//

De Sinterklaasdiscussie van de 19e eeuw

“Heidensch of christelijk”
Prent uit 'Sint Nikolaas-vertellingen voor de jeugd', - C. van Schaick, 1852
Prent uit 'Sint Nikolaas-vertellingen voor de jeugd', - C. van Schaick, 1852
Bij uitgeverij Leon van Dorp verschijnt medio november De bisschop, de boeman en de beloner. Hierin neemt Roelof-Jan de Wild zijn lezers mee terug naar het Sinterklaasfeest van de achttiende en negentiende eeuw en schetst tal van achtergronden bij het feest uit die tijd. Destijds stond men voor de opgave een nieuwe, zinvolle invulling aan het Sint-Nicolaasfeest te geven, zodat het doorgegeven kon worden aan een nieuwe generatie. In acht hoofdstukken zet De Wild die ontwikkelingen uiteen en schetst hoe men het feest vierde, bediscussieerde en veranderde, al naar gelang de tijdgeest. Op Historiek een fragment over ‘de Sint-Nicolaasdiscussie van de 19e eeuw’, waarbij men zich met name in de tweede helft van die eeuw afvroeg waar het Sinterklaasfeest nu eigenlijk op gestoeld was.


Groeiende belangstelling

Wat een positief gevolg is van de inmiddels jarenlange discussie rond Zwarte Piet is de enorme toename aan onderzoeken en publicaties. Voordien waren publicaties over de geschiedenis van Sint-Nicolaas en zijn knecht hoogstens nog het terrein van een beperkt aantal historici en belangstellenden, die zich graag bezighielden met het Sint-Nicolaasfeest. In de afgelopen tien jaar heeft echter een grotere groep belangstellenden zich weer nadrukkelijk gebogen over Sint-Nicolaas, zijn helper en het feest. Vanuit een bredere maatschappelijke context wordt momenteel opnieuw naar het feest gekeken. De roep om het behouden, het veranderen of het afschaffen van de metgezel van Sint-Nicolaas heeft dit mogelijk aangemoedigd of uitgelokt. Er wordt gezocht naar een historisch verantwoorde onderbouwing van én uitleg over het ‘hoe’ en ‘wat’, maar vooral ook het ‘waarom’ van dit feest.

Wessel van Hengel
Wessel van Hengel (Afbeelding: Boek)
De negentiende-eeuwse hoogleraar en verlicht predikant Wessel van Hengel (1779-1871) stelde in zijn essay over het Sint-Nicolaasfeest (1831) al dat onderzoek naar het feest zinvol was:

“De Heilige, die twee dagen van het jaar geheel de kinderwereld vrolijk maakt, verdient ook zeker wel, dat men zich eenige moeite geve, om de geschiedenis van hem zelven en van zijn feest te kennen.”

Nadat hij zijn lezers trakteerde op een rijke bespiegeling op de herkomst van de christelijke Sint-Nicolaas, het ontstaan van de gebruiken in het feest en de wijze waarop Sint-Nicolaas verscheen in ons land, meende hij dat daarmee het onderzoekswerk wel zo’n beetje rond was. Toch hield hij een deurtje open voor diegenen die in navolging van zijn werk wellicht nog nieuw licht wilden werpen op de geschiedenis van Sint-Nicolaas:

“Misschien voelt zich de een of ander opgewekt, om op het door ons ingeslagen spoor verder voort te gaan, en zijne krachten aan de toelichting van hetgeen nu nog duister gebleven is te beproeven.”

Titelblad van Van Hengel's onderzoek
Titelblad van Van Hengel’s onderzoek (Afbeelding: Boek)
Verscheidene onderzoekers van de volkscultuur publiceerden vervolgens uiteenlopende werken waarin de oorsprong en het vieren van het Sint-Nicolaasfeest op een rij werden gezet. Met veelal de constante onderliggende vraag: “wie is toch St. Nikolaas en waar is de oorsprong van dit feest toch te vinden?”, zoals het Leidsch Dagblad zich dat ook afvroeg in de decemberuitgave van 1860:

“Wie is die Heilige Klaas toch, die alle gemoederen zoo in beweging zet en wiens naam met deze jaarlijkse kindervreugde zoo nauw is verbonden?”

