Week van de koloniale geschiedenis
Dark
Light

Hoe Amsterdam met Benno Premsela (1929-1997) uit de kast kwam

Amsterdam, een roze geschiedenis – Monique Doppert
5 minuten leestijd
'GayVB'-tram in regenboogkleuren op de Dam in Amsterdam, 2017
'GayVB'-tram in regenboogkleuren op de Dam in Amsterdam, 2017 (CC BY-SA 4.0 - Eriksw - wiki)
Amsterdam staat al jaren bekend als een tolerante stad met een bloeiende homogemeenschap. In de jaren negentig was Amsterdam zelfs Gay Capital of the World. Deze vrijheden zijn echter niet zonder slag of stoot verkregen. Het deze week verschenen Amsterdam, de roze geschiedenis (Boom) beschrijft de geschiedenis van homoseksuele mannen en vrouwen in de hoofdstad: van heimelijke homoseksuele praktijken in kroegen en krochten aan het begin van de twintigste eeuw via de eerste stapjes van de homo-emancipatie naar de bloei van een provocatieve subcultuur vanaf de jaren zeventig en de openstelling van het huwelijk in 2001. Op Historiek een fragment uit het boek, over de jaren zestig, toen homoseksualiteit voor het eerst bespreekbaar werd en het COC onder voorzitter Benno Premsela een andere koers ging varen.


1960-1970, de kastdeuren gaan open

In de jaren zestig sloot Nederland de zogenoemde periode van wederopbouw af. De welvaart steeg maar de woningnood bleef schrijnend. Er kwam meer geld op de plank, ook bij de overheid, mede dankzij de ontdekking van een groot gasveld bij Slochteren. Met de baten uit dit aardgas financierde Nederland de opbouw van een verzorgingsstaat. Nederland werd welvarender: de telefoon, de auto, de koelkast en de televisie deden hun intrede in het dagelijks leven. Vooral door de introductie van de televisie veranderde veel, zelfs de standaardinrichting van de huiskamer werd ervoor omgegooid. Daarvoor was de eettafel met de lamp erboven het middelpunt van de huiskamer. Met de komst van de televisie werd dat het bankstel gericht op het toestel. Tegen deze achtergrond won ook de populaire jongerencultuur aan kracht. Daar stond de rondvaart van de Beatles door de Amsterdamse grachten in juni 1964 symbool voor, met dolenthousiaste fans op de kades en in het water.

‘De hoofdstad was anders, dáár kon steeds meer’

Het onderwerp homoseksualiteit werd langzaamaan bespreekbaar. Ook in de katholieke en protestantse pers verschenen artikelen waarin pastoraal werkers en wetenschappers spraken over homoseksuelen als hun ‘homofiele medemensch’ die ondersteuning en zorg nodig had om uit zijn of haar isolement te komen, zodat ze ‘normale’ burgerlijke levens konden leiden.

De seksuele moraal veranderde, het was de bloeitijd voor de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), met 200.000 leden en meer dan zestig consultatiebureaus voor anticonceptie en seksualiteit. Toch vond eind jaren zestig nog maar 28 procent van de Nederlanders dat homofielen, toen een veelgebruikte term, openlijk voor hun geaardheid konden uitkomen. De meeste landgenoten keurden het af, zij vonden homoseksualiteit nog steeds een afwijking of ziekte. Maar de hoofdstad was anders, dáár kon steeds meer.

Voorlichtingskoffer van de NVSH, de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming
Voorlichtingskoffer van de NVSH, de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (CC BY-SA 3.0 – Amsterdam museum– wiki)

De koers verlegd

In 1962 nam vormgever en bestuurder Benno Premsela (1929-1997) het voorzitterschap van het COC over van Nico Engelschman, die de functie al enige tijd beu was. Premsela verloor een groot deel van zijn familie in de oorlog. Achteromkijken was voor hem geen optie. Hij vertelt hierover in de biografie Benno Premsela:

Uiteindelijk had ik de gaskamer overleefd. Er kon mij verder niks meer gebeuren. Eerst was ik lichamelijk bedreigd met de dood en dan zou ik ook nog eens geestelijk met de dood worden bedreigd, als homoseksueel, niet aanwezig in de samenleving. Dat was ondenkbaar voor mij. (. . .) Dat is de positieve les die ik dan getrokken heb uit de ontzettend negatieve les van de oorlog.

Met Premsela aan het roer verlegde het COC zijn koers. De organisatie moest opener, minder naar binnen gericht zijn en met haar activiteiten beter aansluiten bij de samenleving. Daarom werd op het landelijk congres van oktober 1964 besloten de organisatie om te dopen tot Nederlandse Vereniging voor Homofielen COC. Voor het eerst maakte de naam duidelijk voor welke groep de vereniging stond.

Premsela’s stuwende kracht

‘Een homo heeft het volste recht heupwiegend door de Leidsestraat te gaan,’ aldus Benno Premsela. Zichtbaarheid is essentieel voor de homo-emancipatie, vond hij. Daad bij het woord voegend verscheen Premsela als een van de eerste openlijk homoseksuelen herkenbaar op de Nederlandse televisie.

Detail van de expositie 'Show Yourself, Benno Premsela 1920-1997
Detail van de expositie ‘Show Yourself, Benno Premsela 1920-1997’, in het Stadsarchief, 2008. Uit: Amsterdam, een roze geschiedenis
Premsela kwam uit een sociaaldemocratisch en humanistisch Joods milieu. Zijn vader, een bekende huisarts en seksuoloog, had samen met zijn vrouw een bloeiende praktijk in de Amsterdamse binnenstad. Premsela genoot een vrijzinnige opvoeding, gevuld met bezoeken aan musea, concerten en theaters.

