Georges Clemenceau – “Vader van de overwinning” in de Eerste Wereldoorlog

//
18 minuten leestijd
Georges Clemenceau, 1910 - Gefotografeerd door Paul Nadar
Georges Clemenceau, 1910 - Gefotografeerd door Paul Nadar

De meeste oorlogvoerende landen in de Eerste Wereldoorlog hadden geen duidelijk éénhoofdige leiding. De Duitse keizer liet de leiding helemaal aan invloedrijke generaals over. Zelfs de almachtige Russische tsaar was te zwak en wankelmoedig om echt leiding te geven. Bij de Britten berustte de hoogste leiding collectief bij het Oorlogskabinet, een beperkte groep toppolitici. Frankrijk was een uitzondering, althans vanaf november 1917. Toen was Georges Clemenceau – bijgenaamd de Tijger – als premier en minister van Oorlog de onbetwiste leider van land, dat tot dan zwakke en verdeelde regeringen had gekend.

Buste van Clemenceau, gemaakt door Auguste Rodin
Buste van Clemenceau, gemaakt door Auguste Rodin (CC BY-SA 4.0 – Ablakok – wiki)
Clemenceau was een merkwaardig figuur voor die rol. Hij was toen al 76 jaar. Zijn stem was zwak, hij had een gele huid, leed aan diabetes en droeg handschoenen om het eczeem op zijn handen te verbergen. Los daarvan had hij een opvallend uiterlijk. “Een oude Mongool”, zo noemde de beroemde beeldhouwer Auguste Rodin hem, toen hij enkele jaren eerder een buste van zijn vriend maakte. Clemenceau, die het beeld niet mocht, maakte prompt een einde aan de vriendschap.

Arts, journalist en politicus

Georges Clemenceau (1841-1929) was meer dan een politicus. Hij was eigenlijk arts. Hij was populair geworden als “dokter van de armen” in een Parijse volksbuurt, waardoor hij een zetel in de Kamer kon veroveren. Toch was hij vooral journalist geweest. Hij had zijn eigen krant, waarin hij over politiek, maar ook over toneel en kunst schreef, en was bevriend met kunstenaars, vooral de impressionistische schilders, wier werk hij voor dik en dun verdedigde. Met de “vader” van het impressionisme, Claude Monet, had hij een levenslange vriendschap.

Zijn bijnaam “de Tijger” dankte hij aan zijn agressieve manier van politiek bedrijven. Met zijn scherpe pen en harde parlementaire redevoeringen kreeg hij de reputatie van de man die regeringen deed vallen. Het bleef niet alleen bij woorden: de Tijger vocht een half dozijn duels uit, meestal met politieke tegenstanders die hem hadden beledigd. Hij was dan ook een geoefend schermer.

Georges Clemenceau rond 1865
Georges Clemenceau rond 1865
Politiek was hij links. Van huis uit was hij grootgebracht met de idealen van de Franse Revolutie, want hij stamde uit een familie van overtuigde republikeinen. Als student had hij nog in de gevangenis gezeten wegens betogingen tegen het regime van keizer Napoleon III en vervolgens was hij een tijd in de Verenigde Staten gaan wonen, waar het democratisch karakter van de samenleving, met een vrije pers, veel indruk op hem maakte.

Nadat in 1870 Frankrijk opnieuw een republiek was geworden, werd hij politiek actief. Hij werd gerekend tot de radicale republikeinen, die geen genoegen namen met de grondwet van de nieuwe Derde Republiek. Die grondwet voerde een parlementair regime in, met een tweekamerstelsel en ministers die in naam van het staatshoofd regeerden. Zoiets was toen ongezien voor een republiek, het was typisch voor constitutionele monarchieën zoals er toen al enkele bestonden. De grondwet was er dan ook gekomen met steun van monarchisten die hoopten vroeg of laat de verkozen president als staatshoofd door een koning te vervangen.

Om die reden wantrouwden radicalen als Clemenceau dit parlementaire regime. Ze ijverden aanvankelijk voor een republiek zoals onder de revolutie, met één assemblee die rechtstreeks macht zou uitoefenen, zonder staatshoofd. Zover zou het nooit komen, want hij zou zelf een eerste rol spelen in dit parlementaire regime.

