‘Gloire au 17ème’ – Opstand en muiterij in Zuid-Frankrijk

Protest van wijnboeren in ‘le Midi’
11 minuten leestijd
Demonstranten op de Place de la Comédie in Montpellier.
Demonstranten op de Place de la Comédie in Montpellier. (Foto Wiki, publiek domein)

In Nederland vrijwel onbekend, maar de Fransen weten het nog goed. In 1907 stond ‘le Midi’, althans de grote zuidelijke wijnbouwregio Languedoc-Rousillon, in vuur en vlam. Letterlijk soms. En er vielen doden. Maar manschappen van het 17e regiment infanterie weigerden te schieten op het opstandige volk. Dat hielp om de regering-Clémenceau te laten zwichten voor eisen van de oproerlingen.

Van februari tot en met juni 1907 was Languedoc-Rousillon het toneel van ongekende sociale woelingen. De crisis in het enorme wijnbouwgebied werd wel ‘la révolte des gueux’ (de opstand der armoedzaaiers) genoemd. In Nederland klinkt dat bekend. Toen op 5 april 1566 een delegatie van lage edelen een smeekschrift aanbood aan Margaretha van Parma, landvoogdes in de Nederlanden, smaalde haar raadgever Karel van Berlaymont:

“N’ayez pas peur Madame, ce ne sont que des geuex.” (Wees niet bang Mevrouw, het zijn maar armoedzaaiers)

Trots noemden opstandelingen zich daarna Geuzen. En dáár komt dan weer het begrip ‘geuzennaam’ vandaan. Maar terug nu naar Frankrijk. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de wijnbouw in Languedoc-Roussillon geplaagd door allerlei plantenziektes, veroorzaakt door beestjes en schimmels, zo meldt een lang lemma over de troebelen van 1907 op de Franse versie van Wikipedia. Uiteindelijk werd die ellende overwonnen.

De wijn uit het zuiden moet niets hebben van de suiker uit het noorden. Wie deze tekening maakte, is onbekend.
De wijn uit het zuiden moet niets hebben van de suiker uit het noorden. Wie deze tekening maakte, is onbekend. (Illustratie Wiki, publiek domein)
Vervolgens kregen de kleine wijnboeren echter te maken met praktijken waaraan, naar het schijnt, vooral de grote wijnhuizen zich bezondigden. Die grote wijnhuizen waren vaak gefinancierd met geld uit de industrie en de financiële wereld. Ze gingen zich te buiten aan de productie van nep-wijn. Zo werd het alcoholpercentage na een oogst van matige tot slechte druiven opgevoerd met behulp van veel te grote hoeveelheden suiker en werd het aantal hectoliters opgekrikt door wijn te versnijden met water. De Franse overheid deed er niets tegen. En dan was er ook nog te veel wijn op de Franse markt, niet alleen door eigen productie (ook in Languedoc-Rousillon), maar ook door aanzienlijke aanvoer van wijn uit Algerije. In Spanje en Italië was trouwens eveneens sprake van overproductie.

Aanvoer van wijn uit Algerije in de Zuid-Franse haven van Sète.
Aanvoer van wijn uit Algerije in de Zuid-Franse haven van Sète. (Foto Wiki, publiek domein)

Om de moeilijkheden het hoofd te bieden sloten kleine wijnboeren zich aaneen. Zo richtten 128 wijnboeren in Maraussan (bij Béziers) in december 1901 de eerste coöperatie op. Ze lieten een gebouw neerzetten waar ze wijn maakten. De socialist Jean Jaurès, geboren in het zuidelijke Castres, vond dat prachtig. “Maak in de tank van de republiek de wijn van de sociale revolutie”, hield hij de leden van de coöperatie voor. Hij zei het niet in het Frans trouwens, maar in de streektaal, het Occitaans:

“Dins la tina de la Republica, preparatz lo vin de la Revolucion sociala.”