Sint-Nicolaas als een sprookje?

De antwoorden op die vragen liepen in de negentiende eeuw nog best sterk uiteen, maar tonen nu vooral nog aan hoe het Sint-Nicolaasfeest telkens een spiegel bleek te zijn van een tijdgeest. Een tijdgeest die na de Verlichting ook sterk werd beïnvloed door de Romantiek. Waarbij men in toenemende mate van mening was dat het feest duidelijke overeenkomsten vertoonde met voor-christelijke aspecten uit de Wodan-cultus. Hoewel men later, in de twintigste eeuw, deze Germanen-theorie gaandeweg weerlegde, wegens onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing, was deze in de tweede helft van de negentiende eeuw nog springlevend en vond men in Sint-Nicolaas een basis voor ‘een sprookjesverhaal’.

In Sprookjes in waarheid en verbeelding (1884) stond Sint-Nicolaas dan ook vermeld tussen Roodkapje, Klein Duimpje en de Rattenvanger van Hamelen. Dit boekje had tot doel uitleg te geven over de betekenis en de oorsprong van oude sprookjes, die volgens de schrijfster van het boekje veelal in oorsprong oude volkssagen waren en was dat bij Sint-Nicolaas ook niet het geval? Want de oude god Wodan had immers “onder de doorzichtige vermomming van den bisschop van Myra tot onze dagen voortgeleefd”, zo meende zij.

Verzet tegen christelijke oorsprong

Met name in de jaren 1896-1898 woedde de discussie over de al dan niet Germaanse herkomst van het Sint-Nicolaasfeest op zijn hevigst. De laatste jaren van de negentiende eeuw mogen gerust gezien worden als ‘de Sinterklaasdiscussie van de 19e eeuw’. Vrijwel het gehele jaar stonden in diverse kranten uiteenlopende artikelen en ingezonden brieven over de pennenstrijd tussen drie katholieke auteurs. Zij dachten zeer verschillend over de oorsprong van ‘hun’ Sint-Nicolaas en de gebruiken van het feest.

Eelco Verwijs
Eelco Verwijs (Afbeelding: Boek)
Aan de basis van die discussie lag een ruim dertig jaar eerder uitgegeven werk van Eelco Verwijs (1830-1880). Die publiceerde in 1863 een uitgebreid boekwerk, getiteld De Christelijke feestdagen. Eene bijdrage tot de kennis der germaansche mythologie. Hij beschreef hierin zijn visie op het ontstaan van het Sint-Nicolaasfeest en streefde ernaar om de inzichten, die reeds in Duitsland waren verworven, “ten nutte van den beschaafden lezer hier te ontginnen, en de ruwe grondstof zoo mogelijk in een enigszins behagelijken vorm te gieten.” Verwijs zette daarvoor in zijn inleiding al de toon:

“Volksoverleveringen, volksgebruiken, volks- en kinderliederen, ze bevatten toch dikwerf de kiem der oud-Germaansche wereldbeschouwing, en als zodanig mogen we ze niet verwaarlozen noch met geringachtend schouderophalen beschouwen.”

Hij vervolgde zijn betoog met een uitleg over de kerstening van de Germaanse volkeren, waardoor het christendom uiteindelijk de bepalende godsdienst is geworden. Hij zette met zijn werk ook een trendbreuk in gang rond de heersende overtuiging dat Sint-Nicolaas bezien moest worden vanuit een louter christelijke oorsprong. Hoogleraar en predikant Van Hengel had dat zo’n dertig jaar eerder immers nog inhoudelijk uitgewerkt. Verwijs echter had ondanks of dankzij een studie theologie een sterke afkeer gekregen van het christendom en de Kerk. Dit vormde, anders dan bij Van Hengel, zijn beeld. Hij wees zijn tijdgenoten erop dat Sint-Nicolaas zich door de eeuwen heen op een wijze had vertoond, die volstrekt niet aansloot bij de legenden over de heilige Nicolaas van Myra:

“Doch hoe dat geraas en gestommel, dat gerammel van ketenen, die gruwelijke vermomming, die holle stem, dat bullebakkige en wat men al niet verschrikkelijks voor het kinderhart kan uitdenken, hoe dat te rijmen met de rol van goed heilig man waarmede het kinderlijk gezang hem telkenjare begroet; hoe ons te verklaren die vreesaanjagende attributen, die zoo slecht voegen bij den liefelijken stralenkrans, waarmede de kerk het hoofd van den heiligen Nikolaas als kindervriend heeft versierd?”

