Oorlogsmoeheid: Brits-Franse problemen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog

///
26 minuten leestijd
Franse krijgsgevangenen in 1918
Franse krijgsgevangenen in 1918

Tijdens besprekingen met de Britse regering over mogelijke wapenstilstandsonderhandelingen eind 1918, adviseerde de Britse opperbevelhebber generaal Haig zijn regering de wapenstilstandseisen voor Duitsland niet te zwaar te maken en slechts de volledige terugtrekking van de Duitse troepen uit de bezette gebieden te eisen. Voorts zouden de Duitsers België al haar rollend materieel moeten teruggeven alsmede alle krijgsgevangenen moeten vrijlaten.

Na deze mededeling viel er een doodse stilte.

Andrew Bonar Law
Andrew Bonar Law
Minister Bonar Law vroeg of hij hieruit moest concluderen dat de situatie voor de geallieerden dus eigenlijk vrij hopeloos was en of er dan geen redenen waren aan te nemen dat de Duitsers zwaardere eisen zouden accepteren. Haig antwoordde:

“De vijand denkt misschien dat we sterker zijn dan we in werkelijkheid zijn” (1)

De minister-president, Lloyd George, vroeg daarop wat het effect op de Britse soldaat zou zijn als besloten werd de strijd toch voort te zetten, waarop Haig antwoordde: “very bad”.

Hij kon het weten want niet alleen de Duitse soldaat was aan het eind van z’n krachten gekomen. Ook de Britten en Fransen waren volstrekt uitgeput en oorlogsmoe zoals tijdens het uitbreken van de muiterijen in Calais, Glascow en Belfast en in januari 1919, toen duizenden Britse soldaten met hun officieren weigerden naar het front terug te keren na genoten kerstverlof in Engeland, nog eens pijnlijk duidelijk werd.
Bekend is de uitlating van veldmaarschalk Wilson bij die gelegenheid toen hij opmerkte dat als de regering niet snel van politiek zou veranderen, de generaals hun grip op de strijdkrachten zouden verliezen en er al snel geen leger meer zou zijn om te commanderen.(2)

Er zijn historici die aanvoeren dat de Britten misschien inderdaad enkele dagen oponthoud zouden hebben ondervonden als ze na 11 november de strijd hadden willen voortzetten, maar dat ze dan toch met gemak veertig of meer divisies bijeen hadden kunnen brengen en daarmede de nog resterende Duitse troepen zeker over de grens en over de Rijn zouden hebben gejaagd.

De historici die dit beweren onderschatten de enorme problemen welke verbonden zijn aan het transport van grote massa’s manschappen en materieel in een omgeving waar alle communicatielijnen, bruggen, tunnels en spoorwegen totaal waren vernietigd. Zelfs als ze de Antwerpen-Maaslinie zouden hebben doorbroken, dan nog zou het oversteken van de Rijn een uiterst moeilijk probleem zijn geweest zoals ook in de Tweede Wereldoorlog, toen men toch over veel modernere middelen kon beschikken, wel is gebleken. Genoemde historici maakten dan ook een denkfout door aan te nemen dat de geallieerden inderdaad onmiddellijk de strijd hadden kunnen voortzetten, hooguit met enkele dagen vertraging. Dat zou echter militair-technisch absoluut onmogelijk zijn geweest. Ze zouden zeker tot na de winter hebben moeten wachten alvorens het weer een actief voortzetten van de strijd zou hebben toegelaten.

Maar het zou anders lopen. Onder druk van de uitgebroken revolutie moest het Duitse leger de strijd staken. Op 11 november 1918 tekende Duitsland de wapenstilstandovereenkomst hetgeen tot gevolg had dat de geallieerden hun legers snel gingen demobiliseren. Toen het uiteindelijk zover was dat er een vredesverdrag ter ondertekening aan Duitsland kon worden voorgelegd, was de sterkte van de geallieerde troepen reeds enorm teruggebracht. Dit maakte een eventueel hervatten van de strijd op dat moment voor hen zeker problematisch ook al waren de Duitse strijdkrachten toen al in verregaande staat van ontbinding en zeker niet meer bij machte om welke vijand dan ook nog tegen te houden. Een onderzoek ter zake door het Duitse opperbevel maakte dit heel duidelijk.

Vlak vóór de wapenstilstand en ook nog vlak daarna was er echter nog steeds sprake van een, weliswaar verzwakt, maar organiek toch nog steeds intact zijnde Duitse strijdmacht, een strijdmacht die, als het er op aankwam om het eigen land te verdedigen, nog zeer geducht tegenstand had kunnen bieden en dit feit wordt al te gemakkelijk over het hoofd gezien. Men mag het verschil tussen de situatie vóór en de situatie ná de wapenstilstand niet met elkaar verwarren. Opmerkelijk in dit verband is dan ook dat op 16 juni 1919, vlak vóór de definitieve ondertekening van het vredesverdrag van Versailles, maarschalk Foch tijdens een bijeenkomst met de geallieerde leiders desgevraagd verklaarde dat als de Duitsers zouden weigeren om het verdrag te ondertekenen, hij over onvoldoende strijdkrachten beschikte om de ondertekening met een invasie af te dwingen. Hij stelde dat hij ten tijde van de wapenstilstand nog ruim 198 divisies tot zijn beschikking had terwijl dat er nu nog maar 39 waren en dat de Franse inlichtingendienst had vastgesteld dat de Duitsers nog 550.000 man voor de verdediging op de been zouden kunnen brengen.