Jules Ferry 'gedoucht' door Clemenceau - Karikatuur van  Charles Gilbert-Martin in 'Le Don Quichotte', 2 februari 1884
Jules Ferry ‘gedoucht’ door Clemenceau – Karikatuur van Charles Gilbert-Martin in ‘Le Don Quichotte’, 2 februari 1884
Clemenceau zou nooit formeel lid worden van een politieke partij, ook niet van de pas later opgerichte Radicale Partij, maar hij werd wel gerekend tot de radicalen (in de zeer individualistische Franse politiek was dat niet zo ongewoon). Als radicaal was hij ook een overtuigd antiklerikaal. Hij was volkomen ongodsdienstig opgevoed en ijverde voor de scheiding van kerk en staat en de bevordering van het openbaar onderwijs. Omdat hij de invloed van de katholieke clerus op de vrouwen vreesde, zou hij zijn hele leven tegenstander van vrouwenkiesrecht blijven. Dat belette hem niet om goed bevriend te zijn met intellectuele en progressieve vrouwen, zoals de anarchiste Louise Michel.

Als tegenstander van het kolonialisme had hij zware kritiek uitgeoefend op premier Jules Ferry, toen die in 1885 in de Kamer de kolonisatie verantwoordde met de bewering dat “superieure rassen” het recht en de plicht hadden om “inferieure rassen” te beschaven. Clemenceau veroordeelde toen Ferry’s koloniale politiek met de volgende woorden:

“Hoeveel verschrikkelijke, afschuwelijke misdaden zijn gepleegd in de naam van gerechtigheid en beschaving? Ik zeg nog niets over de ondeugden die de Europeaan meebrengt: alcohol, opium die hij verspreidt, die hij oplegt als het hem belieft. En het is een dergelijk systeem dat u probeert te rechtvaardigen in Frankrijk, in het vaderland van de mensenrechten.”

Hoewel hij Frankrijks koloniale expansie niet kon voorkomen, kwam het kabinet-Ferry door zijn toedoen ten val. Maar “de man die regeringen deed vallen” kwam daarna in opspraak door het Panamaschandaal van 1892. Dat was een zaak waarbij parlementsleden waren omgekocht door de Franse maatschappij die het Panamakanaal wilde bouwen. De rechtse pers spaarde Clemenceau niet, die bevriend was met enkele in de affaire betrokken joodse zakenlieden (de zaak kreeg snel een antisemitisch geurtje), en hoewel hij uiteindelijk vrijuit ging, was zijn reputatie aangetast. Bij de verkiezingen het jaar daarop, verloor Clemenceau zijn Kamerzetel.

Eerste flik van Frankrijk

J 'Accuse...! - De voorpagina van L'Aurore van 13 januari 1898 met een deel van de brief van Émile Zola
J ‘Accuse…! – De voorpagina van L’Aurore van 13 januari 1898 met een deel van de brief van Émile Zola
Hij zou de jaren daarop vooral als journalist actief zijn. Politiek speelde hij niet mee tot de beruchte Dreyfus-affaire losbrak. Clemenceau schreef toen honderden artikelen ten gunste van de ten onrechte veroordeelde joodse kapitein Dreyfus. Hij was ook degene die de ophefmakende titel J’accuse bedacht voor de open brief die de beroemde schrijver Emile Zola in 1898 in de krant L’Aurore publiceerde over de affaire.

De Dreyfus-affaire zorgde ervoor dat Clemenceau in 1902 verkozen werd in de Senaat – een instelling die hij altijd had willen afschaffen. Vier jaar later werd hij voor het eerst minister – hij was toen al in de zestig – en wel van Binnenlandse Zaken. Hij bleef die portefeuille behouden toen hij enkele maanden later zelf een regering ging leiden. Als “eerste flik van Frankrijk” (zoals hij zichzelf noemde) hervormde hij de Franse politie, onder meer door de oprichting van mobiele brigades die over auto’s beschikten, toen iets heel nieuws.

Het eerste kabinet-Clemenceau (1906-1909) hield het bijna drie jaar uit, uitzonderlijk lang voor de instabiele Derde Republiek. Het was de meest progressieve Franse regering tot dan toe. Het wilde onder meer de doodstraf afschaffen en een inkomstenbelasting invoeren (wat in beide gevallen niet zou lukken door verzet in het parlement). Het nam maatregelen voor een verdere scheiding van kerk en staat, wat tot zware spanningen met de katholieke kerk leidde. Er kwam een begin van sociale wetgeving, met de invoering van een tienurige werkdag.