“In ‘Sprookjes in waarheid en verbeelding’ (1884) stond Sint-Nicolaas dan ook vermeld tussen Roodkapje, Klein Duimpje en de Rattenvanger van Hamelen.”

Verwijs trok die constatering in één lijn door naar de uitbeelding van Wodan en de inhoud van Germaanse winterfeesten, waar de achttiende en negentiende-eeuwse volksvoorstellingen van Sint-Nicolaas en zijn feest volgens hem op gebaseerd waren. Sint-Nicolaas die te paard door de lucht raasde zou immers niemand anders kunnen zijn dan Wodan die op zijn achtbenige paard Sleipnir door de lucht zweefde. Wodan was tevens de aanvoerder van een dodenleger en dat verklaarde het geraas en gerammel in het Sint-Nicolaasfeest. Sint-Nicolaas’ kleding zou ook sterke gelijkenis tonen met die van Wodan. Nicolaas droeg namelijk een mijter en Wodan een hoge muts. De speer van Wodan leek sterk op de staf van Sint-Nicolaas. Meer nog:

“Wodan was in het bezit van een wonderdoenden mantel waarmede hij door de lucht kon rijden en dien hij als de bevrediger van de wenschen der stervelingen omhing daar hij als Wenschgod bijzondere vereering genoot. Welnu keert diezelfde trek niet weer in ons kinderrijmpjen ‘Sint Niklaas goedheilig man, trek je besten tabbaard ân, rijd er mee naar Amsterdam, van Amsterdam naar Spanje.’”

Tegen het zere, katholieke been

Advertentie voor het boekje van Joës a Leydis
Advertentie voor het boekje van Joës a Leydis (Afbeelding: Boek)
Niet iedereen was enthousiast over Verwijs’ boekwerk. Vooral binnen de meer conservatief-katholieke kringen formeerde zich de tegenstand. Tegen het einde van de negentiende eeuw liet iemand, die publiceerde onder het pseudoniem Joës a Leydis, stevig van zich horen. Hij zette alle bevindingen rond Sint-Nicolaas vanaf Van Hengel nog eens op een rij. Dat deed hij voor het eerst in een artikel in de katholieke krant De Tijd van 7 december 1896, met een aanvullende bijdrage in de editie van 21 december 1896. Dit als een reactie op het commentaar dat werd geuit op zijn eerste publicatie. Hij schreef vervolgens in 1897 een boekwerk onder de titel Sint-Nicolaas, zijn feest en gebruiken, waarin hij met de titel van zijn eerste hoofdstuk gelijk ‘de vraag van de eeuw’ poneerde “Heidensch of christelijk”? Deze vraagstelling werd vervolgens nadrukkelijk in 1898 bediscussieerd binnen de rooms-katholieke kringen.

Het motief van Joës a Leydis was overduidelijk: de overtuiging tenietdoen dat Sint-Nicolaas terug te voeren was op een uitgesproken heidense oorsprong. Het was hem een doorn in het oog dat uiteenlopende Nederlandse schrijvers beweerden dat alle christelijke feesten bezien moesten worden door de bril van het heidendom. Deze schrijvers volgden volgens hem het spoor van de calvinistische schrijvers uit de zestiende en zeventiende eeuw, die alles rond Sint-Nicolaas afdeden als bijgeloof. Het waren in zijn ogen vooral de overwegend liberale dagbladen die, tegen het einde van de negentiende eeuw, die laster opnieuw beweerden en die zich met de tijd vervreemd hadden van de katholieken. Hoewel Joës a Leydis ook geen hoge pet op had van het onderzoekswerk van Van Hengel, laakte hij toch voornamelijk de manier waarop schrijvers als Verwijs de goede kanten uit het werk van Van Hengel steeds probeerden teniet te doen:

“Is er bij uitzondering een, zoals bijv. prof. Van Hengel, die, hoewel niet voorgelicht door de fakkel des geloofs, der waarheid nabij komt, dan staat dadelijk een dr. Eelco Verwijs klaar om het te betreuren.”