Duitse soldaten op het dak van een trein, 1918
Duitse soldaten op het dak van een trein, 1918

Hij adviseerde dan ook om, als de Duitse regering weigerde, met een aantal deelstaten afzonderlijk vredesverdragen te tekenen en pas dan Pruisen te bezetten.(3) Pas onder zware druk van de Franse minister-president Clemenceau en de overige geallieerde leiders gaf hij toe dat een invasie wellicht toch haalbaar zou zijn. Wat er ook van Foch’s verklaring juist was, tekenend voor de situatie en onzekerheid bij de geallieerden was het wel.

Lloyd George heeft later in zijn memoires, scherpe kritiek uitgeoefend op zijn bevelhebbers en hen grove onderschatting van de werkelijke situatie aan Duitse zijde verweten en een volstrekt verkeerde inschatting van de werkelijke- en veel gunstiger- militaire situatie bij de geallieerden. Daarin had hij natuurlijk volkomen gelijk maar een en ander was wel gebaseerd op hindsight. Hij kon dat na de oorlog natuurlijk gemakkelijk zeggen maar hij sprak niet de waarheid toen hij daarbij opmerkte zich van hun adviezen niets te hebben aangetrokken. In dezelfde memoires schreef hij namelijk dat:

““Het advies van de militaire leiders gaf niet veel hoop op een spoedig einde van de oorlog. We waren op dat moment niet op de hoogte van de interne situatie in Duitsland en bij het Duitse leger. We onderschatten het effect van onze overwinningen in de Balkan en in Turkije en onze adviseurs hechtten daar weinig waarde aan terwijl het Duitse opperbevel, naar later is gebleken, dat juist wel deed, maar daarvan waren wij niet op de hoogte. Het werd ons duidelijk dat het waarschijnlijk onmogelijk zou zijn een wapenstilstand te sluiten met de eisen die voor ons bevredigend zouden zijn en zelfs bestond het gevaar dat aan het eind van de onderhandelingen de vijand zich in een nog betere positie zou bevinden en de strijd tegen ons nog lange tijd zou kunnen voortzetten.” (4)

David Lloyd George
David Lloyd George
Lloyd George bevestigde overigens na de oorlog, dat “those victorious last hundred days” in werkelijkheid heel wat minder victorious verliepen toen hij schreef:

“The Germans, when retreating, fought for every kilometre they had ultimately to concede. It was not a chase and hardly a persuit. Starved, decimated, despairing, the German soldiers fought on, making us pay an heavy price for every mile we wrestled from them. Throughout the whole war, the Germans had shown themselves doughty fighters but there was nothing finer in their record then the pluck with which they continued to withstand us in the hour of their defeat. They fought to the end with desperate valour. The heroic fight put up by some of the German units to the very last, probably accounts for the fact that, almost to the end, our military leaders had no real understanding of the actual situation on the German side.” (5)

De Britse minister-president gaf hier onomwonden toe dat er, tot op het allerlaatste moment, geen sprake was van een klip en klare duidelijke geallieerde overwinning, geen sprake ook van het triomfantelijk voortjagen van een verslagen en vluchtend Duits leger en dat elke stap voorwaarts, duur en met bloed moest worden betaald en hij zag daar de verklaring in voor de pessimistische zienswijze van het opperbevel over de geallieerde kansen om de oorlog snel te kunnen beëindigen en van hun advies Duitsland niet te zware wapenstilstand en vredeseisen te stellen. In feite bevestigde Lloyd George hiermede dat Ludendorffs gedachte dat een verder voortzetten van de strijd goede kansen zou bieden om betere voorwaarden te kunnen bedingen, zeker niet zo irreëel was als verschillende historici wel hebben beweerd en tegelijkertijd onderschreef Lloyd George met zijn opmerking de verklaringen van generaal Von Kühl die deze aflegde tijdens zijn verhoor door de na de oorlog ingestelde Parlementaire Commissie ter zake.

Amerikaanse soldaten in 1918 (US National Archives)
Amerikaanse soldaten in 1918 (US National Archives)

Oorlogsmoeheid

Het valt dan ook niet te ontkennen dat de Britten, ondanks de overwinningen in de laatste oorlogsmaanden en de vooruitgang die ze boekten, toch enorm opzagen tegen voortzetting van de strijd omdat ze er van overtuigd waren dat Duitsland nog lang niet verslagen zou zijn en het nog wel tot in 1920 zou kunnen volhouden. De geallieerde verliezen waren inmiddels zo groot geworden en de oorlogsmoeheid zo manifest dat men snakte naar vrede en toen die vrede dan ook in zicht kwam na het verzoek van de Duitsers om een wapenstilstand, leek het wel alsof alle lust om de strijd nog voort te zetten als sneeuw voor de zon verdween. Zoals reeds eerder gesteld: Haig waarschuwde zijn regering niet in te gaan op de Franse harde eisen omdat hij vreesde dat de Britse soldaat mogelijk niet meer zou willen vechten als de Duitsers eenmaal uit Frankrijk en België verdwenen zouden zijn.(6)

Georges Clemenceau
Georges Clemenceau
Er was bij de geallieerde legers natuurlijk ook wel het een en ander gebeurd. Kijken we naar Frankrijk, dan noemen we de grote muiterij in het Franse leger, waardoor offensieve acties dé facto niet meer mogelijk waren. De Franse generaals verloren de macht over hun troepen en het had maar een haartje gescheeld of Frankrijk had zich uit de oorlog moeten terugtrekken. Het Franse leger zou zich van deze klap nooit meer geheel herstellen.

