Dark
Light

Dagboekfragmenten: Wilhelm II in Nederland

De dagboeken van Sigurd Ilsemann als historisch document over Wilhelm II
11 minuten leestijd
Keizer Wilhelm II in ballingschap
Keizer Wilhelm II in ballingschap
De Duitse keizer Wilhelm II vluchtte aan het eind van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland. Daar brengt hij de rest van zijn leven in ballingschap door, eerst op Kasteel Amerongen en vervolgens in Huis Doorn. Sigurd von Ilsemann, Wilhelms vleugeladjudant, bleef al die jaren zijn naaste steun en toeverlaat. Met Pruisisch plichtsbesef maakt Ilsemann notities van Wilhelms denken en doen. Het resultaat is een aangrijpend portret van een gevallen halfgod, hunkerend naar een terugkeer op de troon. De dagboekfragmenten zijn op initiatief van Huis Doorn opnieuw vertaald en najaar 2015 uitbracht bij uitgeverij Aspekt. Op Historiek publiceren we een deel van de inleiding en enkele van de dagboekfragmenten, over de aankomst van Wilhelm II in Nederland.


Leven in een luchtkasteel

Het is 8 februari 1940 en opnieuw is het oorlog in Europa. Terwijl Nederland zich in de zesde maand van mobilisatie bevindt, laat Sigurd von Ilsemann zijn levenswerk inmetselen. Het zijn de aantekeningen die hij heeft bijgehouden vanaf het moment dat hij in september 1918 als vleugeladjudant in dienst trad van toenmalig Duits keizer Wilhelm II. Dat was aan de onmiddellijke vooravond van de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog, die Duitsland in de chaos van revolutie stortte. Sinds Wilhelms vlucht naar het neutrale Nederland in de nacht van 9 op 10 november 1918 heeft Ilsemann tot het uitgedunde gevolg van de diepgevallen balling behoord. Hij volgde de ex-keizer naar Kasteel Amerongen, waar die de eerste anderhalf jaar werd opgevangen, en naar Huis Doorn, het kleine kasteel met het uitgebreide park dat Wilhelms laatste domicilie zou zijn.

Wilhelm II zou op 4 juni 1941 in Doorn overlijden en in de schaduw van het huis bijgezet worden. Dat weet Ilsemann echter niet als hij ruim een jaar tevoren zijn aantekeningen met verscheidene bijlagen aan de stenen kluis toevertrouwt. De door hem opgetekende schat aan verhalen over de laatste decennia van de verbannen keizer moet ‘voor brand en beschieting’ worden bewaard, mocht de oorlog zich naar Nederland uitbreiden. Ook wil hij voorkomen dat de aantekeningen na een Duitse inval in handen van Adolf Hitler en de nationaalsocialisten vallen. Zij zouden de aantekeningen mogelijk manipuleren en misbruiken, terwijl Ilsemann ze juist heeft bedoeld als ‘waarheidsgetrouw document’ voor historici die later over de ‘treurige tijd’ willen verhalen. De aantekeningen moeten zo objectief mogelijk getuigen van de binnenwereld van een gevallen monarchie.

Mede dankzij Ilsemanns voorzorgsmaatregelen overleefde zijn getuigenis de gevechtshandelingen van de meidagen van 1940 en de vijf jaren van Duitse bezetting die volgden. Toch zou het nog jaren duren voor de buitenwereld een blik in de aantekeningen werd gegund. Sterker nog, lange tijd waren slechts enkele naaste familieleden en vrienden op de hoogte van het bestaan ervan. Na Ilsemanns tragische overlijden in 1952 zouden nog 15 jaar verstrijken voor een groter publiek kon kennisnemen van de ‘dagboeken’, zoals de aantekeningen in de overlevering zijn gaan heten. In 1967 en 1968 verscheen eerst een tweedelige Duitse uitgave, waarna in 1968 en 1969 een Nederlandse vertaling volgde.