Georges Clemenceau in 1904, gefotografeerd door Paul Nadar
Georges Clemenceau in 1904, gefotografeerd door Paul Nadar
Clemenceau koesterde vooruitstrevende sociale ideeën, maar hij was geen socialist. De opkomende socialistische partij beschouwde hij lang als een bondgenoot, maar hij verwierp haar ideeën over een collectivisering van de economie. De “eerste flik van Frankrijk” aarzelde ook niet het leger op stakende arbeiders af te sturen, wat leidde tot incidenten waarbij doden vielen. De socialisten en de arbeidersbeweging zouden hem sindsdien wantrouwen.

Nadat zijn kabinet ten val was gekomen, bleef Clemenceau een tijd buiten de regering. Zijn politieke hoogtepunt leek voorbij, maar hij bleef actief, als senator en als journalist. Hij moest meemaken dat de gematigde republikein Raymond Poincaré, die hij minachtte, tegen eerdere afspraken tot president werd gekozen. Dit zou leiden tot een zware vete tussen beide staatslieden. De nieuwe president wilde Clemenceau niet meer in een regering.

Eerste Wereldoorlog

Intussen nam de oorlogsdreiging toe en Clemenceau was ervan overtuigd dat het leger moest worden versterkt. In tegenstelling tot veel andere linkse politici steunde hij het voorstel van de regering om de militaire diensttijd te verlengen. Hij maakte zich geen illusies over de sterkte van het Duitse leger.

Als beginnend politicus had hij de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) nog meegemaakt: hij was burgemeester van Montmartre geweest toen de Duitsers Parijs belegerden en uithongerden. Die oorlog was voor Frankrijk in een vernedering geëindigd. Er was altijd een roep naar revanche geweest. Clemenceau, de man die uiteindelijk die revanche zou realiseren, was zelf geen revanchist. Zoals zoveel Fransen toen (en niet alleen Fransen) was hij een overtuigd patriot, zonder een extreme nationalist te zijn. Hij streefde niet naar oorlog en zei zelfs meermalen dat hij de oorlog haatte. Zelfs eind juli 1914, toen oorlog onvermijdelijk leek, hoopte hij nog op vrede.

Maar toen enkele dagen later de Eerste Wereldoorlog een feit was, was het voor Clemenceau duidelijk dat Frankrijk die moest winnen. Een tweede nederlaag in een halve eeuw zou voor het land fataal zijn, vond hij. Daarom moest voor hem werkelijk alles worden gedaan om de strijd tot een goed einde te brengen. De strijd ondersteunen, dat was voor hem in de eerste plaats de gewone troepen steunen. Als voorzitter van de Senaatscommissie van het Leger kon hij meermaals het front bezoeken. Hij aarzelde niet tot in de voorste loopgraven te gaan om met gevaar voor eigen leven een boche te kunnen zien.

Clemenceau twee keer op de voorpagina van Le Petit Journal Illustré. Links, een tekening van zijn duel met Paul Déroulède in 1893, rechts als "vader van de overwinning" eind 1918
Clemenceau twee keer op de voorpagina van Le Petit Journal Illustré. Links, een tekening van zijn duel met Paul Déroulède in 1893, rechts als “vader van de overwinning” eind 1918

In zijn artikels was hij vol lof over de moed en inzet van de frontsoldaten en wees op hun gerechtvaardigde grieven en problemen. Als het aan het front misliep, stelde hij de generaals en politici verantwoordelijk. Zijn kritiek liep zo hoog op dat de minister van Binnenlandse Zaken zijn krant L’homme libre (“de vrije mens”) een publicatieverbod oplegde. Clemenceau omzeilde het verbod door het blad om te dopen in L’homme enchaîné (“de geketende mens”), maar ook onder die naam werd de publicatie een tijd verboden. Geïnspireerd door dit incident verscheen kort daarop een satirisch blaadje tegen censuur en oorlogspropaganda onder de naam Le canard enchaîné (“de geketende eend”: canard betekent niet alleen eend maar is ook een volks synoniem voor “krant”), een blad dat meer dan een eeuw later nog altijd bestaat.