In Rusland was het zo mogelijk nog erger. Het moreel stortte volledig in en leidde tot de revolutie in 1917 en tot het uittreden van Rusland uit de oorlog. Dit feit, de Duitse overwinning op Rusland, had het moreel bij de geallieerden een enorme klap gegeven.

Zelfs de wraakzuchtige Clemenceau erkende nog op 31 oktober 1918, tijdens een vergadering van het “Allied supreme War Counsel” te Versailles dat, hoewel het moreel bij de geallieerde troepen zijns inziens op dat moment goed was, hij er niet zeker van was dat dit niet zou instorten als de gevechten weer hernieuwd zouden moeten worden.(7)

Dat dit een reële mogelijkheid was werd nog eens erkend door de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Lansing, die in zijn memoires schreef:

“Wat we ook mogen denken in het licht van onze huidige kennis, in 1918 trokken de Duitsers zich ordelijk en weloverwogen terug, ze verloren wel veel manschappen, maar dat was in 1917 ook al eens het geval geweest. Dat ze hun oorlogsdoelen niet meer zouden realiseren was ons wel duidelijk maar er was een groot verschil tussen het niet meer kunnen realiseren van de overwinning en het volledig verslagen zijn”.

En zo was het dan ook. Het Duitse leger was pas definitief verslagen na de wapenstilstand, niet er vóór!

Daar kwam nog iets bij. Lloyd George was bevreesd voor communistische infectie vanuit Duitsland als dat land ten prooi zou vallen aan Sovjet invloeden veroorzaakt door te harde vredeseisen. Hij sprak daarover met kolonel House, de persoonlijke vertegenwoordiger van de Amerikaanse president Wilson tijdens zijn bezoek aan Parijs. Hierbij vertelde hij deze dat het gevaar voor revolutie in Groot-Brittannië zeker niet denkbeeldig was. (8) Dat was ook een van de redenen waarom president Wilson van mening was dat een redelijke vrede noodzakelijk was omdat te harde voorwaarden een politiek vacuüm zouden kunnen scheppen in Europa hetgeen een uitnodiging naar het Bolsjewisme zou betekenen. De Amerikaanse president sloot zelfs niet uit dat ook in Amerika zelf het uitbreken van onrust onder de bevolking, als gevolg van wat hij noemde “oorlogsmoeheid” tot de mogelijkheden behoorde.(9)

Stakingen, muiterij en couppogingen

'Staking'. Een schilderij van Stanisław Lentz, 1910 (National Museum in Warsaw)
‘Staking’. Een schilderij van Stanisław Lentz, 1910 (National Museum in Warsaw)
Lloyd George had ook wel reden om bezorgd te zijn voor revolutionaire krachten in zijn land. Churchill heeft na de oorlog beweerd dat Groot-Brittannië de strijd uiteindelijk had gewonnen omdat het hele volk als één man gedurende de gehele oorlog in de overwinning bleef geloven in tegenstelling tot het Duitse volk dat het vertrouwen in de eindoverwinning uiteindelijk op moest geven.

Bij die bewering moet toch wel een vraagteken worden gezet. De politieke situatie en met name de onrust onder bijvoorbeeld de Britse arbeiders was gedurende de gehele oorlog steeds een bron van grote zorg geweest. Niet alleen in Duitsland waren er stakingen en onrust. Ook Groot-Brittannië ontkwam niet aan de malaise.

Daar was de grote staking bij de scheepswerven aan de Clyde, reeds in 1914-1915, de onlusten veroorzaakt door de “rank and file” beweging die gesteund werd door de Britse Socialistische Partij die tegen verdere Britse deelname aan de oorlog was en die met name in 1917 grote stakingen organiseerde waaronder de zeer ernstige stakingen in de munitie-industrie. Ze gingen gepaard met grote onlusten die soms maar met moeite bedwongen konden worden. In dat jaar staakten in totaal 877.000 arbeiders en gingen bijna 6 miljoen werkdagen verloren. Bedenk, het was oorlogstijd en de zonen van die stakende arbeiders vochten voor hun leven aan het front!

Daar was voorts de zeer ernstige staking van munitiearbeiders te Barrow die duurde van 21 maart tot 2 april en de staking van 60.000 arbeiders in de machine-industrie die in Lancashire begon en binnen enkele dagen oversloeg naar andere steden en slechts door de inzet van het leger en de arrestatie van de leiders, beëindigd kon worden. Het was deze staking die uiteindelijk oversloeg naar 48 steden waarbij 220.000 arbeiders betrokken raakten en die 1.500.000 arbeidsdagen verloren deed gaan en het was ook deze staking die leidde tot een groot gebrek aan munitie bij de Britse troepen te velde.

In totaal gingen er in Groot-Brittannië tussen 1914 en 1918 ruim 27 miljoen werkdagen verloren als gevolg van arbeidsonrust en stakingen. (Een vergelijking met Duitsland leert dat daar ongeveer 5 miljoen arbeidsdagen verloren gingen als gevolg van stakingen) (10) Het viel dus nogal mee met die beweerde eenheid en solidariteit onder het Britse volk.