Herrie in de katholieke kerk

Het zal vermoedelijk een optelsom van uitwerkingen door Joës a Leydis geweest zijn, die juist bij anderen de spreekwoordelijke emmers deden overlopen. Want hoezeer Joës a Leydis zijn katholieke heilige Nicolaas ook verdedigde ten opzichte van schrijvers als Verwijs, binnen zijn eigen katholieke kring konden zijn strijdvaardige standpunten niet enkel op waardering rekenen. Twee vooraanstaande katholieke geleerden, Gisbert Brom (1864-1915) en Joseph Schrijnen (1869-1938) dienden Joës a Leydis uitvoerig van inhoudelijke repliek. Zij stoorden zich primair aan de in hun ogen amateuristische onderbouwing van zijn historische ‘feiten’. Maar tevens om zich door Joës a Leydis, ‘uit naam der katholieke kerk’, niet buitenspel te laten zetten. De katholieke emancipatie van de negentiende eeuw was gebaat bij bijdragen van hoger wetenschappelijke aard en niet bij dilettante schrijfsels onder een pseudoniem en gebaseerd op een onzekere geschiedkundige basis. Hoezeer de auteur zich ook had ingezet voor de katholieke zaak…

Gisbert Brom
Gisbert Brom (Afbeelding: Boek)
In de kern ontkende Brom het bestaan van de heilige Nicolaas als bisschop van Myra niet. Daar waar Joës a Leydis zichzelf in staat achtte een vrij uitvoerige levensgeschiedenis van Sint-Nicolaas te kunnen leveren, bleef Brom in dat opzicht veel terughoudender. Hij probeerde vooral te achterhalen wat historisch gezien vaststond en alleen datgene als uitgangspunt te nemen voor de herkomst van Sint-Nicolaas en zijn feest. Het enige dat volgens Brom historisch gezien vaststond, was dat Nicolaas in de vierde eeuw bisschop was in Myra en mogelijk deelnam aan het concilie van Nicea. Anders dan Joës a Leydis moest men volgens Brom de Nicolaas-legenden niet als loutere waarheid aanmerken en dus ook niet gebruiken als bouwstenen voor Nicolaas’ biografie. Wat volgens Brom niet wegnam, dat die legenden hem zeer dierbaar waren, zoals verwoord in De Katholiek van 1897-1898:

“Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom groeien ze welig als het altoos groenen klimop. Een frisse geur van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen. En wanneer dat loofwerk prijkt om de beeltenis van een eerbiedwaardige Heilige, dan lijkt het bijna heiligschennis, er onbarmhartig het snoeimes in te zetten.”

Broms publicatie in De Katholiek leidde uiteraard weer tot een tegenreactie van Joës a Leydis. In een naschrift bij een artikel in De Tijd van 6 januari 1898 schreef Joës a Leydis dat hij de “alles behalve malsche” kritiek van Brom gelezen had. Hij was evenwel van mening dat Brom hem toch bijviel in zijn argumentatie. Brom had namelijk beweerd dat “niet de christelijke feesten – die hebben grond van bestaan genoeg reeds in zich zelve alleen – maar enige daaraan verbonden gebruiken ontlenen hun oorsprong aan de afgodische feesten en gewoonten van onze heidensche voorouders”. Waarop Joës a Leydis op zijn beurt kon betogen dat als het slechts om enige gebruiken ging, het de vraag was of die dan nog altijd voortleefden in het Sint-Nicolaasfeest? Die vraag zou Joës a Leydis beantwoorden in zijn slotartikel, dat hij voornemens was over deze kwestie te schrijven. Voor het zover was, zal eerst nog een andere auteur zijn visie schetsen.