De oorlog maakte abrupt een einde aan zijn zorgeloze jeugd. Premsela moest zijn opleiding afbreken en dook onder in Friesland. Zijn ouders en broer werden in april 1943 weggevoerd en vermoord in het vernietigingskamp Auschwitz. Als overlevende had Premsela niets meer te verliezen:

‘Zo is het leven, het hangt van toeval aan elkaar. Achteromkijken heeft geen zin. Ik vlucht naar voren.’

Na een periode als chef etalages bij de Bijenkorf, richtte Premsela met Jan Vonk zijn eigen vormgevingsbureau op. Schoonheid en functionaliteit hoorden bij elkaar, met als beroemdste voorbeeld de Lotek-lamp (1982).

Naast zijn werk als vormgever en binnenhuisarchitect was Premsela ook een stuwende kracht in de homo-emancipatiebeweging. Premsela had niet veel op met de behoedzame strategie van het COC. De openheid en dialoog die hij met het COC nastreefde, zijn er onder zijn voorzitterschap van 1962 tot 1971 dan ook gekomen. In zijn biografie zegt hij over de mogelijke voltooiing van de integratie van homoseksuelen:

‘Onzin natuurlijk. (…) Het is zelfs de vraag of dat ooit volledig zal gebeuren. Daar zijn een aantal redenen voor. Een van die redenen is dat homoseksuelen geen groep zijn. Iedere homo begint elke keer weer het wiel uit te vinden. (…) Homoseksuelen worden in principe niet opgevangen door hun milieu. Om het heel zwart-wit te zeggen: er is de familie die je de deur uitsmijt. Dus die emancipatie moet steeds opnieuw plaatsvinden. Daarom duurt het zo vreselijk lang. (…) De samenleving dwingt mensen eigenlijk een subcultuur in.’

Dialoog

De koerswijzing van het COC bleek ook uit de oprichting van de stichting Dialoog en de uitgave van het gelijknamige tweemaandelijks tijdschrift, gewijd aan ‘de relatie tussen de homofiel en de maatschappij’. Het doel van het blad was om…

‘…het gesprek tussen homofielen en niet-homofielen, maar ook tussen homofielen onderling, de levensmogelijkheden voor onze groep te verruimen’.

Het tijdschrift richtte zich daarom niet alleen op COC-leden maar ook op anderen, homofiel en heterofiel. De redactie wilde laten zien dat homoseksualiteit niet zo heel anders was dan heteroseksualiteit, dat het veelal gaat om hetzelfde alledaagse plezier en dezelfde menselijke problemen. Gerenommeerde journalisten en wetenschappers leverden bijdragen aan Dialoog. Ze deden aan vrije nieuwsgaring en stelden vragen aan politieke leiders, zoals: wat is uw standpunt ten aanzien van gelijke rechten op huisvesting voor vrienden- en vriendinnenparen? De redactie durfde risico’s te nemen en nam literaire bijdragen op van jonge schrijvers, onder wie Gerard Reve, en voorpublicaties van vertalingen, zoals van Dagboek van een dief van Jean Genet.

Amsterdam. Een roze geschiedenis - Monique Doppert
Amsterdam. Een roze geschiedenis – Monique Doppert
Het blad kreeg een goede pers. Ook de verkoop liep voorspoedig. Helaas slaagde het maandblad er achteraf gezien niet in evenveel aandacht te besteden aan de positie van lesbische vrouwen als aan die van homoseksuele mannen. De belangrijkste reden hiervoor was de samenstelling van de redactie: bij de start bestond die uit negen mannen en twee vrouwen, met vrijwel uitsluitend mannelijke gastschrijvers. Gerard Reve leverde vier bijdragen, waaronder ‘Brief aan mijn bank’. In dit verhaal fantaseerde hij over het hebben van anale seks met God in de gedaante van een ezel. Daarbij zou hij ‘zwachtels (doen) om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen’.

Deze expliciete tekst, in combinatie met soortgelijke uitlatingen in zijn boek Nader tot U, leidde tot het fameuze ‘Ezelproces’. De auteur werd beschuldigd van ‘smalende godslastering’. Hij moest daarvoor in november 1966 voor de rechtbank in Amsterdam verschijnen. De zaak werd uitgevochten tot de Hoge Raad, die Reve vrijsprak. Dat hij het proces won, werkte bevrijdend – niet alleen voor Reve maar ook voor hen die het moeilijk hadden met hun homoseksualiteit en in de kast zaten. Hij ontving veel brieven van homoseksuelen die zich gesteund voelden door zijn boeken en artikelen. In datzelfde jaar trad Reve toe tot de Katholieke Kerk.

In zijn korte bestaan ontwikkelde Dialoog (1964-1967) een progressieve en soms ook spraakmakende visie op de emancipatie van homoseksuelen. De redactie liep echter te ver vooruit op wat er onder COC-leden leefde. De afstand werd te groot, en eind 1967 moest Dialoog na achttien nummers stoppen.

Boek: Amsterdam. Een roze geschiedenis – Monique Doppert

Monique Doppert begon bij Folia Civitatis en publiceerde in o.a. NRC Handelsblad en Boekblad. Bij de internationale organisatie Hivos was zij medeverantwoordelijk voor media- en cultuurprojecten in het Midden-Oosten. Eerder schreef zij Internetpioniers en was ze medeauteur van Haat & liefde, over homoseksualiteit in multicultureel Nederland.