Ook in Groot-Brittannië was de toestand onder de bevolking explosief en ook hier werden pogingen ondernomen om een revolutie te doen uitbreken. Het was eind 1917 toen de overheid ontdekte dat de “Independent Labour Party”, samen met de “Union of Democratic Control” plannen bleek te hebben uitgewerkt tot het organiseren van een staking die gevolgd zou moeten worden door onlusten van zulk een aard dat het leger wel gedwongen zou zijn om in te grijpen en te schieten. Dat zou, naar men plande, een algemene staking tot gevolg hebben die het voortzetten van de oorlog onmogelijk zou maken, zulks naar het voorbeeld van wat in Rusland was geschied. (11)

De zorgen van Lloyd George over wat er kon gebeuren als hij de oorlog nog zou willen voortzetten, moeten dan ook niet worden onderschat. Dat de angst voor revolutie ook in Groot-Brittannië niet overdreven was, blijkt niet alleen uit de gespannen arbeidsverhoudingen uit voorgaande jaren en uit de ontdekte plannen eind 1917, maar ook uit een aantal gebeurtenissen die direct na de wapenstilstand, eind 1918 en in de eerste maanden van 1919, plaatsvonden. (12)

Vrouwen aan het werk in een munitiefabriek, 1917 - cc
Vrouwen aan het werk in een munitiefabriek, 1917 – cc

Het begon met een aantal onregelmatigheden bij een aantal legeronderdelen. In een week werden meer dan 30 gevallen van insubordinatie gemeld en in enkele gevallen weigerden grote hoeveelheden manschappen een of meer dagen de bevelen van hun officieren te gehoorzamen. De grootste onregelmatigheden vonden plaats bij het “Army Service Corps” in de “Grove Park” en Kempton Park Mechanical Transport Depots”. Enkele eenheden vertelden hun officieren dat ze “soldatenraden” hadden opgericht en van plan waren naar de dichtstbijzijnde stad op te rukken om zich daar te gaan verbroederen met de arbeiders. Alhoewel ze in een aantal gevallen tot andere gedachten konden worden gebracht, kon men toch niet worden voorkomen dat er serieuze onlusten uitbraken. In Luton werd het stadhuis in brand gestoken en er brak muiterij uit onder de legeronderdelen te Calais.

De Britse muiters aldaar trokken naar de haven om de met soldaten terugkerende transportschepen op te wachten en slaagden er in een groot aantal van deze verlofgangers over te halen zich bij hen aan te sluiten. Binnen 24 uur was de groep muiters uitgegroeide tot drie à vierduizend man die de stad volledig in handen hadden. Er moesten twee divisies van het front worden teruggehaald om de muiterij te onderdrukken maar terwijl dit met moeite gelukte, ontstonden er soortgelijke onlusten in Glasgow en Belfast. Ook hier moest gewapenderhand worden ingegrepen en in Glasgow moesten twee brigades worden ingezet om de opstand te onderdrukken. Een volgende, eveneens serieuze opstand vond tenslotte plaats op 8 februari 1919.

Enkele duizenden soldaten weigerden in de trein op het Victoria Station te stappen die hen naar het front zou terugvoeren. Zij marcheerden in gesloten gelederen naar Whitehall waar zij grote chaos veroorzaakten. Ook hier moesten andere troepen worden ingezet om de opstand te beteugelen waarbij enkele doden vielen. Men moet zich hierbij realiseren dat dit alles geschiedde terwijl de oorlog nog steeds niet was beëindigd en de muiters allen de doodstraf riskeerden. (13)

Overigens, ook de loyaliteit van het Britse opperbevel had de regering gedurende de gehele oorlog zorgen gebaard en de Britse regering was steeds beducht voor een militaire coup.

Vooral tijdens het bewind van Lloyd George vanaf 1916, waren er enorme spanningen tussen regering en opperbevel. Een belangrijk deel van de Britse pers schaarde zich daarbij aan de kant van de militairen en in de “Globe” werd zelfs openlijk gezinspeeld op de wenselijkheid van een militaire dictatuur voor de duur van de oorlog waarbij een vergelijking werd gemaakt met de situatie in Duitsland waar Hindenburg en Ludendorff feitelijk de dienst uitmaakten. (14) De “Globe” verklaarde onder andere dat:

“…het nu wel bewezen was dat de democratie in oorlogstijd volkomen faalde en dat het, om die oorlog te kunnen winnen, absoluut noodzakelijk was die democratie over boord te gooien en te vervangen door een autocratie, op z’n minst in elk geval gedurende de tijd van de oorlog”. (15)

En de “Morning Post” adviseerde de regering om twee kabinetten te formeren, een kabinet voor de civiele zaken en een dat zich met de oorlogsvoering zou moeten bezighouden en uit militairen zou moeten bestaan. (16)

HMS Queen Mary explodeert op 31 mei 1916, tijdens de Slag bij Jutland
HMS Queen Mary explodeert op 31 mei 1916, tijdens de Slag bij Jutland

De democratie in Groot Brittannië liep eigenlijk gedurende de gehele oorlog gevaar maar de problemen met de militaire top werden midden 1917 acuut. Het begon er mee dat de minister van marine, Carson, weigerde admiraal Jellicoe te ontslaan. Dat ontslag werd door Lloyd George noodzakelijk geacht omdat hij vond dat van Jellicoe, na de slag bij Jutland, onvoldoende gezag uitging en de sfeer in de Britse marine defaitistisch was geworden. Ook diens maatregelen tegen de verschrikkelijke verliezen bij de Britse koopvaardij als gevolg van de Duitse duikbootactiviteiten achtte Lloyd George volstrekt onvoldoende.