Clemenceau als de Tijger
Clemenceau als de Tijger
De Tijger viel de zwakheid van de Franse regeringen aan, die in de oorlog nog leek toe te nemen. In vier jaar oorlog kende Frankrijk vijf regeringen, waarvan liefst drie in 1917. In zijn sarcastische stijl merkte hij toen op dat er sinds het begin van de oorlog maar één probleem was: het probleem van de regering.

Toen ook de zwakke regering-Pailnévé in november 1917 viel, na amper twee maanden aan de macht te zijn geweest, was het voor velen duidelijk dat het aan de oude maar energieke Clemenceau was om de touwtjes in handen te nemen. President Poincaré benoemde hem toen inderdaad tot premier. Ondanks hun onderlinge vete besefte Poincaré dat het land een krachtdadig leider nodig had en dat alleen de Tijger dat kon zijn. Clemenceau vormde een kabinet dat een zeer grote meerderheid in de Kamer kreeg. Alleen de socialisten stemden tegen.

Oorlogsleider

Clemenceau regeerde inderdaad heel anders dan zijn voorgangers, bijna als een dictator. Dat was ongezien in de Derde Republiek, waar het parlement almachtig was en de regering zwak. Voor het eerst kreeg de regering volmachten van het parlement om belangrijke zaken per decreet te regelen, met name in de ravitaillering (voedselvoorziening). De premier nam bovendien de voornaamste beslissingen zelf, hield de president er zoveel mogelijk buiten en beperkte het aantal vergaderingen van de ministerraad. De meeste ministers waren ofwel zijn vrienden ofwel onbetekenende figuren, die naar zijn pijpen dansten. Hij delegeerde veel macht aan regeringscommissarissen, vertrouwelingen die hij zelf aanstelde.

Maar zijn autoritaire aanpak had succes. De betere ravitaillering had een positief effect op de kosten voor levensonderhoud, tot genoegen van de gewone mensen. De administratie werd verbeterd door het wegzuiveren van onbekwame ambtenaren en er kwamen strenge regels om de economie te regelen.

Een van Clemenceaus beroemdste uitspraken is: “De oorlog is een te ernstige zaak om aan generaals over te laten”. Hij toonde dat hij dat meende. Onder vorige regeringen had de legerleiding vrijwel gedaan wat ze wilde, maar onder Clemenceau moest ze voortdurend rekenschap afleggen.

Clemenceau tijdens een bezoek aan het front, 1917
Clemenceau tijdens een bezoek aan het front, 1917

De Tijger hield zich intensief met de oorlog bezig. Hij bracht een kwart van zijn tijd aan het front door, waar hij nog meer dan voorheen de loopgraven bezocht en zich om het lot van de poilus (“behaarden”, bijnaam van de Franse soldaten in de Eerste Wereldoorlog) bleef bekommeren. Zo eiste hij dat de troepen voldoende tabak kregen, ook al moest men daarvoor het verbruik bij de burgerbevolking beperken.

Tegelijk was hij hard voor verraders en defaitisten. Hij drong er bij president Poincaré op aan om geen genade te verlenen aan een voor muiterij ter dood veroordeelde soldaat: hij was altijd tegen de doodstraf geweest maar vond het unfair dat veroordeelde militairen in een veilige gevangenis zaten terwijl hun onschuldige collega’s aan het front sneuvelden. Hij liet de prominente politici Joseph Caillaux en Louis Malvy (dezelfde die als minister zijn krant had verboden) vervolgen omdat ze contacten met de vijand zouden hebben gehad, hoewel daar geen overtuigende bewijzen voor waren. Ze verdwenen hoe dan ook een tijd in de gevangenis zodat hij geen last meer van hen had. Stakingen die nadelig waren voor de oorlogsindustrie liet hij hardhandig onderdrukken. Maar tegelijk verbeterde hij de lonen en de sociale zekerheid.