Veel kranten en tijdschriften in Duitsland en Nederland besteedden aandacht aan dagboeken. De meeste recensenten toonden zich geboeid door Ilsemanns nuchtere waarnemingszin en loyale, maar kritische houding jegens de keizer. Paul van ‘t Veer, recensent voor Het Vrije Volk, sprak naar aanleiding van de verschijning van het eerste deel zelfs over

‘de beste dagboekliteratuur die na de oorlog verschenen is’.

De uitgave van de dagboeken lijkt in Nederland nog tot een curiosum te hebben geleid: het boekenweekgeschenk van 1968. Wellicht geïnspireerd door Ilsemanns dagboeken, presenteerde Max Dendermonde een roman over een Duitse acteur die voor Wilhelm II doorgaat. De pseudokeizer wordt door Engelse geheim agenten uit Doorn gekidnapt. Als zij hun vergissing bemerken, schuiven ze hem door naar de Fransen. Ook Ilsemann speelt in dit boek een rol. Vermoedelijk als knipoog naar zijn dagboeken, had Dendermonde zijn roman opgezet als een gefingeerde bronnenuitgave.

Ondanks de aandacht in de pers, bleven beide uitgaven tot een eerste druk beperkt. Hierdoor zijn ze inmiddels alleen nog antiquarisch te verkrijgen, tegen soms exorbitante bedragen. Daarnaast zijn de uitgaven inmiddels in vele opzichten verouderd. Op zich heeft de Duitse bezorger Harald von Koenigswald (1906-1971) zijn werk uiterst zorgvuldig gedaan. Hij was voor het werk zonder meer gekwalificeerd, aangezien hij kon bogen op een lang schrijverschap dat zeer met de herinnering aan Pruisen en de Hohenzollerns verweven was.

Ook de houding van Koenigswald tijdens de nazitijd wijst op een zekere zielsverwantschap met Ilsemann. In het Derde Rijk behoorde hij tot de conservatieve oppositie tegen het naziregime, die de Pruisische en christelijke waarden hoog in het vaandel had staan en lang was blijven hopen op het herstel van de monarchie. Hij publiceerde indertijd onder meer in de Weiße Blätter, een monarchistisch tijdschrift dat na 1945 te boek stond als verzamelbekken van conservatief verzet tegen het Derde Rijk. Er was een verband tussen de kring rond het blad en het militaire complot rond de aanslag op Hitler op 20 juli 1944.

Huis Doorn - cc
Huis Doorn – cc

Het probleem is echter dat Koenigswald in zijn editie bij de lezers nog een grote mate van voorkennis over de Duitse geschiedenis veronderstelde. Hij ging er zelfs vanuit dat zich onder hen tamelijk veel mensen bevonden die nog onder de keizer hadden geleefd. Zijn inleidingen in beide delen vallen daardoor nogal beknopt uit en veel nadere inhoudelijke uitleg bevat de Duitse uitgave evenmin. Nu, nadat alweer bijna vijftig jaar zijn verstreken, is toch meer context nodig om voor Ilsemanns dagboeken een nieuw publiek te vinden.

Voor de eerdere Nederlandse uitgave geldt bovendien dat de vertaalde tekst te dicht bij het Duits is gebleven. Daardoor komt ze onnatuurlijk over en leest ze moeizaam. Ook hebben de drie Nederlandse vertalers hier en daar een zin of passage uit het Duitse origineel weggelaten en sommige uitlatingen van de keizer zonder aanwijsbare reden afgezwakt. Dat doet afbreuk aan de authenticiteit van de bron. Anders dan de Duitse editie moet de Nederlandse uitgave het ten slotte zonder persoonsregister stellen, wat toch een gemis is.

De handelsedities uit de jaren zestig zijn, kortom, gedateerd. Voor Museum Huis Doorn, dat de nalatenschap van Wilhelm II beheert en tentoonstelt, blijven Ilsemanns aantekeningen niettemin een sleuteltekst. De gehele periode van het verblijf van de keizer wordt er zeer zorgvuldig in gedocumenteerd door één enkele auteur, die vrijwel dagelijks in diens directe omgeving verkeerde. Hoe vaak komt dat voor bij een zo belangrijke historische persoonlijkheid als Wilhelm II in een zo dramatische periode als het Interbellum?