Carson weigerde echter aan dit ontslag mee te werken en daagde daarmee het gezag van de Britse minister-president openlijk uit. Deze besloot daarop zowel Carson als Jellicoe van hun functie te ontheffen hetgeen tot enorme opschudding in de Britse pers leidde en het voortbestaan van de regering hing geruime tijd aan een zijden draadje. Eind 1917 werd de situatie wederom kritiek.

Douglas Haig, de Britse opperbevelhebber aan het westelijk front
Douglas Haig, de Britse opperbevelhebber aan het westelijk front
Lloyd George raakte er van overtuigd dat de Chief Imperial Staff, generaal Robertson, generaal Haig en enkele andere hoge militairen openlijk en in het verborgene oppositie tegen hem en zijn regering aan het voeren waren met als doel de regering omver te werpen. De Britse minister-president zag zich genoodzaakt in te grijpen en hij besloot Robertson en Haig te verwijderen. (17)

Dat was natuurlijk een ingreep met uitermate verstrekkende gevolgen en hij stuitte dan ook op enorme weerstanden. Uiteindelijk lukte het hem pas na zeer veel moeite en met groot gevaar voor het voortbestaan van zijn kabinet, zich van Robertson te ontdoen maar Haig ontsprong de dans door zijn “kameraden in het kwaad” te verloochenen en eieren voor zijn geld te kiezen. (18)

Lloyd George schreef later in zijn memoires:

“we were about to witness a very determined effort- not the first nor the last- made by this party to form a cabal which would overthrow the existing War Cabinet and especially its Chief, and enthrone a Government which would be practically the nominee and menial of the military party”. (19)

Bij zijn besluit om deze topmilitairen van hun functie te ontheffen kreeg hij zeer weinig medewerking van de Britse koning. Die stond openlijk achter de generaals. Hij vond dat de regering zich te veel met de militairen en hun operaties bemoeide en dat Lloyd George de oorlogvoering aan de militairen moest overlaten. Hij gaf dan ook pas zijn goedkeuring aan de ontslagen nadat Lloyd George met aftreden had gedreigd. (20)

We mogen stellen dat het aan de moed, durf en daadkracht van de Britse premier te danken is geweest dat in Groot-Brittannië niet een zelfde situatie ontstond als in Duitsland waar de politici niet de kracht konden opbrengen om de legerleiding onder controle te houden met als gevolg dat daar de generaals het in grote lijnen voor het zeggen kregen.

Uit dit alles blijkt wel dat zowel de politieke, sociale en militaire situatie ook in Groot-Brittannië, met name ook in het laatste oorlogsjaar, verre van bevredigend was en dat ook hier de democratie voortdurend gevaar liep, de militairen ook hier meer macht wilden en het voor de Britse regering ook om die redenen belangrijk was, snel een eind te maken aan de oorlog vóórdat de omstandigheden zich tegen haar zouden keren of, een mogelijkheid waarmee Lloyd George terdege rekening hield, vóórdat de positie van de Amerikanen in de oorlogvoering zo overheersend zou worden dat zij- en niet de geallieerden, de komende wapenstilstands- en vredeseisen zouden kunnen bepalen. Dat die vrees niet irreëel was bleek wel uit opmerking die de Amerikaanse president in de zomer van 1917 tegen kolonel House maakte toen hij zei:

“Engeland and France have not the same views with regard to peace that we have… but after the war, we can force them to our way of thinking because by that time they will be financial in our hands.” (21)

Een Britse vredespoging

Generaal Erich Ludendorff
Generaal Erich Ludendorff
Gezien het voorgaande kan moeilijk ontkend worden dat generaal Ludendorff’s plan om te proberen nog korte tijd door te vechten om zo betere wapenstilstandseisen te realiseren niet zo irreëel was als wel vaak is voorgesteld.

Ook de vraag of Duitsland inderdaad nog korte tijd had kunnen doorvechten kan niet zonder meer als “onmogelijk” van de hand worden gedaan en we weten dat de geallieerden daar zelf terdege rekening mee hielden. Het feit dat de Duitsers eind 1918 nog een reservemacht van 600.000 á 700.000 man op de been konden brengen en de lichting 1901 spoedig onder de wapenen zou komen, maakte de vrees aan geallieerde zijde dat de Duitsers de strijd nog zouden kunnen doorzetten ook niet zo onlogisch. Het is dan ook tekenend voor de situatie dat de Britten nu voor het eerst voelhorens uitstaken om tot vrede te komen. Een verklaring van de Britse minister Balfour (16 mei 1918) dat Engeland mogelijk bereid was vrede te sluiten op redelijke voorwaarden werd door Ludendorff echter arrogant van de hand gewezen. Een nieuwe Britse poging om tot vredesbesprekingen te komen werd gedaan tijdens een conferentie in Den Haag over de uitwisseling van krijgsgevangenen. In eerste instantie leek deze meer kans van slagen te hebben. Van Duitse zijde werd prins Hatzfeldt Wildenburg afgevaardigd. Hij voerde besprekingen met Sir George Cave over een zogenaamde “compromis vrede” (22) Ook deze poging mislukte echter omdat de verantwoordelijke Duitse minister Kuhlmann, die in de Rijksdag al openlijk verklaard had dat Duitsland de oorlog niet meer met de wapenen kon winnen en zeker positief zou hebben gestaan tegenover deze Britse poging, door het ingrijpen van Hindenburg en Ludendorff, gedwongen werd in juli af te treden.