De tegenstander van het kolonialisme had er geen probleem mee om soldaten te ronselen in de Franse kolonies in Afrika. Die rekrutering was eerder al begonnen om de Franse troepen aan te vullen. Clemenceau stelde hiervoor Blaise Diangre, een zwart Kamerlid uit Senegal aan tot regeringscommisaris. Die wist meer dan 70.000 Afrikanen te rekruteren met de belofte van materiële vergoedingen en een volwaardig Frans staatsburgerschap.

Vanaf het begin ijverde Clemenceau ervoor dat de Geallieerde legers onder één gezamenlijk bevel zouden worden geplaatst. Vooral de opperbevelhebber van het Britse leger aan het Westelijk Front, veldmaarschalk Sir Douglas Haig, was daar tegen. De Britse eerste minister David Lloyd George (die Haig niet mocht) steunde Clemenceau, maar het zou duren tot het Duitse lenteoffensief van maart 1918 voor hij zijn zin kreeg. Door de acute noodsituatie die toen ontstond in het Geallieerde kamp, drukte Clemenceau er met de hulp van Lloyd George de aanstelling van de Franse generaal Ferdinand Foch door tot gemeenschappelijk opperbevelhebber. Dat betekende een groot voordeel voor de Geallieerden. Hun legers traden gecoördineerd op, net nu de Duitsers zware offensieven uitvoerden in een laatste poging de oorlog te winnen.

Even leek Clemenceau in moeilijkheden te komen, toen het Duitse leger begin juni 1918 een spectaculaire doorbraak doorvoerde aan de Chemin des Dames. Daardoor stond het plots op amper zeventig kilometer van Parijs. In de Franse hoofdstad, die al een tijd onder vuur stond van Duitse superkanonnen, brak paniek uit. Er begon een massale uittocht. Kamerleden eisten uitleg van de premier en sommigen drongen zelfs al aan om te onderhandelen. Maar de Tijger zei dat hij niet zou capituleren, zolang hij het vertrouwen van de Kamer en het land genoot. Of Parijs viel of niet, speelde daarbij geen rol. “Ik zal vechten voor Parijs, ik zal vechten in Parijs, ik zal vechten achter Parijs”, zei hij. Enkele dagen later werd de Duitse opmars gestopt. Parijs was gered en Clemenceau zat steviger dan ooit in het zadel.

Clemenceau op de voorpagina van L'Illustration, 11 november 1918
Clemenceau op de voorpagina van L’Illustration, 11 november 1918
In de zomer van 1918 werd het duidelijk dat Duitsland en zijn bondgenoten de oorlog niet meer konden winnen. De massale komst van Amerikaanse troepen bezorgde de Geallieerden de overmacht. Ze begonnen de Duitsers terug te drijven. Toen Duitsland in het najaar een wapenstilstand vroeg, was Clemenceau een van de eersten om daarop te willen ingaan. Hij wilde de oorlog geen dag te lang laten duren. Op 11 november 1918 werd de wapenstilstand ondertekend, die neerkwam op een Duitse nederlaag. Voor Clemenceau een groots moment. Hij werd als een held gevierd. Hij kreeg de bijnaam Père la Victoire ‘(Vader Overwinning).

De krachtdadige houding van Clemenceau als oorlogsleider doet denken aan die van een andere staatsman in een andere wereldoorlog: Winston Churchill. Churchill, die in de Eerste Wereldoorlog ook minister was en Clemenceau meermalen ontmoet had, lijkt hem inderdaad als voorbeeld te hebben genomen, in woord en daad. Ook hij zou oproepen om stand te houden en niet te capituleren. Men vergelijkt een beroemde toespraak van Clemenceau uit 1918:

“Mijn buitenlandse en binnenlandse politiek is oorlog voeren. Buitenlandse politiek: ik voer oorlog; binnenlandse politiek: ik voer oorlog. Ik voer altijd oorlog.”

…met een beroemde toespraak van Churchill uit 1940:

“U vraagt was onze politiek is? Ik zeg u: het is oorlog voeren…”

De vrede garanderen

De oorlog was, althans militair gesproken, door de Geallieerden gewonnen, maar Clemenceau gaf toe dat het voor Frankrijk een Pyrrusoverwinning was. Er waren meer dan een miljoen Franse soldaten gesneuveld en de schade was enorm. Voor hem was het grote aantal slachtoffers juist een reden geweest om de strijd tot een goed einde te brengen. In de zomer van 1918 riep hij uit dat de levenden “het geweldige werk van de doden” moesten voltooien. Na de oorlog zei hij:

“Uiteindelijk zijn de oorlogsslachtoffers gestorven voor niets. Maar ze zijn gestorven voor ons.”