Op elke wandeling door Huis Doorn met haar vrijwel intacte interieur en het bijbehorende park zou Ilsemanns tekst de begeleidingsmuziek moeten zijn. Het museum heeft dan ook besloten om de unieke dagboeken opnieuw op de markt te brengen in een nieuwe, hertaalde en van meer toelichting voorziene uitgave. Die nieuwe Nederlandse editie is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met studenten en een docent-onderzoeker van de Universiteit Utrecht.

~ Jacco Pekelder


Sigurd von Ilsemann - © Bibliothèque nationale de France - Sigurd von Ilsemann, 1920
Sigurd von Ilsemann – © Bibliothèque nationale de France – Sigurd von Ilsemann, 1920

Dagboekfragmenten

De aankomst van de keizer in Nederland

Zondag, 10 november 1918

Om 3 uur ’s morgens vertelde de kamerdienaar, vader Schulz, mij dat de keizer nog tot 2 uur ’s nachts had geschreven en toen was gaan slapen. Gontard en Niedner zaten samen in de coupé, de anderen sliepen of lagen wat te dommelen. Om 4 uur kwam de keizer in de restauratiewagen. Ik ging naast hem zitten om hem de wapenstilstandsvoorwaarden mede te delen.

Zwijgend hoorde de keizer aan welke oneindig zware voorwaarden het vaderland waren opgelegd. Slechts hier en daar stelde hij een vraag. Plotseling zei Z.M.:

‘Ik kan mij nog altijd niet verenigen met het besluit naar Nederland te gaan! Wat als nu ook daar het bolsjewisme uitbreekt??’

Plessen en Grünau stelden hem gerust: ‘Daar zal het niet komen en indien toch, dan in een veel mildere vorm.’

Om 5 uur zette de trein zich in beweging. In het gangpad hadden 25 man postgevat onder leiding van een officier van het stormbataljon Rohr; de mannen waren gewapend met mitrailleurs, handgranaten en geweren. Tien minuten later stonden we stil. Z.M. drukte de achterblijvende heren zwijgend de hand, de anderen stapten met hem uit. Omdat gevreesd werd dat de trein het door de bolsjewieken bezette Luik niet zou kunnen passeren, zou Z.M. de weg naar de grens per auto afleggen. Kapitein Zeyss, die de keizerlijke auto’s onder zijn beheer had, was op bevel van Plessen in de namiddag reeds langs het uitgestippelde traject gereden. De stationschef met rode pet lichtte de keizer met een lantaarn bij door het donkere station, door de duistere nacht, naar de grote weg waar de auto’s zouden staan. Ze waren er niet. Zeyss had ze in de opwinding naar een verkeerd punt gezonden. Zo stond de vluchtende keizer op de duistere straatweg, boven ons een heldere sterrenhemel. De keizerlijke trein vertrok van het station in de richting van Luik. De nacht was koud. Een voorbijrazende motorrijder werd aangehouden en met diens hulp werden de auto’s opgezocht, die na ongeveer tien minuten verschenen.

[…]

Na ongeveer anderhalf uur rijden wederom een wachtpost. Voor ons een grote prikkeldraadversperring. De grens! Nu kwam het er op aan. Beierse reservisten besnuffelden de auto’s. Een van hen keek verwonderd naar de weggekraste keizerskroon en riep anderen erbij. Mijn hand sloot zich vaster om de kolf van de karabijn. Wilden de mensen ons niet vrijwillig doorlaten, dan bleef ons alleen geweld over. Wij bleven in de auto van de keizer zitten, om niet onnodig de aandacht op ons te vestigen. Frankenberg en Zeyss stapten uit en spraken de soldaten, van wie er nog een paar slaperig uit het grenskantoor kwamen, vriendelijk toe.

‘Generaal von Frankenberg met enige officieren moet voor een belangrijke aangelegenheid naar Nederland!’