Een en ander geeft echter wel aan dat nog slechts enkele weken vóór de fatale 8ste augustus (de zwarte dag voor de Duitse strijdkrachten) de Britten, door de militaire en politieke situatie gedwongen, nu toch ook serieus aan vredesonderhandelingen dachten. Helaas werden die wederom geblokkeerd door de Duitse legerleiding.

Toch was de politiek van Lloyd George in de laatste oorlogsmaanden gericht op het bereiken van een spoedige vrede. Tot vlak voor de wapenstilstand van 11 november en vooral ook na de bespreking tussen de regering en generaal Haig van 19 oktober was de algemene mening bij de Britten, dat als de oorlog nog lang zou moeten voortduren, een “soft peace” wellicht geaccepteerd zou moeten worden. (23) Lloyd George deed ook tijdens de besprekingen te Versailles nog moeite om Clemenceau en Foch te overtuigen dat te zware wapenstilstandseisen mogelijk niet door de Duitsers zouden worden geaccepteerd, met alle gevolgen van dien, overigens zonder succes.

Ferdinand Foch
Ferdinand Foch
Het voorgaande geeft toch wel aan dat het Ludendorff-plan zeker kans van slagen zou hebben gehad. Of het Duitse leger nu wel of niet meer de kracht zou hebben gehad om nog enige tijd door te vechten was eigenlijk niet meer zo relevant. Wel relevant en zelfs bepalend was, hoe de geallieerden- en met name de Britten, die kracht inschatten en in hoeverre ze daar hun beslissingen door lieten beïnvloeden.

Hindsight vertelt ons nu dat ze natuurlijk veel te pessimistisch waren en bij hun inschatting van de situatie de plank hopeloos missloegen. Maar juist dat element en eigenlijk alleen dat element was bepalend voor de geallieerde meningsvorming over het al dan niet voortzetten van de strijd en uit de besprekingen te Londen op 19 en 25 oktober, weten we dat men er van overtuigd was geraakt dat de Duitsers nog niet waren verslagen en dat de strijd nog lang zou kunnen duren.

Ik herhaal nog maar eens de woorden van Lloyd George, die opmerkte dat als de Duitsers nog in staat waren om zich achter de Rijn terug te trekken en het tot de winter zouden kunnen uithouden, voortzetting van de oorlog waarschijnlijk geen zin meer had en dat hij vreesde dat het Franse en Britse volk zulk een voortzetting ook niet meer zouden toestaan. Lloyd George zei dit, nadat hij van zijn bevelhebbers had vernomen dat zij dachten dat de Duitsers inderdaad nog konden doorvechten en dat de strijd dus zeker nog na de winter zou moeten worden voortgezet. Zijn opmerking was in dit verband derhalve van eminent belang en toonde aan dat hij er serieus over dacht snel een eind aan de strijd te maken. De enige manier waarop dit kon worden bereikt was door Duitsland redelijke wapenstilstandseisen te bieden.

Er zijn historici die vinden dat de mening van Groot-Brittannië en een eventuele beslissing om een vroegtijdige (aparte) vrede te sluiten, niet van doorslaggevend belang zou zijn geweest. Zij stellen dat Frankrijk en Amerika de strijd dan zeker hadden willen voortzetten. Dat is echter toch zeer de vraag. Als Groot-Brittannië de strijd zou hebben gestaakt, dan was het zeer onzeker geworden of de Verenigde Staten nog wel alleen met Frankrijk hadden willen door gaan en niet een afzonderlijke vrede met Duitsland zouden hebben gesloten. President Wilson was niet zo overtuigd van de Franse motieven. Toen hij vernam dat de geallieerden al bezig waren met het formuleren van wapenstilstandseisen zonder hem daarin te kennen was hij razend. Toen hij ook nog hoorde dat de Franse eisen uitermate zwaar waren, ontbood hij de Franse ambassadeur in Washington en deelde hem mee geschokt te zijn. “Als het Amerikaanse volk te weten komt hoe ver jullie willen gaan” zo beet hij de ambassadeur toe, “dan zal het mij dwingen de Amerikaanse troepen uit Europa terug te trekken”. (24) Op 15 oktober 1918 stuurde de Britse ambassadeur nog een telegram aan zijn regering waarin hij schreef:

““that the president was outstandingly fearful that the Allied naval and military authorities might urge an armistice so humiliating, (en dat was duidelijk wel het plan van de Fransen, HA) that Germany could not accept it. His mind appeared to be set upon the kind of armistice which would leave no rancour and demonstrate the high plane on which the Allies stood”. “

Overigens, na de wapenstilstand zou de houding van de Amerikaanse president ingrijpend veranderen en zou hij zijn edele motieven volledig prijsgeven. Ik kom daarop nog nader terug.

Waren de Britten er dus nog niet zo zeker van dat ze de oorlog na het invallen van de winter nog zouden kunnen continueren, er zijn critici die wijzende op de veel positievere meningen van de Amerikaanse opperbevelhebber Pershing en maarschalk Pétain die zich wel onomwonden zouden hebben uitgesproken voor voortzetting van de oorlog met alle middelen.

Als dat al het geval is geweest, dan moet men toch goed in het oog houden op welk moment deze generaals hun mening ter zake kenbaar maakten (en dat was veelal in hun memoires nadat de oorlog was beëindigd) en of men niet te veel waarde heeft gehecht aan de mening van deze militairen. Het waren toch de politici en niet de militairen die uiteindelijk uitmaakten hoe de vredesvoorwaarden zouden gaan luiden en of de oorlog wel of niet spoedig moest worden beëindigd.