De overproductie liet zich daarmee echter niet bestrijden. Door slecht weer waren de druivenoogsten in 1902 en 1903 vrij klein, wat leidde tot prijzen van 16 tot 24 franc per hectoliter (100 liter) wijn. De oogsten gedurende de jaren daarna waren veel groter en drukten door het grote aanbod de prijs voor de boeren tot 6 á 7 franc per hectoliter. De wijnplas was zo enorm dat er soms bizarre maatregelen werden genomen om er vanaf te komen. In bars werd wel ‘wijn per uur’ geschonken. Voor een vast bedrag kreeg de klant gedurende een uur net zo veel wijn als hij wilde (of aankon).

Om de belangen van de kleine wijnboeren te behartigen werd in 1905 het Regionale Comité ter Verdediging van de Wijnbouwbelangen van de Midi opgericht. Het parlement hield zich echter doof voor een petitie die vroeg om maatregelen tegen de nep-wijn producerende ‘vergiftigers’. Ook het dreigement dat de boeren zouden stoppen belasting op wijn te betalen maakte geen indruk. Initiatiefnemer van de petitie was Marcelin Albert (1851-1921), zelf kleine wijnboer annex caféhouder in Argeliers (ten noorden van Narbonne).

Enkele leden van het Comité d’Argeliers. Geheel links Marcelin Albert.
Enkele leden van het Comité d’Argeliers. Geheel links Marcelin Albert. (Foto Wiki, publiek domein)
De crisis diende zich in volle omvang aan in 1907. Niet alleen kleine wijnboeren die hun inkomen zagen verschrompelen waren de dupe. Landarbeiders werden werkloos, winkeliers en ambachtslieden leden eronder dat in de regio minder geld werd uitgegeven. De wijnbouwsector was in Langedoc-Rousillon zo groot dat de crisis vrijwel de hele regionale economie meesleepte.

Belastingstaking

De eerste actie vond plaats in februari 1907. In het kleine Baixas bij Perpignan werd een belastingstaking afgekondigd. In maart richtten wijnboertjes in Argeliers het Comté ter Verdediging van Wijnbouwbelangen ofwel het Comité d’Argeliers op. Initiatiefnemers: de al genoemde Marcelin Albert plus Elie Bernard. Vanuit Argeliers liepen 87 wijnboeren de ruim twintig kilometer naar Narbonne om daar met bestuurders te spreken. Het leidde tot niets, maar het was wel het startsein van wat zou uitlopen op heel grote sociale ophef.

De lijn die Albert daarbij uitzette, was dat het enkel en alleen moest gaan over de strijd voor goede, natuurlijke wijn. Vermenging met andere belangen wilde hij niet. Geen gepacteer met regionale separatisten, niet met arbeidersstrijd in het algemeen, niet met de wensen van koningsgezinden. Het belang van de kleine wijnboer, dáár moest het om gaan.

Het eerste nummer van het weekblad Le Tocsin.
Het eerste nummer van het weekblad Le Tocsin. (Foto Archives municipales de Narbonne, publiek domein)
De eerste manifestatie, op 24 maart in Sallèles d’Aude, was nog klein: 300 belangstellenden. Besloten werd voortaan iedere zondag in een andere plaats een bijeenkomst te houden. Die groeiden als kool. Op 21 april waren er al tegen de 15.000 mensen bijeen in Capestang. Die dag werd zelfs een speciaal voor deze beweging bedoeld weekblad gelanceerd, le Tocsin (De Noodklok). In het eerste nummer werd gepleit voor een wet tegen fraude met wijn.

Wat betreft aantal demonstranten werd op 9 juni het hoogtepunt bereikt in Montpellier (destijds een stad met zo’n 77.000 inwoners). Er kwamen 600.000 tot 800.000 mensen opdraven. Hun politieke achtergrond liep sterk uiteen, noteerde het Franse weekblad Le Point in 2007: van radicale socialisten tot conservatieve koningsgezinden. Ernest Ferroul, socialist en burgemeester van Narbonne, riep de burgemeesters in heel de regio op hun ontslag in te dienen. Bisschop Anatole de Cabrières stelde zijn kathedraal en alle katholieke kerken in zijn bisdom open voor mannen, vrouwen en kinderen die een slaapplaats nodig hadden.

