” (374)

Wat er volgde op deze overduidelijke stemmingmakerij, die felle protesten opriep in binnen- en buitenland, is genoegzaam bekend. Europa werd voor de tweede keer in een allesvernietigende wereldoorlog gestort. Over beide wereldoorlogen doet Blom overigens ook nog een interessante uitspraak, in navolging van andere prominente historici die zich eerder uitspraken over deze thematiek.

Slot

Alleen de wolken – Philipp Blom
Alleen de wolken – Philipp Blom
Blom besluit zijn indrukwekkende boek met de constatering dat, in zijn ogen, niet de beide wereldoorlogen het gezichtsbepalend element van de twintigste eeuw waren. Beide oorlogen waren feitelijk de neveneffecten van één verstrekkende revolutie, de revolutie van de moderniteit, de technologie en de Verlichting. Historici die zich hebben beziggehouden met de ontwikkeling van het denken en de moderniteit, onder wie Michel Foucault….

“…hebben een rechte lijn getrokken van Kants cultus van de absolute rede in de achttiende eeuw naar de concentratiekampen en de goelags van de twintigste, en dat is volledig terecht (…) De opvattingen van Kant over de rede maakten een stortvloed van ontwikkelingen, vernieuwingen en revoluties los. Maar ze konden ook worden verdraaid tot een kille rationaliteit, die in haar hang naar vooruitgang of zelfs naar een Utopia niet aarzelde mensenlevens op te offeren.” (503,504)

Wat er tussen 1900 en 1940 feitelijk gebeurde, is dat de geschiedenis en veranderingen sneller begonnen te gaan dan de mens. Hierdoor ontwikkelde de technologie zich sneller dan het menselijk begrip daarvan en werden identiteiten broos en twijfelachtig.

Boek: Alleen de wolken – Philipp Blom

Bekijk dit boek bij:

Bestel dit boek bij de Historiek Geschiedeniswinkel

×