Maar zoals Clemenceau zelf opmerkte, is oorlog voeren gemakkelijker dan vrede sluiten.

Hij zorgde ervoor dat de vredesconferentie in Parijs zou plaatsvinden, zodat hijzelf als voorzitter zou optreden. De president van de Verenigde Staten, Woodrow Wilson, kwam zelf naar Frankrijk om aan de conferentie deel te nemen, ook al zou die maanden duren. Daardoor voelden veel andere Geallieerde regeringsleiders zich verplicht aanwezig te zijn in Parijs.

De “Raad van Vier”: David Lloyd George (Groot-Britannië), Vittorio Emanuele Orlando (Italië), Georges Clemenceau (Frankrijk) en Woodrow Wilson (Verenigde Staten), 27 mei 1919
De “Raad van Vier”: David Lloyd George (Groot-Britannië), Vittorio Emanuele Orlando (Italië), Georges Clemenceau (Frankrijk) en Woodrow Wilson (Verenigde Staten), 27 mei 1919

Vanaf het begin van de conferentie namen de grote mogendheden de leiding. Clemenceau (Frankrijk), Lloyd George (Groot-Brittannië), Orlando (Italië) en Wilson (VS) zouden samen de “Raad van Vier” vormen, die alle belangrijk beslissingen namen. Maar de Italiaanse premier liep een tijd van de conferentie weg en had veel minder invloed dan de andere drie. Clemenceau kon goed omgaan met zijn Engelstalige collega’s Lloyd George en Wilson, ook al omdat hij door zijn vroeger verblijf in de Verenigde Staten meer dan behoorlijk Engels sprak. Maar daarom waren ze het nog niet meteen eens.

Achteraf is de Tijger vaak voorgesteld als de man die ijverde voor het voor Duitsland zo vernederende Verdrag van Versailles, die de oorzaak voor een volgende wereldoorlog zou zijn, terwijl andere Geallieerde staatslieden verzoenlijker waren. Dat klopt niet echt. Vrijwel alle geallieerde landen werden gedomineerd door anti-Duitse gevoelens, de Amerikanen en Britten niet minder dan de Fransen of de Belgen. Lloyd George had van het ophangen van de Duitse ex-keizer een verkiezingsslogan gemaakt en zelfs de “vredesengel” Wilson vond dat Duitsland mocht boeten.

Cemenceau wilde in de eerste plaats een vrede waarbij Frankrijk – en bij uitbreiding Europa – tegen een nieuwe Duitse aanval zou worden behoed. Want ook verslagen bleef Duitsland een groot en sterk land dat snel een miljoenenleger op de been kon brengen. Clemenceau formuleerde het zo aan een Amerikaanse journalist:

“Mijn programma (…) is Duitsland in een toestand brengen dat het geen nieuwe oorlog kan voorbereiden (…). Wat we vrede noemen zou uiteindelijk slechts een interludium tussen twee oorlogen kunnen zijn.”

De toekomst zou hem geen ongelijk geven…

De Fransen stelden natuurlijk nog andere eisen. Dat Elzas-Lotharingen naar Frankrijk terug zou keren, sprak voor hen vanzelf. Bovendien wilden ze een herstel van de Franse grenzen van voor de slag bij Waterloo in 1815. Dat hield in dat enkele Duitse gebieden aan de Saar opnieuw Frans zouden worden.

Standbeeld van Clemenceau, vlakbij de Champs-Elysées in Parijs - Beeld is gemaakt door François Cogné
Standbeeld van Clemenceau, vlakbij de Champs-Elysées in Parijs – Beeld is gemaakt door François Cogné (CC BY-SA 4.0 – Chabe01 – wiki)

De essentie om een toekomstige oorlog te verhinderen was echter Duitsland het Rijnland te ontnemen: de linkeroever van de Rijn moest een aparte staat worden, autonoom maar onder geallieerde (in de eerste plaats Franse) militaire controle. Voor Wilson ging dat tegen het zelfbeschikkingsrecht der volkeren in: de Rijnlandse Duitsers konden niet tegen hun wil van Duitsland worden losgemaakt. De Britten vreesden dan weer dat het Rijnland een Franse vazalstaat zou worden. Dat zou Frankrijk te machtig maken ten koste van Duitsland en het Europees machtsevenwicht verstoren, een gevoelig punt voor de Engelsen.