Twee dagen later, 11 juni, maakte Ferroul zijn eigen ontslag als burgemeester van Narbonne bekend vanaf het balkon van het stadhuis: “Burgers, mijn macht ontleen ik aan u, ik geef die aan u terug. De gemeentelijke staking begint.’’ Binnen een week traden in de regio 442 gemeentebesturen af, daarna nog meer, tot het er 600 waren. In Parijs snapte minister-president Georges Clémenceau (1841-1929) dat het menens werd en gaf een minister opdracht met Ferroul te onderhandelen. Maar Ferroul gaf geen krimp:

“Wie drie miljoen mensen achter zich heeft, onderhandelt niet.’’

Begrafenis van de slachtoffers die op 20 juni vielen in Narbonne.
Begrafenis van de slachtoffers die op 20 juni vielen in Narbonne. (Foto Wiki, publiek domein)

Op 17 juni stuurde de regering 25.000 infanterie-soldaten en 8.000 ruiters naar de opstandige regio. Op 19 juni om 4 uur ’s morgens werd Ferroul thuis gearresteerd. Ook alle leden van het Comité d’Argeliers stonden op de nominatie te worden opgepakt. Narbonne was de hele dag het toneel van incidenten, op straat werden barricades opgeworpen. Die avond schoot de cavalerie op een menigte. Twee doden, onder wie een jongen van 14.

In alle vier betrokken departementen (Gard, Herault, Aude en Pyrénées-Orientales) was de reactie furieus. Wijnboeren vielen politieposten aan en bestuursgebouwen van prefecten en onder-prefecten. In Perpignan werd de volgende dag de prefectuur in brand gestoken. In Narbonne schoten soldaten op het volk. Vijf doden ditmaal.

Wijnboeren en winkeliers demonstreren in Perpignan.
Wijnboeren en winkeliers demonstreren in Perpignan. (Foto Wiki, publiek domein)

Het 17e regiment

Ook het 17e regiment infanterie, recent overgeplaatst van Béziers naar Agde, hoorde van het bloedbad. Het was een regiment met traditie, opgericht in 1597 als Regiment van Auvergne en in revolutiejaar 1791 omgevormd tot 17e Regiment. Het bestond in 1907 uit reservisten en dienstplichtigen die uit de oproerige streek zelf kwamen. Zo’n vijfhonderd manschappen van de 6e compagnie besloten van Agde terug te marcheren naar Béziers. In een herdenkingsartikel meldde het Franse blad Force Ouvrière op 21 juni 2007 dat ze eerst in Agde wapens aan de bevolking hadden gegeven. Dat kan zijn, maar bevestiging daarvan heb ik niet gevonden.

Muitende militairen van het 17e Regiment Infanterie op de Allées Paul Riquet in Béziers.
Muitende militairen van het 17e Regiment Infanterie op de Allées Paul Riquet in Béziers. (Foto Wiki, publiek domein)
De volgende ochtend vroeg arriveerden de muiters in Béziers. Ze installeerden zich op straat op de Allées Paul Riquet en lieten de andere troepen in de stad blijken dat zij weigerden op het volk te schieten. Verbroedering met de stadsbevolking volgde. De soldaten kregen eten en drinken (wijn).

Een en ander verontrustte de regering-Clémenceau zeer. Nadat ze was verzekerd dat geen individuele straffen zouden worden uitgedeeld, werden de muiters afgevoerd. Via diverse tussenstations belandden ze in Tunesië. Er zijn verhalen dat muiters in de Eerste Wereldoorlog expres naar gevaarlijke posities in de voorste linies zijn gestuurd en relatief vaak sneuvelden. De Franse onderzoeker Jules Maurin (‘1907, les mutons de la République: la révolte du Midi viticole’. Toulouse, 2007) heeft aangetoond dat dat niet waar is.

Montpellier, 9 juni 1907. Marcelin Albert gaat op de schouders.
Montpellier, 9 juni 1907. Marcelin Albert gaat op de schouders. (Foto Wiki, publiek domein)
Op 22 juni kondigde Clémenceau het einde van de muiterij aan en kreeg hij bij een vertrouwensvotum de steun van de meerderheid in het parlement. Wel vond het parlement het verstandig meteen de volgende dag aan een eis van de wijnboeren tegemoet te komen. Er werd een wet aangenomen tegen overmatig suikergebruik bij de bereiding van wijn.