Jos Schrijnen
Jos Schrijnen (Afbeelding: Boek)
Dat is Joseph Schrijnen, leraar aan het Bisschoppelijk College te Roermond die in mei 1898 zich in de discussie mengt. Van zijn hand verscheen De H. Nicolaas in het folklore. Er lagen toen maar liefst drie stevige traktaten voor rond de kwestie of de oorsprong van Sint-Nicolaas en zijn feest heidens of christelijk was? In het Venloosch Weekblad van nota bene 14 mei 1898 werd het werk van Schrijnen gunstig beoordeeld. Wat eens te meer liet zien dat dit onderwerp in het voorjaar van 1898, ver voor of na het Sinterklaas-seizoen, een serieuze aangelegenheid geworden was!

In essentie lag de overtuiging van Schrijnen inhoudelijk dicht bij Brom. Voor Schrijnen was het goed te verdedigen dat er onder de katholieken óók folkloristen waren, die betoogden dat ook niet-christelijke aspecten een belangrijk onderdeel waren van het volksfeest rond Sint-Nicolaas en dat volksgebruiken en volksvoorstellingen die niet direct terug te voeren waren op de Goedheiligman er deel van uitmaakten. Wat voor Schrijnen dan weer niet betekende dat het Sint-Nicolaasfeest uitgelegd mocht worden als een feest van louter Germaanse oorsprong:

“En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt.”

Advertentie voor 'Een boekbeoordeling?'
Advertentie voor ‘Een boekbeoordeling?’ (Afbeelding: Boek)
Na Schrijnens publicatie vlamde de discussie tussen met name Brom en Joës a Leydis weer op. Laatstgenoemde nam wederom de pen ter hand en zo verscheen medio mei 1898 een nieuw boekwerk, getiteld Een boekbeoordeling?, waarin hij het, reeds in De Katholiek geuite commentaar van Brom op zijn Sint-Nicolaas, zijn feest en gebruiken verder van repliek diende. Pas in 1899 eindigde deze discussie enigszins, nadat de gezaghebbende Bollandisten de bovenbeschreven publicaties van Joës a Leydis, Brom en Schrijnen bestudeerd hadden. Zij stelden Joës a Leydis in het ongelijk in de Roermondse Maas- en Roerbode:

“Wij meenen dat thans, door een tweevoudige en bij uitstek gezaghebbende uitspraak, als die der geleerde Bollandisten in de quaestie ongetwijfeld is, dat de polemiek met Joës a Leydis voor eens en voorgoed afgedaan heten mag.”

‘Vraag van alle eeuwen’

De bisschop, de boeman en de beloner - Roelof-Jan de Wild
De bisschop, de boeman en de beloner – Roelof-Jan de Wild
De discussie over de heidense of christelijke oorsprong van Sint-Nicolaas was daarmee niet beslist. In tegendeel, zij heeft nog lang aangehouden. De Duitser Karl Meisen voegt in 1931 zijn uitgesproken visie over de louter christelijke oorsprong toe aan deze discussie. Hoewel er parallellen zijn met oud-Germaanse gewoonten, zijn deze te verwaarlozen. De oorsprong moest volgens Meisen vooral gezocht worden bij de bron zelf, het leven van Nicolaas van Myra. “Zoveel folkloristen, zoveel meningen”, vatte Het Volk deze negentiende-eeuwse kwestie samen in de editie van 4 december 1943. Tot op de dag van vandaag is deze discussie niet verstomd en verschijnen er tal van publicaties van de wederzijdse pleitbezorgers

~ Roelof-Jan de Wild

Boek: De bisschop, de boeman en de beloner
Ook interessant: Geschiedenis van de Zwarte Piet-kritiek
…of: Zwarte Sinterklaas in Indonesische context

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Bekijk meer over:

Tip, Volksverhalen en volkscultuur, Voorpublicaties

Categorieën

Vorige verhaal

Het ontstaan van de rijks hogere burgerschool (rhbs)

Volgende verhaal

Parijs in de Middeleeuwen