Dat was duidelijk. De wapenstilstand was immers ophanden. De poort naar de vrede werd geopend, een soldaat sprong op de treeplank, en kort daarna was de Duitse keizer op neutrale bodem. In de handen van eigen muitende troepen kon de Duitse opperbevelhebber niet meer vallen. Nu kwam een nieuwe zorg. Zal Nederland de keizer opnemen of wat zal het land met hem doen? Hier ging de diplomaat Grünau aan de slag. Hij verdween in het Hollandse grenskantoor. Er was bijna geen mens te zien. Maar weldra werd het levendig. Uit alle huizen kwamen soldaten en burgers gelopen, nieuwsgierig om de Duitse auto’s heen lopend. Enkelen staken hun hoofd in onze auto. De keizer stak een sigaret op. ‘Kinderen, steek er ook een op, jullie hebben het verdiend’, was het eerste wat hij sinds ongeveer een uur zei. Toen de sigaret opgerookt was, stelde hij voor uit te stappen.

Langzaam kwam de zon te voorschijn boven de heuvels van het land dat deze verschrikkelijke oorlog bespaard was gebleven. Kerkklokken luidden de zondagmorgen in.

[…]

Wilhelm II neemt op 10 november 1918 afscheid van zijn gevolg op het Station Eijsden aan de Nederlands-Belgische grens.
De Duitse keizer Wilhelm II met zijn gevolg, op de vroege ochtend van 10 november 1918 bij Eijsden aan de Nederlandse grens.

Al pratend liep de keizer met ons de dorpsstraat op en af. Het was koud, ja bijna ijzig, maar geleidelijk aan kreeg de zon kracht. Tegen acht uur in de morgen verschenen de plaatselijke districtscommandant, de politiecommandant met zijn adjudanten en een Nederlandse diplomaat, Verbrugge van ’s Gravendeel, die ’s nachts om 11 uur uit Brussel was vertrokken om de commandant over de aankomst van de keizer in te lichten. Omdat wij hier echter eerder waren dan hij, kwamen wij voor de grenswacht als een verrassing. De heren meldden zich zeer stram bij Z.M. en stelden voor naar het station Eijsden te gaan, om daar de keizerlijke trein op te wachten. Weldra arriveerde ook Gersdorff per auto en een uur later was de speciale trein op neutrale bodem. Tot die tijd liep de keizer met ons en de Nederlandse majoor het perron op en af. Van alle kanten kwamen mensen toegelopen en steeds weer hoorde men de kreten: ‘Ah, Kamerad Kaputt!’ of ‘Vive la France!’ Men zag dreigende vuisten en andere walgelijke gebaren. Er werd ‘foei’ geroepen en er klonk schel gefluit. Het deed mij pijn tot in mijn ziel voor de arme keizer. Hij liep echter rustig verder op en neer, alsof hij niets zag of hoorde. Fotografen maakten foto’s. Het was een verlossing toen de trein binnenliep, die de keizer voor verdere vernederingen beschermde. In de restauratiewagen namen wij een klein ontbijt, maar de gordijnen moesten neergelaten worden, omdat de fabrieksarbeiders (meest Belgen) hun geschimp voortzetten. Soms vreesden wij dat de arbeiders met stenen zouden gooien. Pas toen in de loop van de voormiddag soldaten en politieagenten op fietsen aankwamen, het station afzetten en orde schiepen, waren wij tegen de overlast beveiligd.

De gehele dag zat Z.M. met het gevolg in de restauratiewagen. De hoge heer verliet de wagon alleen een half uur voor het middag- en avondeten, opdat de tafel kon worden gedekt. Hij kon niet alleen zijn en ’s avonds, toen wij onder elkaar waren, luchtte hij zijn gemoed. Hoe hij gedurende zijn regeringstijd steeds het goede had gewild en op welke moeilijkheden hij daarbij overal was gestuit. Het meest had hij eronder geleden dat de oudere generatie hem altijd weer had overstemd. Toen hij aan de macht was gekomen, had hij met de ambtenaren van zijn grootvader moeten regeren. Door de vroege dood van zijn vader had hij een hele generatie overgeslagen. Vandaar de tegenstelling tussen oud en jong.