Generaal John Pershing in 1918
Generaal John Pershing in 1918
In het geval van Pershing werd dat wel heel duidelijk. Op 26 oktober 1918 zond president Wilson hem een telegram waarin hij om zijn mening vroeg over het Franse plan Duitsland in te trekken en daar bruggenhoofden te bezetten na de wapenstilstand. Wilson zelf was daar tegen en vond dat dit plan praktisch overeenkwam met een invasie op Duits grondgebied. Hij was bevreesd dat Duitsland daardoor mogelijk de wapenstilstandseisen zou weigeren. Pershing antwoordde dat hij zijn mening hieromtrent al (op eigen initiatief) aan de Opperste Oorlogsraad (Suprême War Council) had doen toekomen en dat hij daarin had gewezen op de zijns inziens schitterende mogelijkheden om Duitsland tot een “unconditional surrender” te dwingen.

De president was razend. Hier maakte een ordinaire generaal zijn mening, die grote politieke consequenties had, zonder toestemming of medeweten van zijn politieke superieuren, openbaar. Pershing werd beschuldigd “Glory mad” te zijn en tevens verantwoordelijk voor de grote verliezen onder de Amerikaanse troepen.

Op de 27e kwam er ten overvloede nog een rapport van de persoonlijke vertegenwoordiger van Wilson in Frankrijk, kolonel House, binnen waarin die mededeelde dat Foch en Clemenceau beiden van mening waren dat Pershing een slecht generaal was en dat zijn verliezen veel groter waren dan noodzakelijk. Inmiddels deden geruchten de ronde dat Pershing er op uit was zich verkiesbaar te laten stellen voor het Amerikaanse presidentschap en dat deed de deur natuurlijk helemaal dicht. (25)

De beweringen dat Frankrijk en Amerika de oorlog zeker hadden willen voortzetten en er absoluut niets voor voelden om Duitsland gunstige voorwaarden toe te staan zijn voornamelijk gebaseerd op de uitlatingen van de Franse en Amerikaanse generaals.

In werkelijkheid zaten president Wilson en Lloyd George, die steeds bevreesd waren dat te zware eisen door Duitsland zouden worden geweigerd, veel meer op één lijn, zeker in de periode dat de wapenstilstand nog gesloten moest worden, en was het voornamelijk Clemenceau die er een andere mening op na hield.

De eenheid tussen de geallieerde leiders zou pas worden hersteld toen Duitsland in 1919 tenslotte het vredesverdrag van Versailles onder protest had getekend. Tot dat moment bleven de geallieerden onzeker over de uiteindelijke houding van Duitsland. Zij waren niet alleen nog steeds onzeker maar zelfs bevreesd dat Duitsland op het allerlaatste toch nog verzet zou gaan bieden en zelfs de strijd weer zou hervatten. De reden daarvoor was dat na de wapenstilstand de geallieerde strijdmacht snel aan het inkrimpen was. In november 1918 hadden de Fransen 198 divisies aan het front staan, in juni 1919 waren dat er nog maar 39 en men was er niet zeker van dat die troepen in geval van een Duitse weigering het vredesverdrag te ondertekenen, nog tot vechten bereid zouden zijn. (26) Natuurlijk, het Duitse leger was verslagen, maar haar commandostructuur tezamen met honderdduizenden getrainde manschappen waren nog steeds beschikbaar. Dat bleek nog eens duidelijk toen Duitse troepen, direct na de wapenstilstand in de Pathische Staten opnieuw- en nu met stilzwijgende goedkeuring van de geallieerden- in de aanval gingen, nu om de Duitse Oostgrens te verdedigen tegen het opdringende Rode Leger, en daar verrassende resultaten behaalden. Begin mei 1919 veroverden ze zelfs de stad Riga. (27) De oorlog ging daar dus eigenlijk nog gewoon door!

Woodrow Wilson
Woodrow Wilson
Het was ook toen dat de geallieerden openlijk moesten toegeven niet meer de militaire macht te hebben daar iets aan te doen en men begon zich nu ook grote zorgen te maken over deze ontwikkelingen. De Duitsers traden zo zelfverzekerd op dat toen de geallieerden militaire waarnemers naar dat gebied wilden sturen, die bij het Duitse opperbevel een visum moesten aanvragen alvorens ze toestemming kregen om het gebied binnen te gaan. Pas toen de geallieerde wapenstilstandscommissie de Duitse regering dreigde de wapenstilstand niet te zullen verlengen als die niet onmiddellijk bevel gaf de strijd te staken en Riga te ontruimen, lukte het om de Duitsers aldaar te stoppen. (28)

Men realiseerde zich plotseling ook dat ondanks dat Duitsland de oorlog verloren had, er nog steeds zo’n 75 miljoen Duitsers en slechts 40 miljoen Fransen waren en dat een hernieuwing van de strijd toch mogelijk nog wel eens problematisch zou kunnen worden.

Ook hieruit blijkt wel dat de geallieerden, ondanks hun overwinningsroes, toch tot op het allerlaatst de adem inhielden en er niet zeker van waren dat ze Duitsland definitief onder de knie hadden gekregen. De eerder genoemde verklaring van Foch in juni 1919, dat hij voor een invasie van Duitsland te weinig troepen tot zijn beschikking had, spreekt in dit verband boekdelen.