Marcelin Albert

Marcelin Albert nam intussen een curieus initiatief. Hij reisde naar Parijs en kreeg Clémenceau te spreken. Deze beloofde fraude in de wijnsector tegen te gaan. In ruil daarvoor moest Albert beloven in het zuiden de gemoederen tot bedaren te brengen en zich als arrestant te melden. Clémenceau gaf hem een bankbiljet van 100 franc voor de treinreis naar huis.

Terug in Argeliers bleek Albert het bij zijn makkers volkomen te hebben verkorven. Ze vertrouwden hem voor geen cent meer. Nadat hij zich als arrestant bij de politie had gemeld en voor zijn eigen veiligheid een poosje vast had gezeten, nam hij de wijk naar Algerije. Aan het eind van zijn leven keerde hij terug naar Argeliers, waar hij in 1921 eenzaam en arm overleed.

Nieuwe wetten

Wijn wordt in de Eerste Wereldoorlog uitgedeeld in een loopgraaf
Wijn wordt in de Eerste Wereldoorlog uitgedeeld in een loopgraaf. (Foto Wiki, publiek domein)
Eind juli en in augustus 1907 nam het parlement in Parijs wetten aan waarmee tegemoet werd gekomen aan eisen van de rebellerende wijnboeren. Voor de jaren 1904 tot en met 1906 werden ze bovendien vrijgesteld van belasting op wijn. En op 21 oktober 1907 werd een anti-fraudedienst ingesteld die gesjoemel met wijn moest tegengaan. Organisatoren van het zuidelijke verzet werd in 1908 gratie verleend.

Aan de overproductie van wijn was echter nog niets gedaan. Tijdelijk vond de Franse regering gedurende de Eerste Wereldoorlog wel een uitweg. Toen duidelijk was dat de oorlog wel eens lang kon duren, werd militairen te velde een rantsoen van een kwart liter wijn per persoon per dag toegeschoven. In 1916 werd dat opgevoerd tot een halve liter en in januari 1918 zelfs tot driekwart liter per dag.

Maar toen de oorlog voorbij was en die rantsoenen ook, kwam de druk van de overproductie terug. Verbetering kwam pas toen in de jaren twintig het Kanaal van de Bas-Languedoc werd gegraven. Het voerde water van de Rhône aan dat voor irrigatie kon worden gebruikt. Daardoor kon een deel van de wijngaarden worden omgezet in grond voor andere agrarische doeleinden. Het wijnbouw-areaal werd kleiner en de overproductie beperkt. Pas in de jaren zeventig van de twintigste eeuw verdwenen de crisisverschijnselen helemaal. Dat kwam door de invoering van het ‘label’ vin de pays (landwijn). Inferieure wijn werd uit de markt gedrukt, de betere kwaliteit juist beschermd.

‘Gloire au 17éme’

Zanger Montéhus
Zanger Montéhus (Foto Wiki, publiek domein)
Zoals gemeld is de opstand uit 1907 in Frankrijk nog niet vergeten. Wat heeft geholpen is het lied ‘Gloire au 17éme’ (Hulde aan het 17e), het regiment waarvan zo’n vijfhonderd manschappen besloten niet op de eigen bevolking te schieten. Dat lied is in 1907 geschreven (en gezongen) door Montéhus, de muziek is van Raoul Chantegrelet en Pierre Doubis. ‘Ouwe meuk’, denkt u wellicht. Maar in het boekje Jaurès. La Parole et l’acte (Parijs, 1994) over de socialist Jean Jaurès, hierboven geciteerd, noteerde historica Madeleine Rebérioux:

“In heel de Midi zingt men nog deze hymne over de revolte van de wijnboeren in 1907’’.

De jongste opname van ‘Gloire au 17éme’ dateert trouwens van 2003 (door Yves Daunès). Zanger Montéhus heette eigenlijk Gaston Mardochée Brunswick (1872-1952), maar het leek hem beter die op zijn joodse afkomst duidende naam te vervangen door een pseudoniem. Hij stamde uit een welvarend gezin, maar koos ervoor te zingen tegen oorlog, kapitalistische uitbuiting, prostitutie, armoede en religieuze hypocrisie.