Hij en Bismarck waren van elkaar vervreemd geraakt door het arbeidersvraagstuk. In plaats van zich toen in Friedrichsruh rustig te houden, was hij [de rijkskanselier] op grote schaal een hetze tegen de jonge keizer begonnen. Ook de verhouding tot zijn vader en grootvader was voor hem als prins niet gemakkelijk geweest. Beiden waren er op uit hem overal buiten te laten. Stond de een hem wat toe, dan keurde de ander het weer af. Hier liet de vader, daar de grootvader, zijn invloed als opperbevelhebber gelden. Zo was zijn hele leven een strijd geweest. Voortdurend had een grote verantwoordelijkheid op hem gerust. Nooit had hij rust gevonden. Nu was hij voor het eerst in zijn leven vrij. Maar niet alleen onder Bismarck waren de verhoudingen zo moeilijk geweest, ook onder de latere kanseliers.

Nu hij de oudere is geworden en zijn ministers de jongeren, en hij eindelijk zijn wil eens had kunnen doorzetten, jaagt men hem weg.

De keizer sprak opgewonden, maar toch volkomen beheerst. Onbekenden, die in de loop van de dag steeds weer bij hem kwamen, moesten zijn zelfbeheersing bewonderen.

Achtereenvolgens dienden zich aan: een Nederlandse kolonel met adjudant, een politiecommandant en de heren von Grote en von Osten-Sacken van het Duitse consulaat in Maastricht. De heer Grünau zocht dadelijk vanuit Eijsden telefonisch verbinding met Den Haag. De vraag was nu: zou Nederland de keizer opnemen, of zou het dit weigeren, uit eigen beweging of onder druk van de Entente? Uur na uur ging voorbij. Het wachten werd een kwelling. Toen het tijd was voor het middageten, vroeg de keizer de aanwezige Nederlandse diplomaat of hij niet wilde mee-eten. Aan de manier waarop deze het aanbod afsloeg, meenden wij te bemerken dat Nederland asiel zou weigeren. Met Plessen bespraken wij wat er dan met Z.M. zou moeten gebeuren. De meest uiteenlopende voorstellen werden gedaan. Aan de juist wat tot rust gekomen zenuwen werden nieuwe eisen gesteld. Met de keizer werd over dit onderwerp niet gesproken. Eindelijk, tegen de middag, kwam het eerste bericht: de koningin [Wilhelmina] was diep geroerd over de droevige toestand waarin de keizer zich bevond, maar om te kunnen beslissen wat er met ons moest gebeuren, moest eerst een ministerraad bijeengeroepen worden. De wijze waarop ons dit werd meegedeeld, liet duidelijk de mogelijkheid open dat men ons niet zou opnemen. Frankenberg meende zelfs dat de Entente misschien de uitlevering van de keizer zou eisen. Dit wachten de hele dag maakte angstig.

Wilhelm II in Nederland 1918-1941 (Sigurd von Ilsemann)
Wilhelm II in Nederland 1918-1941 (Sigurd von Ilsemann)
Pas kort voor middernacht werden wij van deze spanning verlost. De Duitse gezant, excellentie Rosen, met de heer Köster en een afvaardiging van de Nederlandse regering, bestaande uit drie heren, verschenen om de keizer te melden dat de ministerraad eenstemmig had besloten Z.M. op te nemen. De eerste drie dagen zou de keizer naar graaf Bentinck in Amerongen gaan, daarna zou een blijvende woonplaats worden aangewezen. Direct greep men naar de ‘Gotha’ (Almanach de Gotha, almanak van adellijke geslachten – YV), om vast te stellen welke Bentinck dit was en in welke familierelatie hij stond met de graaf Bentinck die de majesteiten in 1909 in Middachten als zijn gasten had ontvangen. De heer Köster gaf ons nadere inlichtingen over de familie. Doodmoe ging ik kort na middernacht in mijn coupé slapen. Dat wij op deze dag uit Den Haag pas zo laat en zulke spaarzame mededelingen ontvingen, hield verband met het feit dat in Nederland ’s zondags alleen op bepaalde tijden kon worden getelefoneerd.

~ Sigurd von Ilsemann

Bekijk dit boek bij:

Bestel dit boek bij de Historiek Geschiedeniswinkel

×