Een zelfde situatie deed zich ook vóór en tijdens de besprekingen over de wapenstilstand in november 1918 voor. Ondanks alle beweringen van het tegendeel, waren de geallieerden toen werkelijk aan het absolute eind van hun militaire en vooral logistieke mogelijkheden gekomen.
Niemand, maar dan ook niemand, bevroedde ook maar een moment dat de Duitsers toen inderdaad al aan opgeven dachten en de Britse admiraal Fisher sloeg de spijker op z’n kop toen hij verklaarde dat…

“…de door Duitsland aangevraagde wapenstilstand ’n “mirakel was geweest dat precies op tijd was gekomen omdat de geallieerden aan het eind van hun krachten waren”

Het was tenslotte de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lansing, die na de oorlog schreef dat men dit nu wel kon ontkennen en kon beweren dat Duitsland in november reeds op het slagveld verslagen was, maar dat de geallieerden er toen juist van overtuigd waren geweest dat Duitsland de strijd nog kon voortzetten en nog lang niet was verslagen en dat daarom de onzekerheid over het vaststellen van de wapenstilstandseisen volkomen begrijpelijk was geweest.

Te zware eisen zouden voor Duitsland immers rede kunnen zijn de strijd nog voort te zetten en daar zat zo langzamerhand niemand meer op te wachten, integendeel. Er waren ook nogal wat tegenstellingen ontstaan tussen de geallieerden! We lezen:

“Ludendorff could count on diverging basic interests between the Anglo Saxon and the French Allies. While France intended to guarantee her future security by a complete and decisive victory over Germany, Gr.Brittain and the USA were not interested in a dominant or even hegemonic French position in Europe after the elimination of Russia and Germany as leading Powers.”

Ook hieruit blijkt wel dat als Groot-Brittannië de oorlog snel had kunnen beëindigen door Duitsland redelijke vredesvoorwaarden aan te bieden, ze daarmee in de kaart zou hebben gespeeld van president Wilson, (wiens 14 punten programma immers bol stond van redelijkheid) en daarmee was de kans voor Frankrijk om nog alleen haar doel te bereiken dan tot nul gereduceerd. Pas toen in Duitsland de revolutie uitbrak, verviel voor Groot-Brittannië de noodzaak om te kiezen tussen doorvechten of het bieden van gunstige voorwaarden en daarmee ook de kans op een rechtvaardige vrede voor Duitsland. Niet vergeten mag worden dat de wapenstilstandseisen van de geallieerden pas definitief werden vastgesteld op 4 november 1918, (29) dus nadat bekend werd dat er in Duitsland een revolutie was uitgebroken. Het werd toen duidelijk dat men nu kon eisen wat men wilde omdat de Duitsers nu totaal geen weerstand meer konden bieden. Tot die tijd had met name Groot-Brittannië maar ook de Amerikaanse president, zich verzet tegen te zware eisen omdat men bevreesd was dat die dan mogelijk door de Duitsers zouden worden afgewezen.

~ Hans Andriessen

Boeken van Hans Andriessen

Noten

  1. Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1970-1971.
  2. Callwell, C.E.Maj.Gen.Sir., Field marshal Sir Henry Wilson, Vol.2, p.161.
  3. Watt,R.M., The Kings Depart, p.493.
  4. Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1971.
  5. Ibid, p.1882.
  6. Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1971.
  7. Walworth,A., America’s Moment 1918. p.37n
  8. ibid, p.44.
  9. Walworth,A., America’s Moment. P.2
  10. Lloyd George, War Memoirs. Vol. 2,p.1148-1164.
  11. Ibid.p.1153
  12. Churchill,W., The World Crisis, Vol 5, p.61.e.v
  13. Ibid, p.62.
  14. Beaverbrook, Men and Power, p.55.
  15. Ibid, p.56.
  16. Ibid,
  17. Ibid, p 167.
  18. Ibid, p.53 e.v.
  19. Lloyd Georg, War memoirs, Vol 2, p.1669
  20. Beaverbrook, Men and Power, p.205.
  21. – Zieger, H., America’s Great War, p.163, quotes Knock, To end all Wars. P.138.
    – Horn,M., Britain,France, and the Financing of the First World War, p.117 e.v, waarin duidelijk wordt dat Frankrijk op 24 augustus 1916 bij de “bespreking van Calais” formeel financieel geheel afhankelijk werd van Gr.Brittannie. Aan het eind van de oorlog had Frankrijk bij Engeland een schuld van 417 miljard pond Sterling. Engeland zelf stond er financieel zo slecht voor dat ze gedwongen was de goudstandaard los te laten.(p.183)

  22. – Guinn, British Strategy and Politics, p.308.
    – Brugmans,H., Geschiedenis van den Wereldoorlog, p.172,173.

  23. Brugmans,H., p.319.
  24. Walworth,A., America’s Moment, p.24. Jusserand to Diplomatie,Paris, Oct.9.1018
  25. Ibid, p.44. Edith Benham, diary letter, Dec.5.1018.
  26. MacMillan,M., Peacemakers,p.1`68.
  27. Watt,R.M., The kings Depart, p.385, 386
  28. Ibid, p.385 e.v.
  29. Callwell,C.E.Maj.Gen.Sir., Field Marshal Sir Henry Wilson, Vol.2, p.147.
Vorige verhaal

De laatste vriend van de keizer

Volgende verhaal

Tussen verdringen en herinnering: dwangarbeiders in Rees (1944/’45)

×