Voor het lied ‘La grève des mères’ (De staking van de moeders) tikte een rechter hem in oktober 1905 op de vingers (een straf heb ik niet kunnen achterhalen) wegens ‘aanzetten tot abortus’. ‘La grève des mères’ is een anti-militaristisch lied, waarin Montéhus zich richtte tot vrouwen.

‘Femmes debout, femmes á l’ouvrage / Il faut sauver l’Humanité’ (Ontwaakt vrouwen, vrouwen aan de slag / De Mensheid moet worden gered)

Waarover de rechter viel, waren vooral deze regels:

‘Refuse de peupler la terre / Arrête ta fécondité / Déclare la grève des mères (. . .) Nous n’voulons plus pour votre gloire / Donner la chais de nos petits!’ (Weiger de aarde te bevolken / Stop je vruchtbaarheid / Roep de staking van de moeders uit (. . .) We willen niet meer voor uw glorie / Het vlees van onze kleintjes geven!)

Dat hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog patriottisch achter het Franse vaderland zou scharen lag nog in de schoot der toekomst. In 1907 was het eigenlijk wel logisch dat Montéhus zich bezig hield met de revolte in het zuiden. Bijgaand het eerste couplet en het refrein van ‘Gloire au 17ème’ (met daarbij een vertaling):

Franse tekstVertaling
‘Légitime était votre colère,
Le refus était en grande foi.
On ne doit pas tuér ses père et mère,
Pour les grands qui sont au pouvoir.
Soldats, votre conscience est nette,
On ne se tue pas entre français.
Refusant d’rougir vos baionettes
Petits soldats, oui, vous avez bien fait.’
(Jullie woede was terecht,
De weigering was in groot vertrouwen.
Men mag zijn vader en moeder niet doden,
Voor de groten die aan de macht zijn.
Soldaten, jullie geweten is zuiver,
Fransen doden elkaar niet.
Door te weigeren jullie bajonetten rood te maken
Kleine soldaten, ja, hebben jullie het goed gedaan.)
‘Salut, salut à vous,’
Braves soldats du 17ème;
Salut, salut, braves pioupious
Chacun vous admire et vous aime;
Salut, salut à vous,
A votre geste magnifique;
Vous auriez, en tirant sur nous,
Assassiné la République.’
(Gegroet, gegroet jullie,
Dappere soldaten van het 17e;
Gegroet, gegroet, brave zandhazen
Iedereen bewondert en houdt van jullie;
Gegroet, gegroet jullie,
Met jullie prachtige gebaar;
Jullie zouden, door op ons te schieten,
De Republiek hebben vermoord.)

Bijzonder is dat van Montéhus zelf nog een opname van dit lied bestaat:

Het nadeel is dat hij door de gebrekkige kwaliteit van de opname moeilijk te verstaan is. Daarom ook deze versie, waarin Marc Ogeret met hetzelfde lied te beluisteren is:

Geheel tot slot nog een aardig weetje. Montéhus en Lenin (de Russische revolutionair Vladimir Iljitsj Oeljanov) hebben elkaar gekend. Tijdens zijn ballingschap in Frankrijk (1909-1912) zag de Rus Montéhus optreden. In die jaren hield Lenin ook een aantal voordrachten. Om publiek te trekken, zong Montéhus op Lenins verzoek enkele liederen, waarna de revolutionaire Iljitsj voor zijn uiteenzettingen meer toehoorders had dan er zonder de Franse zanger zouden zijn geweest.

P.S. Deze bijdrage is geschreven onder het genot van enkele glazen Côtes de Gascogne, witte wijn uit een streek ten westen van het in 1907 opstandige gebied. Van belangenverstrengeling is dus geen sprake.

~ Ronald Frisart

Ook interessant: Morgenwijnen. Een stevig elf-uurtje
…of: Gamay – De verboden druif van de Bourgogne

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

Parijs in de Middeleeuwen

Hierna verschenen

Joséphine Baker (1906-1975) – Franse artieste, spionne en activiste

0
Reageren op dit bericht?x