Maar wat was het alternatief? Wilson zag alle heil in de oprichting van de Volkenbond, een internationale organisatie die oorlogen in de toekomst zou moeten verhinderen. Clemenceau kon niet verbergen dat hij veel pessimistischer was dan Wilson. Hij zei daarover:

“Amerika is veraf, Frankrijk zeer dichtbij Duitsland, en ik heb beslommeringen die hem (Wilson) niet zozeer treffen als een mens die vier jaar lang Duitsers in zijn land gezien heeft.”

Zoals een linkse Franse krant het uitdrukte:

“Wilson gelooft in de mogelijkheid van vrede, Clemenceau in de fataliteit van de oorlog.”

Staatsportret van Woodrow Wilson
Portret van de Amerikaanse president Woodrow Wilson
Clemenceau besefte dat de Volkenbond – althans zoals Wilson die zag – niet in staat zou zijn om de vrede in de toekomst te garanderen. De Amerikaanse president vertrouwde volgens hem al te zeer op een “vergadering van praters” die geen echte macht zou hebben (een Frans voorstel om een internationale troepenmacht onder gezag van de Volkenbond te stellen was door Wilson afgewezen). “Te veel vertrouwen in woorden kan slechts tot teleurstellingen leiden”, aldus de Tijger.

Lloyd George eiste dan weer dat Duitsland volledig werd ontwapend. Dat zou volgens hem een nieuwe Duitse agressie beletten. Clemenceau was daarvan niet onder de indruk: wie kon beletten dat Duitsland met zijn machtige industrie over twintig, dertig jaar opnieuw een zwaarbewapend leger zou uitbouwen?

Garantiepact

Toch wisten de drie toponderhandelaars een oplossing te bereiken. Over de terugkeer van Elzas-Lotharingen naar Frankrijk waren ze het snel eens. Voor de Saar was Clemenceau bereid tot toegevingen. Het Saarbekken zou vijftien jaar lang een internationaal statuut krijgen waarna een volksstemming over de toekomst van het gebied zou beslissen.

Over het Rijnland kwam het tot een compromis. Het zou bij Duitsland blijven, maar gedemilitariseerd worden: er mochten geen Duitse troepen worden gelegerd. De Geallieerden zouden het Rijnland nog vijftien jaar kunnen bezetten en mogelijk nog langer, als Duitsland zijn verplichtingen niet nakwam. Daarenboven zouden Frankrijk, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk een defensief bondgenootschap sluiten. Met andere woorden: Britten en Amerikanen garandeerden dat ze in de toekomst Frankrijk bij een nieuwe Duitse aanval te hulp zouden komen. Lloyd George zei zelfs dat hij niet zou aarzelen de Kanaaltunnel te bouwen om sneller Britse troepen naar Frankrijk te sturen!

Raymond Poincaré
Raymond Poincaré
De Tijger was tevreden, zelfs ontroerd door dit aanbod. Het “garantiepact” verzekerde immers Frankrijks toekomstige veiligheid. Maar dat was niet de mening van maarschalk Foch, die als eerste het losmaken van het Rijnland had voorgesteld. Ook president Poincaré, een echte revanchist, zelf afkomstig uit Lotharingen, die door Clemenceau helemaal buiten de onderhandelingen was gehouden, kon zich daar niet mee vinden. In de Franse pers en het parlement kwam er kritiek. De Père la Victoire werd nu voor sommigen Perd la victoire (Verliest de overwinning) genoemd.

Clemenceau wist de druk echter te weerstaan. Hij dreigde met aftreden als hij zijn zin niet kreeg. Maar niemand durfde de “Vader van de Overwinning” te doen vallen, want hij was ontzettend populair. Toen kort na het begin van de vredesconferentie een jonge anarchist op straat enkele kogels op hem afvuurde, werd deze bijna door de menigte gelyncht en drukte de hele pers zijn medeleven uit voor de premier, die bij de aanslag gewond raakte. De Parijse huisvrouwen zeiden:

“Ze hebben onze dappere oude man vermoord. Hij had ons al van de Duitsers verlost, hij ging ons verlossen van het dure leven.”

Poincaré vreesde dat men van hem een god zou maken als hij stierf. Maar Clemenceaus wonden waren niet ernstig en hij herstelde snel.

Ondanks het verzet van Foch en Poincaré (“U moet me redden van die twee imbecielen”, zou Clemenceau Wilson hebben toegefluisterd) werd het bereikte compromis door de vredesconferentie aanvaard. Op 28 juli 1919 zetten Clemenceau, Lloyd George en Wilson niet alleen hun handtekening onder het Verdrag van Versailles, waarmee de vrede met Duitsland werd gesloten, ze tekenden bovendien samen het garantiepact waardoor de vrede voor de toekomst verzekerd moest worden. De geschiedenis heeft weinig aandacht aan dat pact geschonken, want het zou nooit van kracht worden. De Amerikaanse Senaat verwierp – zoals sommige critici van Clemenceau al gevreesd hadden – zowel het vredesverdrag als het garantiepact. Daardoor verviel het bondgenootschap waarop Clemenceau zo gerekend had. Maar dat gebeurde pas in maart 1920, toen hij niet meer aan de macht was.

Het einde

Eind 1919 leek Clemenceau sterker dan ooit. De verkiezingen van november hadden een verpletterende meerderheid opgeleverd voor het Bloc national, een brede coalitie van centrum- en rechtse partijen, die zijn politiek steunde (de radicalen hadden zich intussen van hem vervreemd). Zijn regering bleef in het zadel maar vanwege zijn leeftijd wilde hij het kalmer aan doen. In januari 1920 moest de Nationale Vergadering – beide kamers van het parlement samen – een nieuwe president van de republiek kiezen. Clemenceau, die ooit het presidentschap had willen afschaffen, ambieerde nu die functie in de verwachting dat hij als “gevangene van het Elysée” nog invloed zou kunnen uitoefenen. Er was trouwens sprake van een staatshervorming die de president meer macht zou geven.

Clemenceau maakte echter de fout om zich niet openlijk kandidaat te stellen, maar te wachten tot men hem het presidentschap zou aanbieden. Daardoor kregen zijn vijanden de gelegenheid samen te spannen. Toen de meeste parlementsleden de dag voor de verkiezing zoals gewoonlijk een informele stemming hielden over wie de voorkeur kreeg, bleek Clemenceau – formeel nog altijd geen kandidaat – minder stemmen te halen dan Kamervoorzitter Paul Deschanel, die zich wel kandidaat had gesteld.

Georges Clemenceau kort voor zijn overlijden
Georges Clemenceau kort voor zijn overlijden (Bundesarchiv, Bild 102-08768 / CC-BY-SA 3.0)
Meteen liet Clemenceau weten dat hij geen president wilde worden. De dag daarop werd de onbetekenende Deschanel, die ooit nog door de Tijger was verwond in een duel vanwege verdachtmakingen in het Panamaschandaal, met een overweldigende meerderheid tot president gekozen. Intussen nam Clemenceau ontslag uit al zijn politieke functies, om kort daarop te gaan bijkomen op het bekende landgoed van zijn vriend Monet in Giverny.

Clemenceau keerde nooit terug naar de politiek. Hij maakte verre reizen, onder meer naar Brits-Indië, waar hij op echte tijgers ging jagen, en naar de Verenigde Staten, waar hij als een held werd ontvangen. Hij schreef nog enkele boeken voor hij 1929 overleed, 88 jaar oud.

~ Tim Trachet
Dit is uitgebreidere versie van een eerder gepubliceerd artikel op VRTNWS Clemenceau

Literatuur

Jean-Baptiste Duroselle: Clemenceau, Parijs,1988
Jean Garigues: Le monde selon Clemenceau. Formules assassines, traits d’humour, discours et prophéties, Parijs, 2017
Pierre Niquel: Clemenceau. Le Père la Victoire, Parijs 1996.
Vorige verhaal

Jacques Massu – Franse generaal die meevocht in drie oorlogen

Volgende verhaal

Karl Popper (1902-1994) – Invloedrijke wetenschapsfilosoof

×